RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.227983.22
Datum uitspraak: 3 september 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
wonende op het [adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 26 juni 2025 en 20 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. O.J.M. van der Bijl, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. Farber, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is - kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 25 juni 2025 - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
De volledige tekst van de uiteindelijke tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.
3. Waardering van het bewijs
Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat
Feit 1
de besloten vennootschap Procesmaker B.V.,
in de periode van 1 juni 2018 tot en met 20 januari 2021 in Nederland,
opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van Procesmaker B.V. over:
- het jaar 2017 en
- het jaar 2018 en
- het jaar 2019,
niet heeft gedaan,
terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
Feit 2
de besloten vennootschap Procesmaker B.V.
in de periode 1 januari 2018 tot en met 8 november 2019 in Nederland
opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over
- kwartaal 1 van het jaar 2018 (ten name van Procesmaker B.V.) en
- kwartaal 3 van het jaar 2018 (ten name van Procesmaker B.V.) en
- kwartaal 4 van het jaar 2018 (ten name van Procesmaker B.V.) en
- kwartaal 3 van het jaar 2019 (ten name van Procesmaker B.V.)
onjuist heeft gedaan, door in de ingediende aangiften omzetbelasting over genoemde tijdvakken een onjuist bedrag aan voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven
terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
Aanvullende overwegingen
Aangifte vennootschapsbelasting 2020 en pleegperiode (feit 1)
Voor een bewezenverklaring van het ‘niet doen’ van een belastingaangifte in de zin van artikel 69, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is vereist dat, in dit geval, Procesmaker B.V. is uitgenodigd voor het doen van aangifte en dat zij hiertoe is aangemaand. Uit de aanvullende stukken blijkt dat Procesmaker B.V. op 28 juli 2021 is aangemaand vóór 11 augustus 2011 aangifte te doen. Dit brengt mee dat niet vastgesteld kan worden dat Procesmaker B.V. in de tenlastegelegde periode – die eindigt op 1 juni 2021 - de aangifte over 2020 niet heeft gedaan in de zin van artikel 69 lid 1 AWR. Verdachte wordt daarom vrijgesproken voor zover het feit betrekking heeft op de aangifte over het jaar 2020. Omdat Procesmaker B.V. is aangemaand de aangifte over 2019 uiterlijk op 20 januari 2021 in te dienen, beperkt de rechtbank het einde van de bewezenverklaarde periode tot die datum.
Strekkingsvereiste (feit 1, 2018)
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de vennootschapsbelasting over het tijdvak 2018 omdat het niet bewezen is dat dit feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven. Over dit tijdvak was sprake van een negatief fiscaal resultaat zodat hierover geen vennootschapsbelasting betaald hoefde te worden.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Een feit strekt ertoe dat te weinig belasting wordt geheven indien de te geringe heffing naar redelijke verwachting waarschijnlijk is. Het gaat daarbij om een ‘van buitenaf’ waarneembare eigenschap van de gestelde gedraging. De strekking kan aangenomen worden op grond van ervaringsregels die tot het oordeel leiden dat, in dit geval, het niet doen van aangifte, gezien de effecten die daarvan in het algemeen uitgaan, geschikt is om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven. Het niet doen van een aangifte vennootschapsbelasting is in het algemeen geschikt om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven, zodat ook het strekkingsvereiste is bewezen.
Aangiften ontbreken in dossier (feit 2)
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de aangiften omzetbelasting omdat de ingediende aangiften niet in het dossier zijn gevoegd. De rechtbank constateert dat de aangiften als bijlage zijn gevoegd bij de Ambtsedige verklaring omzetbelasting van 17 augustus 2026. Gelet daarop verwerpt de rechtbank het verweer.
4. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de straffen en maatregelen
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.
De raadsman heeft een (deels voorwaardelijke) geldboete van € 4.000,- voorgesteld.
De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke geldboete op van € 10.000,-. Daarvoor acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.
Verdachte heeft zich gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan belastingfraude door belastingaangiften van zijn vennootschap niet of onjuist te doen. Het gaat daarmee om kwalijke feiten en het berekende belastingnadeel door het handelen van verdachte komt neer op bijna € 30.000,-.
Op basis van het dossier en de behandeling op zitting komt het beeld naar voren dat verdachte in de bewezenverklaarde periode onvoldoende aandacht heeft gegeven aan zijn fiscale verplichtingen. Hij voerde nauwelijks een administratie en het lukte hem – naar eigen zeggen – niet goed om zijn aangiftes in te vullen. Hij moet zich daarbij echter hebben gerealiseerd dat hij de Belastingdienst benadeelde. Verdachte lijkt inmiddels zijn leven te hebben gebeterd. Inmiddels heeft hij het belastingnadeel van de tenlastegelegde en bewezen feiten aan de Belastingdienst voldaan en voldoet hij ook overigens aan zijn fiscale verplichtingen. Ook heeft hij zijn bedrijfsvoering verbeterd en een boekhouder in de arm genomen. De rechtbank weegt deze omstandigheden in het voordeel van verdachte mee.
De rechtbank acht alles afwegende een geldboete als strafsoort passend. Doordat de het met de feiten veroorzaakte belastingnadeel inmiddels ongedaan gemaakt is, ontstaat hiervoor ook ruimte. Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete kijkt de rechtbank enerzijds naar het veroorzaakte belastingnadeel en anderzijds ook naar het grote tijdsverloop in deze zaak.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23 (oud), 24c, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de AWR.
8. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.1 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
- feitelijke leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door rechtspersoon, meermalen gepleegd;
Feit 2
- feitelijke leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 75 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Bijleveld, voorzitter,
mrs. B. Vogel en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.