RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-247637-25
raadkamernummer : 017395-26
datum : 26 augustus 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:
[de veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezende op het kantoor van advocaat mr. S.N. de Jager,
te [adres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 17 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 12 augustus 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, de advocaat, mr. S.N. de Jager, en de officier van justitie, mr. P. van Laere, op zitting gehoord.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Door en namens de veroordeelde is aangevoerd dat de veroordeelde ten tijde van de tenlastelegging 14 jaar oud was, een blanco strafblad heeft en nergens uit blijkt dat sprake is van een herhalingsgevaar. De veroordeelde is in hoger beroep gegaan tegen de onderliggende uitspraak.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Er is een coulanceregeling ten aanzien van minderjarige veroordeelden indien een taakstraf van maximaal 40 uren wordt opgelegd. Aan de veroordeelde is echter een taakstraf van 60 uren opgelegd, waarvan 40 uren voorwaardelijk, waardoor de veroordeelde geen aanspraak maakt op de coulanceregeling.
Beoordeling
Bij vonnis van 14 april 2026 is de veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van het medeplegen van afpersing.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samenmet de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Hetgeen door of namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Bij de beoordeling kan de leeftijd en het zijn van first offender een rol spelen, maar dit zijn geen doorslaggevende omstandigheden. Ook blijkt niet van een situatie waarbij het zeer onaannemelijk is dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal begaan.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 26 augustus 2026 door
mr. J. Thomas, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.