RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/300022-24
Datum uitspraak: 8 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op 29 juli 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[adres] , [woonplaats]
( [naam PI] ) en aldaar thans gedetineerd.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. L. Bertels, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.B.O. van Soest, naar voren hebben gebracht. Namens benadeelde partij [benadeelde partij] is W. Steinmeijer van Slachtofferhulp Nederland verschenen.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 12 september 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het
Feit 1
medeplegen van poging tot moord (primair) dan wel poging tot doodslag (impliciet subsidiair) op [benadeelde partij] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en meer subsidiair als het medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade;
Feit 2
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [benadeelde partij] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir – op het standpunt gesteld dat de juridische kwalificatie die door de rechtbank in het vonnis van medeverdachte [medeverdachte 1] van 14 november 2025 aan de bewezenverklaarde geweldshandelingen is toegekend als uitgangspunt dient te worden genomen, nu het Openbaar Ministerie geen hoger beroep tegen dat vonnis heeft ingesteld. De officier van justitie heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat verdachte, net als [medeverdachte 1] , dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.
De officier van justitie heeft gevorderd het onder 1 meer subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde – met uitzondering van de bewoordingen ‘wurg hem, wurg hem’ – bewezen te verklaren. Hij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – overeenkomstig zijn schriftelijke pleitaantekeningen – integrale vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet in de woning van aangever is geweest maar buiten stond te wachten en van niets wist. Verdachte is niet NN2. Aangever omschrijft NN2 bij aankomst van de politie als een lange man met zwarte krulletjes. Als aangever twee weken later door de politie wordt gehoord noemt hij kort stijl haar. Bij de enkelvoudige fotoconfrontatie verklaart aangever bij de foto van verdachte eerst dat hij voor 50 procent zeker weet dat hij de lange man is die als eerste zijn woning binnenstapte en even later laat hij per e-mail aan de politie weten dat hij het voor 100 procent zeker weet. Onduidelijk is waaraan aangever zijn herinnering ontleent. Ook getuige [naam getuige] verklaart over een jongen met krullend haar die de handschoenen uit deed en op de grond gooide. Verdachte heeft geen krullen en is even lang als aangever. Daar komt bij dat hij de medeverdachten niet kent, met uitzondering van zijn jeugdvriend [naam jeugdvriend] . Dit wordt bevestigd door het onderzoek aan de telefoon van verdachte nu daaruit niets naar voren is gekomen dat aan de medeverdachten kan worden gelinkt.
Tot slot is van een vooropgezet plan geen sprake geweest. Indien daarvan wel sprake zou zijn geweest, volgt niet uit het dossier dat verdachte daarvan wetenschap had. Ook overigens kan niet worden vastgesteld dat verdachte een rol heeft gehad bij de ten laste gelegde feiten, aldus de raadsman. Hij heeft, gelet op zijn pleidooi tot integrale vrijspraak, verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling met voorbedachten rade en de onder 2 ten laste gelegde bedreiging. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II het volgende vast.
Op 12 september 2024 had aangever rond 21:30 uur in zijn woning aan de [adres] afgesproken met medeverdachte [medeverdachte 1] . Aangever heeft verklaard dat [medeverdachte 1] die avond op enig moment de woning heeft verlaten en dat hij na drie minuten terugkwam. Kort daarna werd er op de deur geklopt. Toen aangever de deur opende zag hij twee mannen (NN2 en NN3). [medeverdachte 1] stond met een mes achter aangever, pakte aangever bij zijn keel en ging met het mes naar zijn keel en richting zijn mond. [medeverdachte 1] hield zijn handen om de nek van aangever en probeerde hem te wurgen. Aangever had moeite met ademen. Aangever werd op de grond geduwd en door de mannen over de grond gesleept. Aangever kreeg meerdere klappen en schoppen, terwijl de mannen tegen elkaar riepen ‘wurg hem, wurg hem’.
Door de huisarts is bij aangever op 13 september 2024 letsel geconstateerd, te weten – onder meer – een pijnlijke plek op de hiel, schaafwonden op enkel en scheenbeen, blauwe plekken op meerdere plaatsen op het lichaam, een zeer pijnlijke nek en een snee bij de mondhoek.
Getuige [naam getuige] zag op 12 september 2024 rond 22:30 uur vier jongens uit de richting van de Maasstraat de Uiterwaardenstraat inrennen. Een jongen deed handschoenen uit en gooide deze op de grond. Op de binnenzijde van handschoen 1 is DNA aangetroffen dat afkomstig kan zijn van medeverdachte [naam jeugdvriend] (bewijskracht meer dan 1 miljard) en van verdachte (bewijskracht meer dan 1 miljard). Op de binnenzijde van handschoen 2 is een relatief grote hoeveelheid DNA aangetroffen dat afkomstig kan zijn van medeverdachte [naam jeugdvriend] (bewijskracht niet berekend) en een relatief kleine hoeveelheid dat afkomstig kan zijn van verdachte (bewijskracht niet berekend). Ook op de buitenzijde van handschoen 2 is een relatief kleine hoeveelheid DNA aangetroffen dat afkomstig kan zijn van verdachte (bewijskracht niet berekend).
[medeverdachte 1] is door deze rechtbank bij vonnis van 14 november 2025 veroordeeld voor het medeplegen van deze mishandeling en bedreiging van aangever.
Bij een enkelvoudige fotoconfrontatie heeft aangever bij de foto van verdachte verklaard dat hij voor 50 procent wist dat dit vermoedelijk de lange man is die als eerste zijn woning binnenstapte (NN2). Kort na de fotoconfrontatie heeft aangever contact opgenomen met de politie en verklaard dat hij verdachte voor 100 procent herkent.
Verdachte heeft verklaard dat hij op 12 september 2024 vanaf station Amsterdam Zuid met [naam jeugdvriend] en twee andere mannen, naar later bleek medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , richting de Maasstraat is gegaan. Verdachte heeft ontkend in de woning van aangever te zijn geweest. Hij heeft verklaard dat [naam jeugdvriend] naar station Amsterdam Zuid wilde om daar twee mannen te ontmoeten, dat hij, verdachte, geen idee had waarom, dat hij meegelopen is en buiten de woning is blijven wachten toen de andere drie mannen een woning in gingen. Toen de drie mannen de woning uit kwamen begonnen ze te rennen en is verdachte achter ze aangerend.
Vaststaat dat er vanaf station Amsterdam Zuid vier mannen in de richting van de woning van aangever zijn gegaan en dat van die vier mannen er drie bij aangever naar binnen zijn gegaan en dat de vier mannen na het geweld in de woning samen weer zijn weggerend. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij niet binnen is geweest niet geloofwaardig en stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat verdachte een van de mannen is die na [medeverdachte 1] de woning van aangever binnen is gegaan, te weten NN2, en samen met [medeverdachte 1] en de derde man de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd. De omstandigheid dat aangever bij het eerste contact met de politie ter plaatste heeft verklaard dat NN2 een lange man van ongeveer 1.85 met zwarte krulletjes was maakt dit niet anders. Aangever verklaart in ditzelfde gesprek met de verbalisanten dat de andere man ook zwart haar had en ongeveer 1.70 was. Het is goed voorstelbaar dat in de hectiek en paniek van het moment aangever de verschillende kenmerken van de daders door elkaar gehaald heeft. Bij de uitgebreide aangifte de volgende dag heeft aangever een signalement gegeven van NN2 waarin verdachte voor een groot deel past. Ook door het signalement dat aangever tijdens zijn nadere verhoor op 25 september 2024 van NN2 geeft wordt verdachte geenszins uitgesloten. De omstandigheid dat aangever zegt dat NN2 een lange man was en verdachte dezelfde lengte heeft als aangever is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de overige bewijsmiddelen niet dermate onderscheidend dat gelet daarop verdachte NN2 niet zou kunnen zijn.
Daar komt bij dat aangever verdachte heeft herkend bij de enkelvoudige fotoconfrontatie. Weliswaar dient terughoudend te worden omgegaan met de waardering van een herkenning bij een enkelvoudige fotoconfrontatie, maar de herkenning moet in deze zaak bezien worden in het licht van de overige bewijsmiddelen.
Zo is ook het DNA van – onder meer – verdachte op de binnenzijde van de handschoenen aangetroffen en is de verklaring van verdachte dat hij zonder iets te vragen vanaf station Amsterdam Zuid met een groepje is meegelopen naar de Maasstraat en buiten heeft gewacht volstrekt ongeloofwaardig.
De rechtbank is op basis van de hierboven genoemde belastende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte betrokken was bij de geweldshandelingen in de woning van aangever en dat hij NN2 was.
Vrijspraak van het onder 1 primair (poging tot moord dan wel doodslag) en het onder 1 subsidiair (poging tot zware mishandeling) ten laste gelegde
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe de door verdachte en zijn mededaders gepleegde geweldshandelingen juridisch gekwalificeerd moeten worden. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van aangever, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, is van belang of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door zijn handelen zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. De bewezenverklaarde geweldshandelingen leveren op zichzelf namelijk nog geen aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel op. De rechtbank kan op basis van het procesdossier niet de duur en mate van kracht van het bewezenverklaarde geweld vaststellen en daarmee evenmin of er daadwerkelijk sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat aangever door het handelen van verdachte en zijn mededaders zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel op zou kunnen lopen. De rechtbank acht daarom de primair ten laste gelegde poging tot moord, dan wel doodslag, en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde (mishandeling met voorbedachten rade) en het onder 2 ten laste gelegde (bedreiging)
De rechtbank is – gelet op de bewezenverklaarde geweldshandelingen en het bij aangever vastgestelde letsel – van oordeel dat wel kan worden bewezen dat verdachte aangever, samen met anderen, heeft mishandeld. Daarnaast levert het dichtdrukken van de hals en het bij de mond houden van een mes en het roepen: “wurg hem, wurg hem” tevens een bedreiging tegen het leven gericht op.
Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of verdachte de mishandeling heeft gepleegd met voorbedachten rade. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet vast komen te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op zijn besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte moet dus de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap geven. Om vast te kunnen stellen of er sprake is geweest van voorbedachten rade op de mishandeling zijn de volgende omstandigheden van belang.
Uit het dossier volgt dat eerder een ontmoeting tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en aangever heeft plaatsgevonden. Op 12 september 2024 is verdachte samen met [medeverdachte 1] en twee anderen vanuit station Amsterdam Zuid naar de woning van aangever gegaan. Eenmaal daar aangekomen is verdachte, samen met de medeverdachten, direct overgegaan tot geweld. De rechtbank leidt hieruit af dat er sprake was van een voorgenomen plan om aangever in zijn eigen woning geweld aan te doen. Verder is op basis van het procesdossier niet gebleken dat in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is gehandeld en/of dat er contra-indicaties zijn die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. De rechtbank acht de ten laste gelegde mishandeling met voorbedachten rade dan ook bewezen.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde
op 12 september 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met voorbedachten rade [benadeelde partij] heeft mishandeld, door:- die [benadeelde partij] bij de hals te grijpen en- die [benadeelde partij] aan de hals mee te sleuren en- een mes tegen de mond van die [benadeelde partij] te houden en- die [benadeelde partij] meerdere keren tegen het lichaam te slaan en te schoppen;
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
op 12 september 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde partij] te wurgen door de hals van die [benadeelde partij] dicht te drukken en een mes bij de mond van die [benadeelde partij] te houden en (hierbij) te roepen: “wurg hem, wurg hem”.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen en maatregelen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte bij vonnis wordt opgeheven.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, gelet op zijn pleidooi tot integrale vrijspraak, geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het met voorbedachten rade mishandelen en tevens bedreigen van het slachtoffer.
Terwijl het slachtoffer in de veronderstelling verkeerde dat hij een gezellige avond zou hebben met medeverdachte [medeverdachte 1] werd hij in zijn eigen woning aangevallen door drie mannen, waaronder verdachte. Verdachte en zijn twee medeverdachten hebben het slachtoffer geslagen en geschopt, hem bij zijn hals gegrepen en over de grond gesleept, een mes tegen zijn mond gehouden en gedreigd hem te wurgen. Dat dit alles heeft plaatsgevonden in de beslotenheid van de woning van het slachtoffer, bij uitstek de plaats waar mensen zich veilig behoren te voelen, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem door te dreigen hem te wurgen waarbij ook een mes werd getoond doen vrezen voor zijn leven. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding en de op zitting door Slachtofferhulp Nederland gegeven toelichting blijkt dat de gewelddadige aanval tot de dag van vandaag een grote invloed heeft op zijn leven. Naast de omstandigheid dat het slachtoffer na het voorval kampte met lichamelijke klachten ervaart hij sindsdien ook psychische klachten, waaronder slaapproblemen, angst- en spanningsklachten, gevoelens van onveiligheid, wantrouwen en somberheid en concentratieproblemen. Behalve de enorme impact op het slachtoffer, veroorzaken dergelijke feiten ook gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving als geheel.
De persoon van de verdachte
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 augustus 2026 volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Op 22 augustus 2023 is wegens vuurwapenbezit aan hem een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd. De proeftijd in die zaak liep van 6 september 2023 tot 11 oktober 2025. Dit betekent dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd terwijl hij in een proeftijd liep. Voorts is verdachte recenter, namelijk op 4 februari 2026, veroordeeld voor het medeplegen van een winkeloverval en bedreiging. Verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Deze niet-onherroepelijke veroordeling maakt dat in de onderhavige zaak artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 29 september 2025. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Verdachte heeft een bewogen jeugd gehad waarbij hij op jonge leeftijd al in aanraking kwam met politie en justitie. Hij is aan meerdere studies begonnen, maar heeft ze niet afgerond. Hij is niet in staat om werk langer dan drie weken vast te houden en de reclassering heeft vernomen dat verdachte niet meer thuis mag wonen, omdat hij met zijn (delict-)gedrag voor teveel onrust en onveiligheid zorgt. Verdachte lijkt zijn drugsgebruik te nuanceren, terwijl uit referenteninformatie naar voren komt dat hij problematisch cannabis gebruikt. Tevens kampt hij met schulden van zijn niet afgeronde studies en nog te betalen boetes. Ook het netwerk van verdachte is (deels) negatief en hij lijkt daardoor te worden beïnvloed. De grote mate van instabiliteit op de diverse leefgebieden lijkt bij te dragen aan het delictgedrag van verdachte. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog, het risico op letsel wordt ook ingeschat als gemiddeld tot hoog en het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Geadviseerd wordt om – in geval van strafoplegging – verdachte af te straffen en aan hem een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank verenigt zich met de conclusies van voornoemd rapport en neemt het advies van de reclassering over.
De op te leggen straf
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank niet alleen gekeken naar de LOVS oriëntatiepunten voor eenvoudige mishandeling en bedreiging, maar meegewogen dat het slachtoffer in zijn eigen woning door meerdere personen is aangevallen en daarom ook acht geslagen op de oriëntatiepunten voor een woningoverval. Mede gelet op de inhoud van de reclasseringsrapportage ziet de rechtbank geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. De rechtbank komt tot dezelfde bewezenverklaring als de officier van justitie en ziet geen aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de eis van de officier van justitie.
Dit alles maakt dat de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden acht.
Nu verdachte thans uit anderen hoofde gedetineerd is en aan verdachte een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest zal worden opgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, zoals door de officier van justitie gevorderd.
9. Beslag
Hoewel de rechtbank niet beschikt over een beslaglijst, volgt uit het dossier dat er bij de aanhouding van verdachte een iPhone in beslag is genomen. De rechtbank zal ten aanzien van de iPhone een beslissing nemen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de teruggave aan verdachte gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven iPhone zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet langer verzet.
10. Ten aanzien van de benadeelde partij
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert betaling van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade bestaat uit lichamelijk letsel en psychische schade die hij zou hebben opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde feiten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, gelet op zijn standpunt tot integrale vrijspraak, verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.
Uit de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding volgt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit letsel bestaat uit pijnklachten en verwondingen aan zijn lichaam, waaronder een snee bij zijn rechtermondhoek, een verwonding op de borstkas, schaafwonden op zijn enkel en scheenbeen en blauwe plekken op zijn voet, kuit, pink en armen. Uit de ingediende vordering tot schadevergoeding volgt voorts dat de benadeelde partij kampt met psychische klachten, waaronder slaapproblemen, angst- en spanningsklachten, gevoelens van onveiligheid, wantrouwen en somberheid en concentratieproblemen. Als gevolg van nachtmerries en aanhoudende angstklachten is de benadeelde partij weer begonnen met het slikken van antidepressiva, terwijl hij daar zeven maanden voorafgaand aan het bewezenverklaarde juist mee was gestopt.
Mevrouw W. Steinmeijer van Slachtofferhulp Nederland heeft ter terechtzitting toegelicht dat de toestand van de benadeelde partij verbeterde toen hij opnieuw antidepressiva ging slikken. Zij heeft verder verklaard dat de benadeelde partij nog altijd last heeft van gevoelens van wantrouwen en van alertheid op straat, maar dat het nu, bijna twee jaar na de bewezenverklaarde feiten, wel beter met hem gaat.
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en zijn lichamelijke integriteit.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank de gevorderde schade billijk. De gevorderde immateriële schade zal dan ook in het geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
De betalingsverplichting wordt hoofdelijk opgelegd aan verdachte en zijn mededaders, omdat verdachte de bewezenverklaarde feiten samen met hen heeft gepleegd. Verdachte en zijn mededaders zijn ieder afzonderlijk verplicht om het toegewezen bedrag aan vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij te betalen, behalve voor zover een ander al heeft betaald.
Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
In het belang van de benadeelde partij zal de rechtbank, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen, zodat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf hoeft te innen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 285 en 301 van het Wetboek van Strafrecht.
12. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegde dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde
medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade;
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
- Goednummer: 6649708
Object: Communicatieap (Telefoon)
Merk/type: Apple Iphone
Kleur: Zwart
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van voornoemd bedrag aan de benadeelde partij
[benadeelde partij] , behalve voor zover deze vordering al door of namens zijn mededaders is betaald.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de staat € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of zijn mededaders aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter,
mrs. J.O. Rutten en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 september 2026.