RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5868
en
(gemachtigde: mr. H.H.J. ten Hoope).
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de bijstandsuitkering van eiseres op grond van artikel 19, eerste lid, van de Participatiewet (Pw). Volgens verweerder had eiseres een inkomen boven de voor haar geldende bijstandsnorm. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht de bijstandsuitkering per 1 mei 2025 heeft ingetrokken. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 3 september 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de intrekking van de bijstandsuitkering gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hier op gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vergezeld door haar moeder en de gemachtigde van verweerder.
Eiseres heeft na afloop van de zitting het formulier proceskosten ingediend met een onderbouwing van haar reis- en parkeerkosten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Met een besluit van 17 december 2024 is aan eiseres vanaf 2 december 2024 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande.
4. Met het primaire besluit van 25 juli 2025 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 mei 2025 ingetrokken. Eiseres ontvangt een uitkering wegens ziekte. Hiermee heeft zij voldoende inkomsten om de kosten van levensonderhoud zelf te betalen.
5. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres ontving een Ziektewetuitkering die hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Eventuele administratieve of inhoudelijke problemen met het Uwv vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente en geven geen grondslag om de bijstand door te laten lopen.
Beroepsgronden
6. Eiseres bestrijdt dat zij een Ziektewetuitkering ontving. Dan wel dat deze niet of onvolledig is uitbetaald. Zij ontving de Ziektewetuitkering pas in juli 2025. Op de zitting heeft eiseres betoogd dat haar inkomen onder het sociaal minimum lag en dat de bijstandsuitkering om die reden niet beëindigd had mogen worden per 1 mei 2025.
Het oordeel van de rechtbank
7. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor eiseres belastend besluit. Dit betekent dat het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren en om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan.
8. De rechtbank beoordeelt of verweerder de bijstandsuitkering van eiseres terecht heeft ingetrokken, omdat zij in de te beoordelen periode geen recht op algemene bijstand had vanwege een hoger ander inkomen. De te beoordelen periode is in dit geval 1 mei 2025 tot 25 juli 2025, de datum van de intrekking tot aan de datum van het primaire besluit.
9. Bij deze beoordeling heeft de rechtbank de loonstroken van eiseres en haar bankafschriften met betrekking tot de te beoordelen periode betrokken. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat in mei, juni en juli 2025 de volgende bedragen aan Ziektewetuitkering op de bankrekening van eiseres zijn overgemaakt: € 1.085,-, € 2.295,20 en € 1.384,79. In totaal gaat het om een bedrag van € 4.764,99. Dit bedrag ziet op een klein deel van de maand april en op de maanden mei, juni en juli 2025. Omgerekend heeft eiseres in mei, juni en juli 2025 een gemiddeld inkomen gehad van € 1.373,- netto per maand aan Ziektewetuitkering. Dit bedrag ligt (iets) hoger dan de geldende bijstandsnorm voor een alleenstaande per 1 juli 2025, zijnde € 1.369,-. De bijstandsuitkering is dus terecht per 1 mei 2025 ingetrokken.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.