RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-168945-26
Datum uitspraak: 8 september 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2026 door de Tribunale Ordinario di Catanzaro - Sezione GIP/GUP (Ordinary Lawcourt of Catanzaro - Chambers of the investigating judge/judge of preliminary hearing) in Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. R.A. van der Horst, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen onder gelijktijdige schorsing daarvan.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een Remand in custody order issued by the Lawcourt of Catanzaro on 23rd April 2026 – no. 32/2026 R.M.C. met zaaknummer 2931/2024 R.G.N.R. Mod. 21 - 2235/2024 R.G. GIP Lawcourt of Catanzaro.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Italiaans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
Deelneming aan een criminele organisatie;
Moord en doodslag, zware mishandeling.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat zij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Italië. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van haar gezinsleven en haar belangen in Nederland.De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer zij na overlevering in Italië wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Namens het Italiaanse Ministerie van Justitie is op 10 augustus 2026 de volgende garantie gegeven:
Please be informed that the requirement provided for by Article 5, paragraph 3, of the Council Framework Decision no 2002/584/JHA of 13 June 2002, is complied with by Italy, as requested by the Netherland.
Therefore [de opgeëiste persoon] will be sent back to the Netherland, for the execution of the penalty possibly imposed on him by the Italian Judicial Authority.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6. Artikel 9 OLW
7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW
De overlevering wordt onder meer gevraagd voor deelneming aan een criminele organisatie. Deze organisatie zou zich hebben beziggehouden met pogingen tot moord op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 1] betreft een Spaanse strafzaak en [slachtoffer 2] een Nederlandse strafzaak. Vanwege de onmiskenbare overlap in de feiten die in Nederland (en Spanje) worden vervolgd en de in het EAB opgenomen deelname aan een criminele organisatie is sprake van een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats. Daarom dient de overlevering te worden geweigerd voor zover zij ziet op de deelneming aan een criminele organisatie.
Ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, OLW
In maart 2025 heeft een Italiaanse officier van justitie per e-mail contact opgenomen met de raadsman. De opgeëiste persoon zou mogelijk een getuige zijn in de zaak tegen [slachtoffer 3] . De Italiaanse officier van justitie wilde de opgeëiste persoon onder andere als getuige horen over de reis naar Crotone die de opgeëiste persoon zou hebben gemaakt. De Italiaanse officier heeft gedurende de mailwisseling expliciet vermeld dat de opgeëiste persoon geen verdachte was in die zaak, maar een getuige. Daarmee is bij de opgeëiste persoon het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat door een bevoegde autoriteit is besloten dat zij in deze kwestie niet zal worden vervolgd.
In het EAB noch de overige stukken zijn aanwijzingen te vinden dat de rechter die het
aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, op de hoogte was van deze toezegging. Daarom wordt primair verzocht om de overlevering niet toe te staan. Subsidiair wordt verzocht om aanvullende informatie te vragen aan de Italiaanse autoriteiten over de herhaalde mededeling dat de opgeëiste persoon geen verdachte is en of deze mededeling aan strafvervolging in de weg staat.
Standpunt van het openbaar ministerie
Ten aanzien van de mailwisseling heeft de officier van justitie aangevoerd dat een beslissing over de eventuele gevolgen daarvan thuis hoort in de Italiaanse procedure. Ten aanzien van een mogelijke dubbele vervolging heeft de officier van justitie aangevoerd dat Italië heeft bevestigd dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd voor de Nederlandse en Spaanse zaken en dat de informatie daarover in het EAB slechts als onderbouwing voor de deelname aan de criminele organisatie is opgenomen. De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd omdat de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, OLW zich niet voordoen.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is.
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, OLW bepaalt dat overlevering van de opgeëiste persoon kan worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan hij naar het recht van een andere lidstaat niet meer kan worden vervolgd, ten gevolge van een in die lidstaat ter zake van hetzelfde feit genomen onherroepelijke beslissing.
De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van ‘dezelfde feiten’ als bedoeld in artikel 3 en 4 Kaderbesluit 2002/584/JBZ (en in artikel 9 OLW) moet worden beantwoord aan de hand van het autonome, Unierechtelijke begrip zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit begrip heeft alleen betrekking op de feiten zelf en omvat een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang. De gelijkheid van de materiële feiten wordt opgevat als een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats. Het is aan de nationale rechter (in casu: de rechtbank) om te na te gaan of er sprake is van vervolging voor dezelfde feiten.
Ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW
De rechtbank is van oordeel dat het verweer dat het derde feit dat aan het EAB ten grondslag ligt, namelijk deelneming aan een criminele organisatie, overlap vertoont met de tegen opgeëiste persoon gevoerde strafzaken in respectievelijk Spanje en Nederland, niet slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn en die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats.
Uit de omschrijving van het feit in het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht van lidmaatschap van een criminele organisatie die is gericht op het plegen van terroristische moorden en aanslagen tegen politieke tegenstanders van [het regime] . Als startdatum van de pleegperiode wordt genoemd 2022 tot, naar de rechtbank begrijpt, het moment waarop de opgeëiste persoon op grond van het EAB is aangehouden in 2026.
De opgeëiste persoon wordt zowel in Spanje als in Nederland verdacht van een poging tot het medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan moord, maar niet is gebleken dat de verdenking in Italië overlap vertoont met deze feiten. De beide pogingen tot moord enerzijds en de deelneming aan een criminele organisatie anderzijds staan niet in zodanig verband met elkaar dat moet worden gesproken van één feitencomplex. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een aanzienlijk verschil tussen de in het EAB omschreven gedragingen van de opgeëiste persoon en de verdenking in Spanje en Nederland. De pogingen tot moord in Spanje en Nederland zijn in het EAB enkel vermeld als voorbeeld van feiten die de criminele organisatie worden toegerekend.
Dit wordt bevestigd door informatie van de Italiaanse justitiële autoriteiten, waarin wordt meegedeeld dat zij de feiten die in Nederland en in Spanje zijn gepleegd uitsluitend hebben aangehaald om de strafbaarstelling van het misdrijf “gewapende bende” te onderbouwen. Desgevraagd hebben zij expliciet meegedeeld dat de opgeëiste persoon voor de pogingen tot moord in Spanje en Nederland in Italië niet kan worden vervolgd omdat deze feiten niet (deels) in Italië hebben plaatsgevonden.
Ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, OLW
De rechtbank volgt het verweer van de raadsman niet. Voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat sprake is van hetzelfde feit (uit de door de raadsman overgelegde mailwisseling blijkt namelijk dat het verzoek van de Italiaanse officier van justitie zag op een strafrechtelijk onderzoek tegen [slachtoffer 3] , terwijl deze persoon en zijn echtgenote in het onderhavige EAB als slachtoffers van een moordpoging worden genoemd), slaagt het verweer al niet omdat artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, OLW ziet op elke onherroepelijke beslissing (niet zijnde een vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging en evenmin een veroordeling) die tot gevolg heeft dat een opgeëiste persoon niet meer mag worden vervolgd. Hierbij kan worden gedacht aan transacties of bepaalde gevallen van niet-ontvankelijk verklaringen. De omstandigheid dat de Italiaanse officier van justitie de opgeëiste persoon in maart 2025 als getuige wilde horen in een strafzaak en heeft meegedeeld dat de opgeëiste persoon in die strafzaak niet als verdachte werd aangemerkt, kan niet als een dergelijke onherroepelijke beslissing worden aangemerkt.
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren ten aanzien van het derde feit waarop het EAB ziet omdat de opgeëiste persoon in Nederland verblijft en hier woont, ze in Nederland wordt vervolgd, alsmede bewijs waarop de verdenking is gebaseerd in Nederland voorhanden is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt;
- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:
De rechtbank stelt vast dat gelet op de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheden het gegeven dat het feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. Wat de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.
8. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Standpunt van de verdediging
Door de raadsman is bepleit, zakelijk weergegeven, dat aan het EAB geen gevolg moet worden gegeven omdat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat haar door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden. Meer in het bijzonder is er sprake van een reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van onmenselijke of vernederende behandeling vanwege de
detentieomstandigheden in Italië. In de zaak van de opgeëiste persoon is er zonder enige twijfel sprake van nauwkeurige recente informatie die erop wijst dat de detentieomstandigheden in de Italiaanse gevangenissen strijdig zijn met artikel 4 Handvest.
In 2025 heeft de rechtbank een uitspraak gedaan over de detentieomstandigheden in Italië (ECLI:NL:RBAMS:2025:3475), inhoudende dat geen sprake is van een reëel gevaar dat gedetineerden in Italië aan een onmenselijke of vernederende behandeling worden blootgesteld in detentie instellingen. Deze uitspraak is op dit moment echter niet langer houdbaar.
Uit het XXII Rapporto sulle condizioni di detenzione - Tutti chiuso’ (pagina 17 tot en met 25) van Antigone van 2026 volgt dat de cijfers van de bezettingsgraad van gevangenissen in Italië een ronduit alarmerend beeld geven. De situatie sinds vorig jaar is op vrijwel alle fronten aanzienlijk verslechterd. Het aantal plaatsen dat daadwerkelijk voor het systeem beschikbaar was, bedroeg eind april slechts 46.318. Daarmee kwam de feitelijke overbezettingsgraad uit op 139,1 %. Inmiddels zijn er 73 gevangenissen waar de overbezettingsgraad 150% of hoger ligt. In acht instellingen ligt deze zelfs boven de 200%. Er zijn inmiddels nog maar 22 gevangenissen in heel Italië die het niveau van volledige bezetting nog niet hebben bereikt.
Dit alles betekent onmenselijke materiële leefomstandigheden en chronische tekorten aan vrijwel iedere vorm van middelen en dienstverlening. Het waarborgen van fundamentele rechten en het respecteren van de wet worden daardoor een utopie.
De situatie in bestaande gevangenissen wordt door Antigone als ernstig beschreven. Tijdens 102 bezoeken in 2025 constateerde Antigone onder meer dat in 46,5% van de bezochte instellingen niet iedereen over minimaal 3 m² persoonlijke ruimte beschikte.
Verder heeft in 2025 opnieuw een bezoek van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) aan Italië plaatsgevonden. De aanleiding voor dat bezoek was volgens de website van het CPT om de behandeling van gedetineerden en de detentieomstandigheden in een aantal gevangenissen te onderzoeken omdat het Italiaanse gevangeniswezen met serieuze uitdagingen te maken heeft, onder meer overbevolking, het hoge aantal doden onder gedetineerden en de kwaliteit van de medische ondersteuning voor gedetineerden.
De conclusie van the Committee against Torture (hierna: CAT) van 11 juni 2026 luidt:
the Committee expresses its serious concern regarding overcapacity in prisons, which has reached levels as high as l38%, with thousands of prisoners accommodated in spaces of less than 4m² per person.
Uit een onderzoek van Antigone (gepubliceerd in L’indepente van 2 juni 2026) volgt dat over 2025 6539 klachten die zagen op schending van het recht op minimaal 3 m² verblijfsruimte van gedetineerden gegrond zijn verklaard in Italië.
Gelet op de jurisprudentie van onder andere deze rechtbank is 3m² vloeroppervlak per gedetineerde, exclusief sanitair, het minimum dat beschikbaar moet zijn en zelfs als er meer ruimte beschikbaar is (tussen de 3m² en 4m² of meer) worden door het EHRM nog schendingen aangenomen.
Wat betreft de opgeëiste persoon zijn ook de volgende bevindingen uit het rapport van Antigone relevant, die specifiek betrekking hebben op vrouwelijke gedetineerden in Italiaanse detentie. Er zijn nog maar drie volledig vrouwelijke instellingen over op het nationale grondgebied, in Rome, Venetië en Trani. De vrouwelijke gedetineerden die daar niet terecht kunnen, worden ondergebracht in afdelingen voor vrouwen die zijn ondergebracht in gevangenissen met overwegend mannen. Deze afdelingen zijn van verschillende grootte en vrouwen krijgen vaak minder activiteiten en aandacht dan het grotere deel mannelijke gedetineerden in die detentie-instellingen.
Kortom, (zeer) recent is opnieuw vastgesteld dat duizenden gedetineerden verblijven in omstandigheden die niet verenigbaar zijn met de minimale eisen die worden gesteld in de jurisprudentie, zoals in de zaak Muršićc. In het geval van vrouwelijke gedetineerden is aannemelijk dat eventuele ‘compenserende omstandigheden’ die minder verblijfsruimte aanvaardbaar zouden moeten maken, niet of in mindere mate aanwezig zijn.
Van belang is verder wellicht dat in het EAB meermalen wordt gesproken over terroristische misdrijven. Onvoldoende duidelijk is welke consequenties dat heeft voor het detentieregime.
Daarom moet overlevering van de opgeëiste persoon achterwege blijven. Subsidiair wordt verzocht om aanvullende informatie en een detentiegarantie aan de Italiaanse autoriteiten te vragen.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd. Het door de
raadsman overgelegde rapport van Antigone vormt onvoldoende aanleiding om terug te komen op de door hem genoemde eerdere uitspraak van de rechtbank. Wat betreft het rapport van het CAT dient te worden opgemerkt dat dit comité, in tegenstelling tot het CPT, de landen niet zelf fysiek bezoekt. Het CAT stelt haar rapporten aan de hand van schriftelijke landrapportages op. Daarnaast ziet dat rapport niet op de daadwerkelijke detentieomstandigheden. Desondanks bestaan zorgen over de Italiaanse detentiecentra vanwege overbevolking. Blijkens de rapporten worden gevangenen ondergebracht in ruimtes met minder dan 3 m², maar gelet op het oordeel uit 2025 van de rechtbank was zij reeds bekend met deze overbevolking. Uit het nieuwe rapport blijkt niet dat overbevolking enorm is toegenomen en evenmin dat er structureel minder dan 3 m² voor gedetineerden beschikbaar is. Na de uitspraak van de rechtbank van 27 mei 2025 hebben verder veelvuldig overleveringen aan Italië plaatsgevonden. Al met al is geen sprake van objectieve gegevens op basis waarvan kan worden geoordeeld dat de gedetineerden in Italië in het algemeen het gevaar lopen om onmenselijk of vernederend te worden behandeld. Daarom is er geen aanleiding om nadere vragen te stellen.
Oordeel van de rechtbank
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Italië zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld wegens de detentieomstandigheden aldaar. Gelet op het arrest Aranyosi en Căldăraru moet de rechtbank aan de hand van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in Italië en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen, beoordelen of van een dergelijk gevaar sprake is.
Bij uitspraak van 27 mei 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het tot dan toe aangenomen algemene gevaar dat gedetineerden in (tien) penitentiaire inrichtingen in Italië aan een onmenselijke en vernederende behandeling werden blootgesteld was weggenomen. De rechtbank had zich bij de vaststelling van dit gevaar gebaseerd op rapporten van Antigone. Nadien bleek echter dat deze organisatie bij de berekening van het aantal vierkante meters personal space (exclusief sanitair) waarover gedetineerden beschikten, andere berekeningen aanhield (namelijk ook exclusief meubilair) dan de gebruikelijke, ook door de rechtbank gehanteerde en uit de arresten Muršić en Dorobantu voortvloeiende, methode om de personal space in een meerpersonencel te berekenen waarover een gedetineerde kan beschikken, namelijk drie m² personal space exclusief sanitaire voorzieningen maar inclusief meubilair. Een en ander betekende, aldus de rechtbank, dat volgens Antigone een gedetineerde over meer personal space moest beschikken dan uit het Unierecht voortvloeide en dat daarom het eerder aangenomen reële gevaar, achteraf bezien, ten onrechte was gebaseerd op een dergelijke eis.
De raadsman heeft zijn standpunt dat hernieuwd een algemeen gevaar moet worden aangenomen wegens de overbevolking in Italiaanse gevangenissen op een rapport van Antigone uit 2026 en het bezoek van het CPT aan Italië in 2025 gebaseerd, alsmede op een rapport van het CAT.
Uit hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en de door hem overgelegde vertaling van relevante passages van het rapport van Antigone, blijkt echter niet dat de wijze waarop Antigone de personal space berekent waarover gedetineerden in Italië beschikken, thans anders is dan ten tijde van de uitspraak van de rechtbank in mei 2025. De raadsman heeft dit ook niet gesteld. Dat betekent dat de rechtbank op grond van het rapport van Antigone waarnaar wordt verwezen, niet kan vaststellen dat gedetineerden in Italië het risico lopen om over minder dan 3 m² personal space (exclusief sanitair) ter beschikking te hebben.
Voor wat betreft de verwijzing naar het bezoek van het CPT in 2025 aan Italië overweegt de rechtbank dat van dit bezoek - voor zover de rechtbank thans bekend - nog geen rapport en reactie van de Italiaanse autoriteiten voorhanden zijn. De enkele omstandigheid dat er een bezoek aan Italië is gebracht door het CPT kan niet als objectief gegeven over de detentieomstandigheden die heersen in Italië worden aangemerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het om een periodic visit lijkt te gaan (“Visits may be part of the planned periodic cycle (one visit roughly every four years to each country), or unannounced (“ad hoc”) if the CPT considers it necessary to monitor a particularly serious situation.”) en er derhalve niet van uit kan worden gegaan dat het CPT in verband met verslechterende omstandigheden een bezoek aan Italië heeft gepland.
Ten slotte bevat het rapport van het CAT naar het oordeel van de rechtbank weinig concrete informatie en wordt daarin niet gesproken over gedetineerden die over minder dan 3 m² personal space (exclusief sanitair) beschikken.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat, hoewel de rapporten zorgwekkende signalen bevatten, thans niet op grond van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in Italië een algemeen gevaar kan worden aangenomen dat gedetineerden in Italië wegens overbevolking een reëel risico lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.
Voor zover de raadsman meer in het bijzonder heeft willen betogen dat vrouwen die in Italië gedetineerd zijn, alsmede gedetineerden die van strafbare feiten met een terroristische grondslag worden verdacht, in het algemeen het risico lopen om te worden onderworpen aan een vernederende en onmenselijke behandeling in Italiaanse penitentiaire inrichtingen, is de rechtbank van oordeel dat hij dit niet aan de hand van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft onderbouwd.
Nu de rechtbank geen algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Italiaanse penitentiaire inrichtingen kan vaststellen, wordt het verweer verworpen. De rechtbank ziet in het licht van het voorgaande ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen.
Artikel 11 OLW staat niet aan overlevering in de weg.
9. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
10. Schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak van de rechtbank
Verzoek van de verdediging
Door de raadsman is verzocht om de overleveringsdetentie te schorsen na de uitspraak van de rechtbank als de overlevering van de opgeëiste persoon wordt toegestaan. Er is geen sprake van vluchtgevaar omdat de opgeëiste persoon nog bij haar ouders woont, zij fulltime werkt en zij op de hoogte is van de tegen haar lopende strafrechtelijke procedures in Spanje en Nederland, alsmede het onderzoek in Italië. De opgeëiste persoon is sinds ongeveer oktober 2025 op vrije voeten, zij weet van de tegen haar bestaande verdenkingen en de risico’s van eventuele veroordelingen. Desalniettemin heeft zij zich nauwgezet aan haar schorsingsvoorwaarden in de Nederlandse strafzaak en de overleveringszaak gehouden. Naast het ontbreken van een reëel vluchtgevaar, is er geen enkel zicht op een daadwerkelijke overlevering aan Italië, als gevolg van de Nederlandse en de Spaanse strafzaken. Ook daarom moeten de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon om in vrijheid haar procedures te kunnen afwachten prevaleren.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich tegen schorsing van de overleveringsdetentie verzet en daartoe onder meer aangevoerd dat de Nederlandse strafzaak een beletsel voor de feitelijke overlevering vormt omdat de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg nog niet heeft plaatsgevonden. De mogelijkheden van een voorwaardelijke terbeschikkingstelling worden onderzocht en daarvoor moet de opgeëiste persoon beschikbaar zijn.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek om schorsing af. De rechtbank ziet geen reden om de gevangenhouding na de uitspraak te schorsen. Artikel 64, eerste lid, OLW biedt hier in beginsel geen mogelijkheid toe, tenzij er - vanwege bijzondere omstandigheden - sprake is van strijd met artikel 6 van het Handvest. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen sprake. Daarbij komt dat het toestaan van de overlevering in zijn algemeenheid het vluchtgevaar vergroot. Vanaf dat moment staat namelijk vast dat de opgeëiste persoon ter uitvoering van het EAB feitelijk zal worden overgeleverd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Dit rechtvaardigt in beginsel het voortduren van de overleveringsdetentie. Het verzoek van de raadsman wordt daarom afgewezen.
11. Feitelijke overlevering
Ten slotte heeft de raadsman verzocht om, als de overlevering wordt toegestaan, de beslissing omtrent de feitelijke overlevering aan te houden vanwege de in Nederland lopende strafvervolging tegen de opgeëiste persoon. Zoals het er nu naar uitziet moet zij in november en december 2026 meerdere keren voor de Nederlandse rechter verschijnen in die strafzaak. Gelet op de voorwaarden waaronder de voorlopige hechtenis is geschorst, rust op de opgeëiste persoon ook de verplichting om bij de behandeling van de strafzaak aanwezig te zijn. Feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon, ook een voorlopige terbeschikkingstelling, doet afbreuk aan haar verdedigingsrechten.
De rechtbank overweegt dat dit verzoek op dit moment (nog) niet ter beoordeling van de rechtbank staat. De raadsman kan een dergelijk verzoek na de uitspraak doen waarna het verzoek in raadkamer zal worden behandeld.
12. Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen
Naast dit EAB is sprake geweest van een Spaans vervolgings-EAB met het parketnummer 13/141686-24. In haar uitspraak van 10 juli 2024 heeft de rechtbank de overlevering aan Spanje voor dat Spaanse EAB toegestaan. De rechtbank stelt vast dat tot op heden geen sprake is geweest van feitelijke overlevering aan Spanje op grond van het Spaanse EAB waarvoor de overlevering is toegestaan (behoudens een voorlopige terbeschikkingstelling) omdat de Nederlandse strafzaak tegen de opgeëiste persoon vooralsnog een beletsel voor de feitelijke overlevering vormt.
Met de officier van justitie is de rechtbank, gelet op artikel 26, derde lid, OLW, van oordeel dat voorrang moet worden gegeven aan het Spaanse EAB en dat overlevering aan Spanje als eerste moet plaatsvinden. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met het belang van een goede rechtsbedeling en de ernst van het feit uit het Spaanse EAB, namelijk een poging tot moord op een [politicus] . Verder is het Spaanse EAB eerder uitgevaardigd dan het onderhavige EAB.
13. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6, 7, 26 en 28 OLW.
14. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Tribunale Ordinario di Catanzaro - Sezione GIP/GUP (Ordinary Lawcourt of Catanzaro - Chambers of the investigating judge/judge of preliminary hearing) in Italië voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEPAALT dat VOORRANG dient te worden gegeven aan het EAB met parketnummer 13/141686-24 dat is uitgevaardigd door the Central Court of Investigation No. 5 in Madrid (Spanje), boven het onderhavige EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mr. L. Baroud en mr J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Wisgerhof, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.