RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-038894-26
raadkamernummer : 004028-26
datum : 26 augustus 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
opgegeven te verblijven op het adres
[adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Feiten
De officier van justitie heeft op 8 februari 2026 beslist de verzoeker niet verder te vervolgen in de vorm van een beleidssepot. Deze beslissing is onherroepelijk geworden. De door de officier van justitie aan de niet (verdere) vervolging verbonden voorwaarden zijn vervuld.
Procedure
Het verzoekschrift is op 10 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 12 augustus 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de verzoeker, mr. R. den Riet, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie op zitting gehoord.
De verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Verzoek
Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding wegens de kosten van een raadsman voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoek en het verzoek op grond van artikel 533 Sv tot een bedrag van € 825,-.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen het toekennen van de gevraagde vergoeding.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.
Aan de gewezen verdachte kan een vergoeding worden toegekend voor werkelijke schade als gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting. Ook kan een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman, inclusief kosten voor bijstand tijdens de verzekering en de voorlopige hechtenis, behalve als de raadsman was toegevoegd. Een vergoeding voor deze kosten kan ook worden toegekend als de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.
De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank acht die gronden aanwezig. De rechtbank is van oordeel dat een beleidssepot niet zonder meer betekent dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn. Uit het standpunt van het Openbaar Ministerie volgt onvoldoende met welke belangen van de verzoeker is rekening gehouden en waarom in dit geval geen vergoeding dient te worden toegekend.
De rechtbank zal het gebruikelijke bedrag van € 825,- toekennen voor de kosten van indiening en behandeling van dit verzoek en het verzoek ex artikel 533 Sv.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 825,-.
Deze beslissing is gegeven op 26 augustus 2026 door
mr. J. Thomas, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 825,- (zegge: achthonderdvijfentwintig euro) op IBAN-nummer [IBAN] ten gunste van Stichting Beheer Derdengelden, onder vermelding van [nummer] , [de verzoeker] .
Aldus gedaan op 26 augustus 2026
door mr. J. Thomas, rechter.