RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter van 28 augustus 2026
de vennootschap naar buitenlands recht PEC Terracotta Sarl
1. [gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
[gedaagde 2]
[gedaagde 1]
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE IN DE HOOFDZAAK EN VRIJWARING
vonnis
Afdeling privaatrecht
Zaaknummer hoofdzaak: 11735259 CV EXPL 25-8022
Zaaknummer vrijwaring: 11973929 CV EXPL 25-16173
in de hoofdzaak
gevestigd te Luxemburg
eiseres
nader te noemen: PEC
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders
t e g e n
wonende te [woonplaats 1]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde 1]
niet verschenen
wonende te [woonplaats 2]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde 2]
gemachtigde: mr. E. Doornbos
en in vrijwaring
wonende te [woonplaats 2]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde 2]
gemachtigde: mr. E. Doornbos
t e g e n
wonende te [woonplaats 1]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde 1]
niet verschenen
Op 20 maart 2026 is een tussenvonnis gewezen waarin de vorderingen van PEC jegens [gedaagde 1], afgezien van een proceskostenveroordeling, zijn toegewezen en de zaak jegens [gedaagde 2] is voortgezet en daartoe is verwezen naar de rol. Hierna zijn nog ingediend:
De vrijwaringszaak is aangehouden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Verdere beoordeling in de hoofdzaak
3. In onderhavig geval is niet gebleken van een gezamenlijk verzoek van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aan (de rechtsvoorganger van) PEC om de huur ten aanzien van [gedaagde 2] te laten eindigen. [gedaagde 1] heeft immers niet gereageerd op het verzoek van de gemachtigde van [gedaagde 2] om hieraan zijn medewerking te verlenen, noch is gebleken dat [gedaagde 1] PEC hierover zelf heeft benaderd. Waar echter wel van uit dient te worden gegaan is dat [gedaagde 1] in het gehuurde is blijven wonen en dat (de rechtsvoorganger van) PEC in ieder geval vanaf 7 juli 2023 ermee bekend was dat [gedaagde 2] de huur niet langer wenste voor te zetten. Dit acht de kantonrechter voldoende voor het aannemen van een ook voor (de rechtsvoorganger van) PEC kenbare feitelijke afspraak tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] dat [gedaagde 1] de huur met uitsluiting van [gedaagde 2] zou voortzetten, welke afspraak PEC heeft te dulden.
4. Namens [gedaagde 2] is geen termijn genoemd waartegen zij de huurovereenkomst heeft willen opzeggen. Gelet evenwel op de voor huurders geldende wettelijke opzegtermijn van een minimaal een maand, wordt ervan uitgegaan dat de huurovereenkomst met betrekking tot [gedaagde 2] met ingang van 1 september 2023 dan ook is geëindigd. Op dat moment was nog geen sprake van enige huurachterstand, zodat de vordering van PEC tot betaling van de huurachterstand jegens [gedaagde 2] wordt afgewezen.
5. Gelet op deze uitkomst wordt PEC in de proceskosten zijdens [gedaagde 2] veroordeeld, inclusief de kosten van de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tot op heden begroot op (€ 432,- x 3,5 =) € 1.512,- aan salaris van de gemachtigde en € 144,- aan nasalaris, in totaal € 1.656,-.
6. [gedaagde 1] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeelt in de proceskosten aan de zijde van PEC begroot op € 145,45 aan explootkosten, € 1.461,- aan griffierecht, € 432,- aan salaris gemachtigde en € 144,- aan nasalaris, in totaal € 2.182,45.
Verdere beoordeling in vrijwaring
7. Nu de vorderingen jegens [gedaagde 2] in de hoofdzaak zijn afgewezen, ontbreekt een grond voor een veroordeling van [gedaagde 1] in de vrijwaringsprocedure en wordt deze vordering daarom afgewezen.
8. [gedaagde 2] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast, aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op nihil.
BESLISSING
De kantonrechter:
In de hoofdzaak (CV 25-8022)
ten aanzien van [gedaagde 1]
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van PEC tot op heden begroot op € 2.182,45;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
ten aanzien van [gedaagde 2]
wijst de vorderingen van PEC af;
veroordeelt PEC in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 1.656,-
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
In de vrijwaring (CV 25-16173)
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.