RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-151179-22
raadkamernummer : 014094-26
datum : 26 augustus 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1997,
woonplaats kiezende op het kantoor van zijn advocaat mr A.N. Slijters,
te [adres] ,
hierna te noemen: de klager.
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv, blijkt dat op 8 november 2022 in het strafvorderlijk onderzoek tegen [persoon] € 7.400,- (G6259938) in beslag is genomen.
Procedure
Het klaagschrift is op 15 mei 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 12 augustus 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de klager, de advocaat, mr. A.N. Slijters, en de officier van justitie, mr. P. van Laere, op zitting gehoord.
De belanghebbende [opa van klager] is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, een geldbedrag van € 7.400,-.
Door en namens de klager is aangevoerd dat het geldbedrag aan de klager en [opa van klager] , de opa van klager, toebehoort. Het geldbedrag is aangetroffen in de kluis van [opa van klager] . Zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben in de strafzaak van [persoon] geoordeeld dat het geldbedrag moet worden teruggegeven aan degene die 'redelijkerwijs als rechthebbende' kan worden aangemerkt. Uit het verhoor van [opa van klager] van 14 november 2022 volgt dat het geldbedrag van hem en de klager samen is. Klager pinde zijn salaris en bewaarde dit in de kluis van [opa van klager] . Dit wordt ondersteund door de overgelegde bankafschriften.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat niet kan aangetoond worden dat de klager buiten redelijke twijfel de eigenaar van het inbeslaggenomen geld is.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen de drie maanden sinds de zaak tot een einde is gekomen twee jaren na inbeslagneming. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
Hier is sprake van een klager die stelt eigenaar/rechthebbende van het voorwerp te zijn en om teruggave vraagt, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht en die niet de beslagene is. Beoordeeld moet worden of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar/rechthebbende van het voorwerp moet worden aangemerkt en zo ja, of zich de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.
De rechtbank overweegt dat onvoldoende is aangetoond dat de klager (mede-)eigenaar is van het geldbedrag. [opa van klager] heeft hierover wisselende verklaringen, namelijk:
Daarnaast blijkt uit de overgelegde bankafschriften niet dat het door klager gepinde geld ziet op het aangetroffen geld in de kluis van [opa van klager] .
De rechtbank is van oordeel dat de klager niet buiten redelijke twijfel als eigenaar kan worden aangemerkt, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 26 augustus 2026 door
mr. J. Thomas, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.