RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-188038-26
Datum uitspraak: 1 september 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 februari 2024 door the Circuit Court of Zielona Góra, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [de penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een vonnis van the District Court of Nowa Sól van 26 mei 2023, met referentie: II K 205/23.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar en acht maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog een jaar en drie maanden.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
5. Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
bedreiging met zwaar lichamelijk letsel of de dood;
mishandeling;
stalking.
6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7. Overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 23, tweede lid, OLW
De raadsman heeft bepleit dat er consequenties moeten worden verbonden aan het feit dat de officier van justitie de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB niet binnen drie dagen na ontvangst van het EAB heeft ingediend, zoals wettelijk is vereist.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet slaagt. De OLW stelt geen sanctie op het overschrijden van de termijn ex artikel 23, tweede lid, OLW. Overschrijding daarvan heeft dus in beginsel geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering. Dit is anders als sprake is van een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grote veronachtzaming van de belangen van de opgeëiste persoon tekort wordt gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Daarvan is in deze zaak echter geen sprake.
8. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
9. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 285, 285b en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
10. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court of Zielona Góra, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E. de Rooij, voorzitter,
mrs. A.B.M. Wijnveldt en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.