RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/107769-25
Datum uitspraak: 8 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 augustus 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. L. Bertels, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. Sönmez, naar voren hebben gebracht. Namens benadeelde partij [benadeelde partij] is W. Steinmeijer van Slachtofferhulp Nederland verschenen.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 12 september 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het
Feit 1
medeplegen van poging tot moord (primair) dan wel poging tot doodslag (impliciet subsidiair) op [benadeelde partij] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en meer subsidiair als het medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade;
Feit 2
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [benadeelde partij] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir – op het standpunt gesteld dat de juridische kwalificatie die door de rechtbank in het vonnis van medeverdachte [medeverdachte] van 14 november 2025 aan de bewezenverklaarde geweldshandelingen is toegekend, als uitgangspunt dient te worden genomen, nu het Openbaar Ministerie geen hoger beroep tegen dat vonnis heeft ingesteld. De officier van justitie heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat verdachte, net als [medeverdachte] , dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.
De officier van justitie heeft gevorderd het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde – met uitzondering van de bewoordingen ‘wurg hem, wurg hem’ – bewezen te verklaren. Hij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – overeenkomstig zijn schriftelijke pleitaantekeningen – integrale vrijspraak bepleit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten vast te stellen. De enige herkenning is uitermate onzeker, forensisch en digitaal steunbewijs ontbreekt, de medeverdachten belasten verdachte niet en ook overigens kan geen significante bijdrage of bewuste samenwerking worden vastgesteld.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Op 12 september 2024 had aangever rond 21:30 uur in zijn woning aan de [adres] afgesproken met medeverdachte [medeverdachte] . Aangever heeft verklaard dat [medeverdachte] die avond op enig moment de woning heeft verlaten en dat hij na drie minuten terugkwam. Kort daarna werd er op de deur geklopt. Toen aangever de deur opende zag hij twee mannen (NN2 en NN3). [medeverdachte] stond met een mes achter aangever, pakte aangever bij zijn keel en ging met het mes naar zijn keel en richting zijn mond. [medeverdachte] hield zijn handen om de nek van aangever en probeerde hem te wurgen. Aangever had moeite met ademen. Aangever werd op de grond geduwd en door de mannen over de grond gesleept. Aangever kreeg meerdere klappen en schoppen, terwijl de mannen tegen elkaar riepen ‘wurg hem, wurg hem’.
Door de huisarts is bij aangever op 13 september 2024 letsel geconstateerd, te weten - onder meer - een pijnlijke plek op de hiel, schaafwonden op enkel en scheenbeen, blauwe plekken op meerdere plaatsen op het lichaam, een zeer pijnlijke nek en een snee bij de mondhoek.
Getuige [naam getuige] zag op 12 september 2024 rond 22:30 uur vier jongens uit de richting van de Maasstraat de Uiterwaardenstraat inrennen. Een jongen deed handschoenen uit en gooide deze op de grond.
[medeverdachte] is door deze rechtbank bij vonnis van 14 november 2025 veroordeeld voor het medeplegen van deze mishandeling en bedreiging van aangever.
Vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het verdachte is geweest die in de avond van 12 september 2024 met twee mededaders aangever in zijn woning heeft aangevallen en bedreigd.
Op 12 september 2024 zijn verbalisanten naar aanleiding van een melding van een overval naar de woning aan de [adres] gegaan. Aldaar hebben zij aangever aangetroffen, die een verklaring heeft afgelegd over hetgeen hem is overkomen. Ten aanzien van de derde (op dat moment nog onbekende) persoon, die in het dossier wordt aangeduid als NN3 en volgens het Openbaar Ministerie verdachte is, heeft aangever ter plaatse verklaard dat deze persoon ongeveer 1.70 meter lang is en zwart haar heeft. Daarnaast heeft aangever verklaard dat hij denkt dat NN3 van Marokkaanse komaf is. Op 13 september 2024 heeft hij aangifte gedaan.
Tijdens een aanvullend verhoor van aangever op 25 september 2024, dertien dagen na het incident, is hem gevraagd om nogmaals een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving te geven van de drie personen die zich ten tijde van het incident in zijn woning bevonden. Over NN3 heeft aangever bij die gelegenheid verklaard dat deze persoon kort is en dat hij diens gezicht niet goed heeft gezien, omdat hij achteraan stond. Verder heeft hij NN3 omschreven als een man met kort haar, die mogelijk een pet droeg of een capuchon op had, waarbij het haar aan de achterzijde onder de pet of capuchon vandaan kwam. Voorts heeft hij verklaard dat NN3 een kleine baard en een slank postuur had. Na het geven van de omschrijving van de drie personen heeft aangever benadrukt dat hij niet helemaal zeker is van alle antwoorden die hij heeft gegeven, omdat het allemaal heel snel is gegaan.
Op 30 april 2025 heeft de politie een enkelvoudige fotoconfrontatie met aangever gehouden, waarbij hem onder meer een foto van verdachte is getoond. Bij het tonen van de foto van verdachte heeft aangever verklaard dat hij het vermoeden had dat verdachte de derde persoon was die de woning in was gekomen (NN3). Daarbij heeft hij wederom verklaard dat hij het gezicht van deze persoon het minst goed had gezien en dat hij het niet zeker wist. Aangever heeft vervolgens verklaard dat hij voor vijftig procent zeker wist dat verdachte de derde persoon was die de woning in was gekomen.
Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de hem ten laste gelegde feiten ontkend. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij in de [adres] is geweest, maar dat hij de woning van aangever niet is binnengegaan. Volgens verdachte is hij buiten blijven wachten en wist hij niet wat er in de woning gebeurde. De rechtbank overweegt dat hoewel verdachte qua uiterlijk past binnen het door aangever gegeven signalement van NN3, althans dat signalement verdachte niet als dader uitsluit, op grond van de inhoud van het dossier niet meer kan worden vastgesteld dan dat verdachte een van de vier jongens is geweest die in de avond van 12 september 2024 op station Amsterdam Zuid is geweest en vervolgens naar de [adres] is gegaan. Dat verdachte ook een van de personen is geweest die de woning van aangever is binnengegaan, vindt geen steun in ander bewijsmateriaal. Zo ontbreekt enig DNA-spoor of ander forensisch bewijs dat verdachte in verband brengt met de woning van aangever of de ten laste gelegde feiten.
Ook het resultaat van de fotoconfrontatie biedt onvoldoende grond om tot die vaststelling te komen. Aangever heeft verdachte bij de fotoconfrontatie weliswaar aangewezen als de persoon die hij meent te herkennen als NN3, maar heeft daarbij uitdrukkelijk verklaard dat hij het gezicht van NN3 het minst goed heeft gezien en dat hij het niet zeker weet. Hij heeft zijn mate van zekerheid vervolgens uitgedrukt als vijftig procent. Gelet op deze beperkte mate van zekerheid, in samenhang bezien met het feit dat aangever verklaart dat hij NN3 slechts in beperkte mate heeft kunnen zien en over diens signalement niet op alle punten zekerheid heeft gehad, kan aan deze fotoconfrontatie onvoldoende bewijskracht worden toegekend.
Bij deze stand van zaken kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die in de avond van 12 september 2024 samen met twee mededaders, te weten [medeverdachte] en NN2, de woning van aangever is binnengegaan en aldaar de hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte daarom integraal vrijspreken.
5. Beslag
Hoewel de rechtbank niet beschikt over een beslaglijst, volgt uit het dossier dat er bij de aanhouding van verdachte een iPhone in beslag is genomen. De rechtbank zal ten aanzien van de iPhone een beslissing nemen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de iPhone de teruggave aan verdachte gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven iPhone zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet langer verzet.
6. Ten aanzien van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert betaling van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hij heeft tevens gevorderd dat de betalingsverplichting hoofdelijk wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, gelet op zijn primaire standpunt tot integrale vrijspraak, verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen, of in ieder geval niet hoofdelijk toe te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
7. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
- Goednummer: 6671543
Object: Communicatieap (Telefoon)
Merk/type: Apple Iphone
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter,
mrs. J.O. Rutten en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 september 2026.