ECLI:NL:RBAMS:2026:9033

ECLI:NL:RBAMS:2026:9033

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 12142420 EA VERZ 26-318
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst na 23 jaar wegens disfunctioneren, werknemer is arbeidsongeschikt, opzegverbod. Op grond van stellingen en stukken kan niet voldoende worden vastgesteld dat het disfunctioneren van werknemer geen verband houdt met arbeidsongeschiktheid. Geen uitzondering op opzegverbod zodat verzochte ontbinding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

beschikking van de kantonrechter

de stichting [verzoekster]

[verweerster]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 12142420 EA VERZ 26-318

beschikking van: 21 augustus 2026

func.: 364

I n z a k e

gevestigd te [vestigingsplaats]

verzoekster, nader te noemen: [verzoekster]

procederende bij mr. L. van Egmond

t e g e n

wonende te [woonplaats]

verweerster, nader te noemen: [verweerster]

gemachtigde: mr. C.M.J. Moerkens (FNV).

[verzoekster] heeft op 11 maart 2026 een verzoekschrift met producties ingediend, dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

[verweerster] heeft op 28 mei 2026 een verweerschrift met producties ingediend.

Het verzoek is mondeling behandeld op 9 juni 2026. Voor [verzoekster] is verschenen [naam 1] en [naam 2] , vergezeld door de gemachtigde. Ook [verweerster] is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten aan de hand toegelicht, [verzoekster] aan de hand van een pleitnota, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is de zaak aangehouden voor het nemen van aktes. Nadat deze zijn ontvangen is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

De feiten

[verweerster] , geboren op [geboortedag] 1966, is sinds 6 januari 2003 in dienst van [verzoekster] , laatstelijk in de functie van [functie] bij de [locatie] , afdeling [afdeling 1] . Het salaris bedraagt (bij een 28-urige werkweek) € 2.732,41 bruto per maand, exclusief emolumenten.

Sinds begin 2022 heeft haar toenmalige leidinggevende op de afdeling [afdeling 2] , [naam 3] , opgemerkt dat [verweerster] fouten in het werk maakte en ontving zij hierover ook signalen van collega’s. Zij heeft hierover op 9 mei 2022 met [verweerster] gesproken. Op 10 mei 2022 heeft [verweerster] zich ziek gemeld.

[verweerster] is daarna weer aan het werk gegaan. Op 26 januari 2023 is er opnieuw een gesprek geweest met [verweerster] , haar toenmalig gemachtigde, [naam 3] en een adviseur re-integratie & casuïstiek. In dat gesprek is een verbetertraject aangekondigd. Wanneer [verweerster] geen ‘commitment’ zou geven, moest worden gezocht naar een alternatief, bijvoorbeeld ander passend werk.

Op 22 maart 2023 is tijdens een gesprek aan [verweerster] een functie (met salarisbehoud) bij de Centrale Balie aangeboden, welk aanbod door [verweerster] is afgeslagen. Zij heeft in het gesprek gewezen op het feit “dat 2022 voor haar een rotjaar was geweest en waarin zij gedeeltelijk ziek was geweest, waardoor ze misschien niet op haar best was geweest”.

Uiteindelijk is op 1 juni 2023 gestart met een verbetertraject van zes maanden. Er zijn (onder meer) elke twee weken evaluatiegesprekken gehouden, waarvan uitgebreide verslagen zijn gemaakt. Halverwege het traject heeft [naam 3] geconstateerd dat [verweerster] nog veel fouten maakte en onvoldoende verbetering liet zien. Bepaalde (basis)kennis leek te ontbreken of niet te beklijven.

Tijdens een gesprek op 8 november 2023 is [verweerster] meegedeeld dat de kans groot was dat zij het verbetertraject niet positief zou afronden. Het verbetertraject werd voortgezet maar betrokkenen zouden ook nadenken over een andere passende functie voor [verweerster] .

In een vervolggesprek op 22 november 2023 is gesproken over het al of niet voortzetten van het verbetertraject en zijn verschillende scenario’s besproken, waaronder het scenario dat [verweerster] tijdelijk aan het werk zou gaan bij de Pijn poli en ondersteuning zou krijgen bij het zoeken naar een andere passende functie.

Op 23 november 2023 heeft [verweerster] zich ziekgemeld. Op 5 januari 2024 is [verweerster] naar de bedrijfsarts, [naam 4] , gegaan. Hij oordeelde dat het verzuim een relatie met het werk had en adviseerde om in overleg te zoeken naar ander passend werk, waarmee [verweerster] het eens was. [verweerster] is daarop op 2 februari 2024 aangemeld bij het team Loopbaanbegeleiding.

Op 8 juli 2024 is [verweerster] beter gemeld.

[verweerster] heeft vervolgens (onder meer) gesolliciteerd op de functie MMA (medewerker medische administratie) bij de [locatie] , afdeling [afdeling 1] . [verweerster] is aangenomen en is gestart op 1 oktober 2024, onder leiding van [naam 2] . Die was op dat moment niet op de hoogte van het eerdere verbetertraject van [verweerster] .

Op 25 oktober 2024 heeft [naam 2] met [verweerster] een gesprek gevoerd over haar functioneren. Het inwerken ging zeer moeizaam, [verweerster] meldde meerdere keren dat ze dingen niet wist, toonde weinig inzet en het tempo was langzaam. [verweerster] maakte meerdere keren fouten – zoals het doorsturen van patiëntgegevens met een onjuiste patiëntnaam, het sturen van e-mails zonder inhoud of naar verkeerde personen – maar miste ook bepaalde kennis, zoals hoe zij het systeem EPIC moest gebruiken, aldus het verslag.

Op 15 november 2024 is een verbeterplan met [verweerster] besproken. Het verbetertraject zou drie maanden duren. Uiteindelijk heeft [verweerster] het (uitgebreide en gedetailleerde) verbeterplan op 3 december 2024 ondertekend, dat toen ook is gestart.

In evaluatiegesprekken op 10 en 17 december 2025 en 14 januari 2025 is geconcludeerd dat [verweerster] erg haar best doet en een lichte vooruitgang zichtbaar is. Wel werden nog fouten gemaakt en hebben werkbegeleiders en [naam 2] hun zorgen geuit over het feit dat [verweerster] ogenschijnlijk eenvoudige informatie of bekende dingen niet meer wist (bijvoorbeeld wat bedoeld werd met een ECG) en last leek te hebben van black-outs.

In februari en maart 2025 is met [verweerster] besproken dat het functioneren onvoldoende verbeterd was en dat gezocht zou worden naar een andere passende functie.

Op 3 april 2025 heeft [verweerster] zich ziekgemeld. Bedrijfsarts [naam 5] heeft na een consult op 9 april 2025 teruggekoppeld “Mw [verweerster] is uitgevallen na een verdrietige gebeurtenis in haar privé leven. Dit komt boven op een aantal andere zaken waar zij last van heeft (…)”

Bij bezwaarschrift van 10 april 2025 is [verweerster] opgekomen tegen de negatieve beoordeling van haar functioneren en het functioneringstraject. In de procedure zijn nadere vragen gesteld aan bedrijfsarts [naam 5] , omdat [verweerster] stelde dat het disfunctioneren een medische oorzaak had. Op 30 april 2025 heeft de bedrijfsarts geantwoord geen uitspraak te kunnen doen over een eventueel oorzakelijk verband tussen de medische diagnose en het disfunctioneren. Hij schrijft ook: “Ik ben wel van mening dat er sprake is van klachten veroorzaakt door een onbalans in de verhouding belasting/belastbaarheid”. Op de vraag of aangegeven kan worden sinds wanneer sprake is van de huidige medische oorzaak, antwoordt Van [naam 5] dat de huidige arbeidsongeschiktheid begint met de meest recente ziekmelding van 3 april 2025. Hij kan geen oordeel geven over de betermelding van 8 juli 2024 omdat hij [verweerster] toen niet begeleidde.

In mei 2025 is aan [verweerster] de functie van Gastvrouwmedewerker bij [afdeling 3] aangeboden, die [verweerster] heeft afgewezen.

[verweerster] heeft zich op 16 juni 2025 laten onderzoeken door GGZ INGEEST op de zogenaamde Geheugendagscreening. De rapportage van 17 juni 2025 heeft zij niet ingebracht in de bezwarenprocedure maar wel in deze procedure. In het rapport staat onder meer:

“Conclusie

Psychisch

1. Psychosociale stress rondom werkconflict en onveilige situatie op laatste werkplek die mw als traumatisch heeft ervaren, waarbij klachten van stress, slecht slapen en piekeren. Geen aanwijzingen voor actieve stemmings- of angststoornis of psychotische episode, wel kwetsbaarheid hierin.

2. Geen aanwijzingen voor dementieel beeld. Er zijn cognitieve stoornissen in tempo, aandacht en geheugen die kunnen passen bij spanningen van mevrouw en de psychosociale stress.”

(..)Beschrijvende diagnose

Een 59 jarige vrouw, bekend met DMt2 en psychotische, ptss en depressieve episodes in de vg en bekend met traumata, pestverleden en persoonlijkheidsproblematiek. Zij presenteert zich op de dagscreening voor analyse van haar cognitie in verband met een werkconflict, waarbij zij uit haar baan dreigt te worden gezet.”

(..)

Concluderend passen de gevonden stoornissen bij psychosociale stress rondom het werkconflict en onveilige werksituatie die mevrouw als traumatisch heeft ervaren in combinatie met kwetsbaarheid op meerdere vlakken (pestverleden, persoonlijkheid, psychotisch en somatiek met slecht slapen en diabetes).

Er zijn geen aanwijzingen voor een verlaagd IQ, neurodegeneratief beeld, noch voor een actuele psychiatrische/psychotische episode.

(..) Neuropsychologisch onderzoek

Bij NPO is er sprake van de volgende cognitieve stoornissen bij een 59-jarige vrouw met geschat gemiddeld uitgangsniveau.

Het richten van de aandacht en het tempo van werken

Het geheugen (het aanleren, ophalen en herkennen van verbale informatie)

Er zijn geen problemen gevonden in het verdelen van de aandacht, het werkgeheugen, het aanleren van visuele associaties, de visuo-constructieve en waarneming, de executieve functies en de taal.

Er zijn geen aanwijzingen voor een verminderde stemming.

Op basis van de SVT is er geen aanwijzing voor onderpresteren.

De gevonden stoornissen kunnen samenhangen met het psychiatrisch beeld. De angst, onzekerheid en spanning van mevrouw hebben een negatieve invloed op de prestaties.”

Op 6 juli 2025 heeft de bedrijfsarts onder meer het volgende teruggekoppeld: “Ik ben van mening dat er sprake is beperkingen die wellicht al langer duren EN van een werksituatie die voor haar niet optimaal is geweest waardoor zij die als belastend heeft ervaren.”

In het arbeidsdeskundig rapport van 19 september 2025 staat dat [verweerster] haar eigen functie, ook in aangepaste vorm, niet kan uitoefenen.

De raad van bestuur van [verzoekster] heeft op 14 november 2025 het bezwaar van [verweerster] , conform de uitspraak van de bezwarencommissie van 6 november 2025, ongegrond verklaard.

De verzuimbegeleiding en re-integratie van [verweerster] zijn voortgezet. Op 6 mei 2026 heeft de bedrijfsarts het volgende teruggekoppeld: “Mw [verweerster] is uitgevallen door een combinatie van privé -en werkgerelateerde factoren. Er loopt een interventie binnen de reguliere sector. Zij is beperkt belastbaar en er loopt een 2de spoortraject (…) Op dit moment is er maar zeer beperkt herstel waarneembaar. Het is afwachten of en in hoeverre er herstel zal zijn van haar belastbaarheid.”

Na de mondelinge behandeling is aan de opvolgend bedrijfsartsen gevraagd of zij na lezing van het GGZ INGEEST rapport hun eerdere bevindingen nog wilden bijstellen. [naam 5] heeft bij e-mail van 1 juli 2026 geantwoord dat hij dat rapport al kende en dat hem geen medische diagnose bekend is die het disfunctioneren van [verweerster] kan verklaren en dat er geen aanwijzingen zijn dat de betermelding per 8 juli 2024 mogelijk onjuist zou zijn. [naam 4] heeft bij e-mail van 4 augustus 2026 geantwoord dat hij geen aanwijzing heeft dat de betermelding van 8 juli 2024 onjuist zou zijn op basis van spreekuurcontacten van 12 juli 2024 en 20 september 2024. De vraag over een oorzakelijk verband tussen de medische diagnose en het disfunctioneren heeft hij niet beantwoord.

Het geschil

2. [verzoekster] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens disfunctioneren als bedoeld in artikel 7:671b jo. 7:669 lid 3 sub d BW, onder toekenning van de transitievergoeding en met veroordeling van [verweerster] in de kosten van het geding.

3. Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag dat – kort gezegd – [verweerster] ongeschikt is tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden, anders dan ten gevolge van ziekte. [verweerster] is tijdig in kennis gesteld over haar disfunctioneren, haar is tweemaal een reële verbeterkans geboden en de ongeschiktheid is niet het gevolg van onvoldoende zorg vanuit [verzoekster] voor scholing of de arbeidsomstandigheden van [verweerster] . Ondanks langdurige herplaatsingsinspanningen is het niet gelukt [verweerster] te herplaatsen in een andere passende functie binnen of buiten de organisatie.

4. [verweerster] voert hiertegen verweer, dat hierna, voor zover van belang, aan de orde komt.

5. [verweerster] verzoekt daarbij primair haar bij arbeidsgeschiktheid toe te laten tot de eigen – althans passende – werkzaamheden, voor zover zij daartoe in staat is, en het verschaffen van de volledige voor de taakuitoefening benodigde faciliteiten, binnen twee dagen na betekening van de beschikking, een en ander op straffe van een dwangsom. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] om toekenning van een transitievergoeding van € 25.123,85 bruto, met de kosten van een redelijk outplacementtraject van € 5.000,- netto, alsmede € 2.950,09 bruto aan niet-genoten vakantiedagen en [verzoekster] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over deze vergoedingen, onder overlegging van bruto/netto-specificaties, en in de proceskosten. Ten slotte verzoekt [verweerster] om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen conform artikel 7:671b lid 9 sub a BW.

De beoordeling

6. Vooropgesteld wordt dat een arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub c tot en met i BW en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

7. In artikel 7:671 lid 2 BW is bepaald dat de kantonrechter een ontbindingsverzoek slechts kan inwilligen indien geen opzegverbod (zoals bedoeld in artikel 7:670 BW) geldt. In beginsel staat het opzegverbod derhalve aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg.

8. Vaststaat dat sprake is van een opzegverbod, nu [verweerster] vanaf 3 april 2025 (opnieuw) arbeidsongeschikt is. Gezien artikel 7:670 lid 1 sub a BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid tenminste twee jaar heeft geduurd, waarvan bij [verweerster] (nog) geen sprake is.

9. In artikel 7:671b lid 6 sub a BW is bepaald dat het verzoek wel kan worden ingewilligd indien het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft of sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen. Dat laatste is door geen van partijen aangevoerd en dus niet aan de orde.

10. De vraag is daarom of het verzoek van [verzoekster] verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft, zodat de uitzondering op het opzegverbod niet aan de orde is.

11. [verzoekster] heeft daartoe gesteld dat [verweerster] zich pas heeft ziekgemeld nadat aan haar verteld was dat zij disfunctioneerde. Daarna heeft zij, na herstel, een verbetertraject doorlopen dat zij met onvoldoende goed gevolg heeft afgerond. Vervolgens is [verweerster] weer enige tijd arbeidsongeschikt geweest maar zij was hersteld toen zij aan haar nieuwe functie begon, waarin zij opnieuw niet goed functioneerde. De bedrijfsarts heeft verklaard niet te kunnen vaststellen dat de laatste periode van arbeidsongeschiktheid vanaf 3 april 2025 verband houdt met eerdere periodes van arbeidsongeschiktheid. Ook in de GGZ rapportage kan volgens [verzoekster] geen aanwijzing worden gelezen voor een eerdere of voortdurende arbeidsongeschiktheid dan wel een verband met het functioneren van [verweerster] .

12. [verweerster] is van mening dat haar vermeend disfunctioneren wel het gevolg is van ziekte en verwijst daartoe naar het GGZ INGEEST rapport en de daarin genoemde conclusies. [verweerster] vindt dat de hersteld melding op 8 juli 2024 ook niet terecht was omdat zij die dag nog bij de bedrijfsarts is geweest.

13. Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van de stellingen en overgelegde stukken niet voldoende worden vastgesteld dat het disfunctioneren van [verweerster] geen verband houdt met haar arbeidsongeschiktheid. Daartoe zijn de volgende omstandigheden in aanmerking genomen:

 [verweerster] heeft op 22 maart 2023 gewezen op het feit dat zij in 2022 mogelijk disfunctioneerde als gevolg van ziekte en een rotjaar.

 [verweerster] heeft betwist dat zij op 8 juli 24 op goede gronden hersteld is gemeld. [verzoekster] heeft de berichten van de (eerste) bedrijfsarts uit deze periode niet in het geding gebracht. Een aanwijzing voor de juistheid van het standpunt van [verweerster] volgt evenwel uit het feit dat bedrijfsarts [naam 4] in zijn bericht van 4 augustus 2026 stelt dat hij geen aanwijzing heeft dat die betermelding onjuist zou zijn op basis van spreekuurcontacten van 12 juli 2024 en 20 september 2024 en derhalve spreekuurcontacten van (vlak) na de hersteld melding.

 De (tweede) bedrijfsarts heeft verklaard geen uitspraak te kunnen doen over een eventueel oorzakelijk verband tussen de medische diagnose en het disfunctioneren, zodat dat niet is uitgesloten. Hij schrijft bovendien van mening te zijn dat sprake is van klachten veroorzaakt door een onbalans in de verhouding belasting/ belastbaarheid. In zijn e-mail van 1 juli 2026 heeft [naam 5] voorts verklaard dat hem ‘geen medische diagnose bekend is die het disfunctioneren van [verweerster] kan verklaren’. Daarmee is echter nog niet gezegd dat het oorzakelijk verband er niet is. [naam 4] heeft de vraag helemaal niet beantwoord, zodat er ook daarom niet met voldoende zekerheid vanuit kan worden gegaan dat geen verband bestaat tussen het disfunctioneren en de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] .

 In de rapportage van GGZ INGEEST worden diverse klachten van [verweerster] genoemd die in de loop der tijd en ook al voorafgaand aan het constateren van het disfunctioneren hebben gespeeld, zodat een verband tussen beide niet valt uit te sluiten.

 In het rapport valt weliswaar ook een aanwijzing te lezen voor het feit dat de op 16 juni 2025 geconstateerde stoornissen het gevolg zijn van de werkproblemen, maar de conclusie is dat de geconstateerde cognitieve stoornissen kunnen samenhangen met het psychiatrisch beeld van [verweerster] .

 Op 6 juli 2025 heeft de bedrijfsarts teruggekoppeld dat sprake is van wellicht al langer durende beperkingen in combinatie met een belastende werksituatie.

14. Gelet op voorgaande kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat het disfunctioneren van [verweerster] niet het gevolg was van medische beperkingen. De uitzondering op het opzegverbod mag niet lichtvaardig worden aangenomen en in geval van twijfel moet de beschermingsgedachte achter het opzegverbod prevaleren. [verzoekster] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een oorzakelijk verband tussen de medische gesteldheid van [verweerster] en haar functioneren ontbreekt. Onder die omstandigheden moet voorbijgegaan worden aan de uitzondering op het opzegverbod en de ontbinding worden geweigerd.

15. Het verzoek van [verweerster] tot wedertewerkstelling in haar eigen, althans passende werkzaamheden op straffe van verbeurte van een dwangsom, wordt ook afgewezen, nu vaststaat dat zij ongeschikt is tot het verrichten van de eigen werkzaamheden en er geen aanleiding is om aan te nemen dat [verzoekster] niet bereid zou zijn [verweerster] andere passende werkzaamheden te laten verrichten indien haar arbeidsongeschiktheid dat toestaat. Sterker: [verweerster] heeft ter zitting meegedeeld dat zij die werkzaamheden reeds verricht.

16. Bij deze uitkomst van de procedure zal [verzoekster] met de proceskosten van werknemer worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de verzoeken af;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van [verweerster] , tot op heden begroot op € 865,- aan salaris gemachtigde;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Middeldorp, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. L. van Berkum, kantonrechter, op 21 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Middeldorp
  • mr. L. van Berkum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand