ECLI:NL:RBAMS:2026:8873

ECLI:NL:RBAMS:2026:8873

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer 13-321705-25
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Executie-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Artikel 12 OLW: in persoon verschenen. Artikel 6a OLW: voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. De rechtbank heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd om informatie bij de IND, het certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-321705-25

Datum uitspraak: 3 september 2026

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering van 26 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 november 2025 door the Regional Court in Krosno, 2nd Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

feitelijk verblijfadres:

[verblijfadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J. van Rooijen, advocaat in [plaatsnaam], en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Lesko, Non-local 6th Criminal Division with the seat in Ustrzyki Dolne van 17 december 2015, met kenmerk VI K 215/15.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis. De straf resteert volgens het EAB nog in zijn geheel.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

5. Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als - kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De opgeëiste persoon woont sinds 2016 met zijn partner in Nederland en staat sinds 28 september 2018 ingeschreven op een adres in Nederland ( [BRP-adres] ). In de periode van 1 februari 2024 tot 14 mei 2025 heeft de opgeëiste persoon niet ingeschreven gestaan op een adres in Nederland, maar hij heeft toen wel in Nederland verbleven. Ter onderbouwing hiervan zijn op 30 juni 2026 gegevens van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) over de jaren 2016 tot en met 2025 overgelegd. Uit de UWV-gegevens over het jaar 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon in dat jaar 1868 uren heeft gewerkt. Gelet hierop kan het niet anders dan dat de opgeëiste persoon ook in 2024 in Nederland heeft verbleven. Daarnaast zijn stukken overgelegd waaruit blijkt dat de partner van de opgeëiste persoon een inkomen heeft en sinds 2018 staat ingeschreven op hetzelfde adres als de opgeëiste persoon. Op 12 augustus 2026 zijn per mail aanvullende stukken overgelegd, te weten stukken van de Belastingdienst over de jaren 2020 tot en met 2025, met uitzondering van het jaar 2024, en een plaatsingsbevestiging van 17 juli 2026. Aan de hand van deze stukken is aangetoond dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, niet is vereist. Op grond van algemene informatie bestaat de verwachting dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland niet zal verliezen na het uitzitten van de in Polen opgelegde straf van zes maanden. Deze straf kan dan ook worden overgenomen door Nederland.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer te laat zijn ingediend, onvoldoende zijn geordend en niet zijn voorzien van een conclusie. Het is daardoor niet duidelijk over welke jaren door de verdediging gelijkstelling wordt bepleit. Daarnaast is het niet duidelijk waar de opgeëiste persoon in de periode tussen 1 februari 2024 en 14 mei 2025 heeft verbleven. Op de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2022, gedateerd op 11 december 2024, staat een adres in Polen vermeld. Hoewel uit de UWV-gegevens over het jaar 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon in dat jaar in Nederland heeft gewerkt, is hij werkzaam geweest als vrachtwagenchauffeur en daardoor bestaat de mogelijkheid dat de arbeid vanaf een andere standplaats dan Nederland is verricht.

Oordeel van de rechtbank

Zijn de bewijsstukken tijdig en geordend aangeleverd?

Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijsstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig en voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank wordt geacht een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Uit jurisprudentie van deze rechtbank volgt dat stukken die tien dagen voor de zitting zijn ingediend in ieder geval tijdig zijn. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat. Dit is afhankelijk van de omvang en overzichtelijkheid van en toelichting op die stukken.

De verdediging heeft op 30 juni 2026 - en dus tijdig voorafgaand aan de zitting - op geordende wijze stukken ingediend. Een conclusie over de vraag of de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander ontbreekt, aangezien de stukken zijn overgelegd in het kader van een verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om deze stukken buiten beschouwing te laten. Per mail van 12 augustus 2026 heeft de verdediging nog nadere stukken overgelegd. Hoewel deze stukken niet uiterlijk tien dagen voor de zitting zijn ingediend, zal de rechtbank de stukken wel bij haar beoordeling betrekken. De rechtbank is van oordeel dat de aangeleverde stukken een aanvulling op de eerder ingediende stukken zijn en bovendien qua omvang niet dusdanig omvangrijk zijn en ook niet extreem laat of op zo een onoverzichtelijke wijze zijn aangeleverd dat zij niet binnen de beschikbare tijd inhoudelijk kunnen worden beoordeeld.

Voldoet de opgeëiste persoon aan de voorwaarden voor gelijkstelling?

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:

De eerste voorwaarde

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Daarbij is het volgende van belang.

De opgeëiste persoon heeft van 28 september 2018 tot 1 februari 2024 ingeschreven gestaan op adressen in Nederland. Op 14 mei 2025 heeft de opgeëiste persoon zich opnieuw ingeschreven op het adres [BRP-adres] . De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij intussen niet langer op het adres in [plaatsnaam] woont, maar is verhuisd naar het adres [verblijfadres] . De opgeëiste persoon heeft zich nog niet kunnen inschrijven op dit adres, omdat zijn paspoort bij de officier van justitie in bewaring ligt. De raadsman heeft ter zitting een e-mail van de verhuurster van de woning in [plaatsnaam] geciteerd, waaruit blijkt dat zij de huurovereenkomst per 1 augustus 2026 heeft opgezegd wegens dringend eigen gebruik. Sindsdien woont de opgeëiste persoon op het adres in Boxtel.

De verdediging heeft ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer gegevens van het UWV over de jaren 2016 tot en met augustus 2026 en stukken van de Belastingdienst over de jaren 2020 tot en met 2025 (met uitzondering van het jaar 2024) overgelegd. Daarnaast zijn stukken over de partner van de opgeëiste persoon en een plaatsingsovereenkomst van 17 juli 2026 overgelegd.

Hoewel de opgeëiste persoon in de periode van 1 februari 2024 tot 14 mei 2025 niet ingeschreven heeft gestaan op een adres in Nederland, heeft hij hierover uiteengezet dat en hoe deze uitschrijving per vergissing is gedaan en hij, na daarop door de gemeente te zijn gewezen, zich op hetzelfde adres opnieuw heeft ingeschreven en dus feitelijk steeds op hetzelfde adres heeft gewoond. Bovendien volgt uit de overgelegde stukken voldoende duidelijk dat hij in die periode heeft gewerkt in Nederland. Uit de gegevens van het UWV blijkt dat de opgeëiste persoon in het jaar 2024 minstens 1868 uren in Nederland heeft gewerkt (waarvan 56 uren Ziektewet- of WAZO-uitkering). Dit komt neer op zo’n 45 weken voltijd werk. In het jaar 2025 heeft de opgeëiste persoon minstens 2545 uren gewerkt, hetgeen neerkomt op 52 weken van gemiddeld meer dan 40 uur. Verder blijkt uit de gegevens van het UWV dat de opgeëiste persoon in 2024 en 2025 de gewerkte uren verspreid over het gehele jaar heeft gemaakt. De rechtbank gaat er op basis van de verklaring van de opgeëiste persoon en de omstandigheid dat hij zich opnieuw heeft kunnen inschrijven op hetzelfde adres in [plaatsnaam] van uit dat de uitschrijving op een vergissing berustte. Bovendien heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat hij niet werkt als vrachtwagenchauffeur maar werkt als chauffeur op een terminal en diensten draait van acht uren. In het verhoor bij de voorgeleiding heeft de opgeëiste persoon verklaard dat dit werk als chauffeur in Oosterhout is, welke plaats nabij [plaatsnaam] is gelegen. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geen aanleiding om te veronderstellen dat de opgeëiste persoon de werkzaamheden heeft verricht vanuit het buitenland. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon ook in de periode van 1 februari 2024 tot 15 mei 2025 ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

Daarnaast blijkt ook uit de overgelegde stukken van de Belastingdienst dat de opgeëiste persoon in de jaren 2021 tot en met 2023 ruimschoots 50% van de toepasselijke bijstandsnorm heeft verdiend. Door de verdediging zijn geen gegevens overgelegd over het jaar 2024 en alleen een aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2025. Gelet op de gegevens van het UWV over de hoeveelheid gewerkte uren is de rechtbank echter van oordeel dat het niets anders kan dan dat de opgeëiste persoon ook in 2024 en 2025 ruim 50% van de toepasselijke bijstandsnorm heeft verdiend. Hiermee heeft de opgeëiste persoon voldoende aangetoond dat over de afgelopen vijf jaren sprake is geweest van reële en daadwerkelijke arbeid in Nederland, zodat hij gedurende vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

Aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander is dus voldaan.

De tweede voorwaarde

Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie nog geen advies bij de IND opgevraagd, omdat het van mening was dat het gelijkstellingsverweer niet kon slagen. Aangezien de rechtbank nog niet beschikt over het advies kan zij de tweede voorwaarde (nog) niet beoordelen. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze informatie bij de IND op te vragen.

Daarnaast verzoekt de rechtbank de officier van justitie om uit hoofde van efficiëntie alvast bij de daartoe bevoegde autoriteit in Polen een certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het veroordelende vonnis op te vragen. De rechtbank verwacht namelijk, gelet op de IND-adviezen in andere zaken en het strafbare feit waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld, dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen.

Verlenging van de beslistermijn

Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Naar vaste jurisprudentie ziet de rechtbank de onderhavige situatie als een uitzonderlijke situatie en daarom verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

7. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 6 genoemde informatie op te vragen.

VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 21 november 2026), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op 7 november 2026, opnieuw op zitting wordt gepland.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs. W.A.J.P. van den Reek en E.M. de Bie, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 september 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.R.P.J. Davids

Griffier

  • mr. G. Riedijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand