ECLI:NL:RBAMS:2026:9048

ECLI:NL:RBAMS:2026:9048

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 13/147558-26 (zaak A) en 13/330971-25 (zaak B)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Veroordeling voor poging tot doodslag en voorhanden hebben vuurwapen en munitie op 24 april 2026 (zaak A). Verdachte is de persoon die op de camerabeelden te zien is, met een vuurwapen in zijn hand. In ieder geval twee schoten gelost in de richting van het slachtoffer. Voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Veroordeling voor mishandeling ex-partner en haar broer en bedreiging van ex-vriendin, haar broer en haar vader (zaak B). Vrijspraak van mishandeling van vader ex-vriendin wegens geslaagd beroep op noodweer. Gevangenisstraf 48 maanden met aftrek van voorarrest. Vordering benadeelde partij (ex-vriendin) tot materiële schadevergoeding afgewezen, vordering tot vergoeding van immateriële schade toegewezen tot € 1000,-, voor het overige niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/147558-26 (zaak A) en 13/330971-25 (zaak B)

Datum uitspraak: 8 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de [naam PI]

.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 augustus 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht. Namens benadeelde partij [benadeelde partij] is mr. T. Nevels ter terechtzitting aanwezig.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is in zaak A – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 24 april 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

Feit 1

poging tot doodslag op [slachtoffer 1] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling;

Feit 2

het voorhanden hebben van (een) vuurwapen(s) en/of munitie.

Aan verdachte is in zaak B – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 4 december 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

Feit 1

mishandeling van [slachtoffer 2] ;

Feit 2 mishandeling van [benadeelde partij] ;

Feit 3 mishandeling van [slachtoffer 3] ;

Feit 4

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van

[slachtoffer 2] , [benadeelde partij] en/of [slachtoffer 3] .

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig en de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard ten aanzien van het in zaak B onder 3 ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat het slachtoffer slechts aangifte heeft gedaan van bedreiging en niet heeft verklaard dat hij door verdachte is mishandeld. Uit het dossier volgt verder dat het slachtoffer verdachte, nadat hij geboeid was, met een gebalde vuist in het gezicht sloeg en verdachte op dat moment niet door de politie beschermd werd, terwijl uit camerabeelden ook nog eens blijkt dat het slachtoffer verdachte als eerste heeft geslagen. Op grond van deze omstandigheden is het onbegrijpelijk dat verdachte wel voor het gestelde geweld tegen het slachtoffer vervolgd wordt, maar het slachtoffer niet voor het geweld tegen verdachte.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. De officier van justitie heeft in redelijkheid kunnen beslissen tot vervolging van verdachte.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is het opportuniteitsbeginsel vastgelegd. Dit beginsel houdt in dat aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of er naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan, leent zich in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing.

Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, om de reden dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien een rechter op deze grond tot het oordeel komt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het Openbaar Ministerie om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van dusdanig uitzonderlijke omstandigheden dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging van verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn en dus het instellen van vervolging tegen verdachte onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Het verweer wordt verworpen en de rechtbank verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir – op het standpunt gesteld dat de in zaak A onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, en de in zaak B onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Hij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn schriftelijke pleitaantekeningen – integrale vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is, die op 24 april 2026 op het slachtoffer heeft geschoten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op de camerabeelden en stills onvoldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken te zien zijn om tot een betrouwbare herkenning van verdachte te komen. Voor het geval de rechtbank dit verweer verwerpt, heeft de raadsman aangevoerd dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de persoon op de beelden een vuurwapen vastheeft. Voor het geval de rechtbank ook aan dit verweer voorbijgaat, heeft de raadsman aangevoerd dat de enkele vaststelling dat de persoon op de beelden een vuurwapen in zijn hand heeft, niet leidt tot de vervolgconclusie dat hij heeft geschoten, meer in het bijzonder dat hij op het slachtoffer heeft geschoten. De raadsman heeft erop gewezen dat uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna telkens: NFI) volgt dat de vier aangetroffen hulzen zijn verschoten met twee verschillende vuurwapens. Nu het schieten niet op camera is vastgelegd kan niet worden vastgesteld dat verdachte degene is die op het slachtoffer heeft geschoten. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat een ander op het slachtoffer heeft geschoten en hem heeft geraakt.

Indien de rechtbank toch tot de conclusie komt dat verdachte op het slachtoffer heeft geschoten, heeft de raadsman subsidiair verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de schutter ten tijde van het schieten in beweging was, het slachtoffer niet in beweging was toen hij in zijn onderbeen is geschoten en er geen bewijs is dat niet gericht op de onderbenen is geschoten. Er is derhalve geen bewijs van het bestaan van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer het leven zou laten.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen hulzen verschoten zijn met het wapen waarvan de politie meent dat de persoon op de beelden het in zijn hand heeft, zodat ook niet kan worden vastgesteld dat het een wapen in de zin van categorie I of II is geweest.

Ten aanzien van de in zaak B onder 1 ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de ex-vriendin van verdachte heeft verklaard dat haar broertjes verdachte aanvielen en hem sloegen. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het zelfverdediging was, verbalisanten hebben verwondingen aan zijn gezicht gezien en verdachte heeft zelf ook verklaard dat zijn lichaam vol blauwe plekken zat.

Ten aanzien van de in zaak B onder 2 ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ontkent zijn ex-vriendin te hebben mishandeld en de verklaring van haar vader onvoldoende betrouwbaar en te weinig specifiek is om als steunbewijs te kunnen dienen.

Ten aanzien van de in zaak B onder 3 ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Uit de camerabeelden blijkt dat de vader van de ex-vriendin verdachte als eerste slaat en verdachte zich proportioneel verdedigt.

Ten aanzien van de in zaak B onder 4 ten laste gelegde bedreiging heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu de ten laste gelegde bewoordingen niet door twee bewijsmiddelen worden gedekt.

Het oordeel van de rechtbank in zaak A

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 24 april 2026 omstreeks 15:00 uur ontvangt de politie een melding van een schietpartij aan de Admiraal de Ruijterweg in Amsterdam. Verbalisanten gaan ter plaatse. Ter hoogte van nummer [nummer] wordt op straat een bloedspoor waargenomen. In een Mercedes-bus wordt een inslag aangetroffen die vermoedelijk door een kogel is veroorzaakt. Op straat worden meerdere hulzen aangetroffen.

Op camerabeelden van een nabijgelegen bedrijf is te zien dat een man in zijn been wordt geraakt. Vervolgens is te zien dat omstanders het slachtoffer in een auto met kenteken [kenteken] tillen, waarna de auto wegrijdt.

Bij aankomst in het OLVG-ziekenhuis, locatie West, zien verbalisanten deze auto aan komen rijden. Op de achterbank ligt een man. Er wordt veel bloed gezien op zijn benen en op de achterbank bevindt zich eveneens een aanzienlijke hoeveelheid bloed. De man blijkt [slachtoffer 1] (hierna telkens: [slachtoffer 1] ) te zijn. [slachtoffer 1] verklaart dat hij kort daarvoor in zijn linkerbeen is geschoten door een jongen. Verbalisanten constateren een schotwond aan het linkeronderbeen. In het ziekenhuis verklaart [slachtoffer 1] dat een jongen met een vuurwapen in zijn been heeft geschoten. Hij verklaart dat hij is weggerend nadat hij het eerste schot had gehoord, maar vervolgens door het tweede schot in zijn been is geraakt. Hij geeft aan geen aangifte te willen doen en niet aan het onderzoek te zullen meewerken.

Op de camerabeelden is te zien dat om 14:53:40 uur een man in beeld verschijnt. Deze man is door acht verbalisanten herkend als zijnde verdachte. De man loopt naast een andere man en zij lijken met elkaar in gesprek te zijn. 32 seconden later verdwijnt de man uit beeld. Om 15:00:32 uur verschijnt [slachtoffer 1] in beeld. Hij heeft een motorhelm in zijn hand. [slachtoffer 1] stopt aan de linkerkant van het beeld. Hij spreidt zijn armen en beweegt zijn mond, hetgeen erop duidt dat hij kennelijk in gesprek is met een persoon die zich buiten het bereik van het beeld bevindt. Vervolgens maakt [slachtoffer 1] aanstalten om terug te lopen in de richting waaruit hij is gekomen. Tijdens het teruglopen kijkt hij achterom en maakt hij wuivende handgebaren. Om 15:00:57 loopt [slachtoffer 1] opnieuw terug naar de plek aan de linkerkant van het beeld. Om 15:01:00 uur is op de beelden te zien dat [slachtoffer 1] ergens van wil wegrennen. Nadat deze beweging is ingezet, maakt zijn linkerbeen een afwijkende beweging. Dit wordt in het dossier aangemerkt als het moment waarop [slachtoffer 1] door een kogel wordt geraakt.

De persoon die op dat moment het schot zou hebben gelost, is op de camerabeelden niet zichtbaar. Om 15:01:02 is te zien dat [slachtoffer 1] probeert weg te rennen. Op datzelfde moment ontstaat een rond gat in de motorkap van de Mercedes-bus. Om 15:01:05 uur, vijf seconden nadat [slachtoffer 1] is geraakt, verschijnt aan de linkerkant van het beeld een man. De politie relateert dat deze man een voorwerp in zijn hand heeft dat sterk gelijkend is op een handvuurwapen.

Bewijsoverwegingen

Is verdachte de man op de camerabeelden?

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is de vraag of verdachte de man is die om 14:53:40 op de camerabeelden verschijnt. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De rechtbank heeft de volgende elementen in haar beoordeling betrokken. In de eerste plaats heeft zij beoordeeld aan de hand van het bekijken van de bewegende beelden en de stills daarvan in het dossier, of de beelden voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te baseren, en ook of er voldoende gezichtskenmerken te zien zijn om een herkenning mogelijk te maken. Daarmee nauw in verband staat een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve, dan wanneer deze van een foto of van andere beelden afkomstig is. Tevens zijn de aard, de frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht. Ten slotte heeft de rechtbank nog gekeken of er feiten en omstandigheden zijn die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken. In het geval dat er andere bewijsmiddelen dan herkenningen in het dossier aanwezig zijn die de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde kunnen ondersteunen, zijn deze in de beoordeling betrokken.

Met inachtneming van het voorgaande stelt de rechtbank op grond van de camerabeelden en de acht processen-verbaal van herkenning vast dat verdachte de man is die om 14:53:40 in beeld verschijnt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de camerabeelden voldoende duidelijk en helder om daarop een gezichtsherkenning te kunnen baseren. De herkenningen zijn verricht door verbalisanten die verdachte ambtshalve kennen en hem ook in persoon hebben ontmoet. Op basis van de still van het beeldmoment om 14:53:40 uur stelt de rechtbank vast dat verdachte een donkergroene jas met capuchon draagt en een tasje om heeft.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte ook de man is die om 15:01:05 uur, vijf seconden nadat [slachtoffer 1] in zijn been wordt geraakt, links in beeld verschijnt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Zij overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de man die om 15:01:05 uur links in beeld verschijnt dezelfde donkergroene jas met capuchon draagt als de man van wie de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat dit verdachte is. Ook draagt deze man een zelfde tasje. De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte slechts kort daarvoor, om 14:53:40 uur, op de camerabeelden door meerdere verbalisanten onafhankelijk van elkaar is herkend. De tijdspanne tussen beide beeldmomenten bedraagt slechts enkele minuten. Gelet op dit korte tijdsverloop en de overeenkomsten in de gedragen kleding en het tasje, in onderlinge samenhang bezien met de hiervoor vastgestelde herkenningen van verdachte, stelt de rechtbank vast dat verdachte ook de man is die om 15:01:15 uur links in beeld verschijnt. In het vervolg zal de man dan ook als ‘verdachte’ worden aangeduid.

Heeft verdachte een vuurwapen in zijn hand?

De verbalisant die de camerabeelden heeft bekeken, heeft gerelateerd dat hij daarop ziet dat verdachte een voorwerp in zijn hand houdt dat sterke gelijkenis vertoont met een handvuurwapen. De rechtbank heeft de bewegende camerabeelden en de daarvan gemaakte stills, zoals opgenomen in het dossier, eveneens bekeken en komt op grond daarvan tot dezelfde conclusie. De rechtbank heeft daarbij mede acht geslagen op het tijdsverloop: drie seconden nadat het laatste schot is gelost, is verdachte in beeld te zien met een voorwerp in zijn rechterhand.

Hoe vaak en vanuit welke richting is geschoten?

Uit forensisch onderzoek op de plaats delict blijkt het volgende. Op het trottoir, tussen perceelnummer [nummer] en de Mercedes-bus, zijn vier hulzen aangetroffen. Deze hulzen lagen verspreid over het trottoir. Daarnaast zijn ter hoogte van de Mercedes-bus op het trottoir verschillende munitiedelen aangetroffen. In de motorkap van de Mercedes-bus is een schotbeschadiging vastgesteld. Het betreft een doorschot, want in het verlengde van deze schotbeschadiging zijn, na opening van de motorkap, nog twee beschadigingen aangetroffen. Onder de motorruimte van de Mercedes-bus, op de rijbaan, is een gedeformeerde kogel aangetroffen. Ook in de kleding van [slachtoffer 1] is een kogel aangetroffen.

Op grond van de aangetroffen hulzen, munitiedelen en schotbeschadigingen kan worden vastgesteld dat ter plaatse vier schoten met een vuurwapen zijn gelost. Uit de verspreide ligging van de hulzen kan worden afgeleid dat de hulzen niet op een en dezelfde plaats terecht zijn gekomen. Dit vormt een aanwijzing dat de schutter tijdens het lossen van de schoten in beweging was. De ligging van de hulzen en de schotbeschadiging in de Mercedes-bus vormen voorts aanwijzingen dat vanuit de richting van perceelnummer [nummer] in de richting van de geparkeerde Mercedes bus is geschoten.

Het daadwerkelijke schieten is niet op de camerabeelden vastgelegd. De camerabeelden kunnen het lossen van de schoten derhalve niet rechtstreeks bevestigen.

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij, nadat hij knallen had gehoord, uit het raam is gaan kijken. Hij zag twee jongens staan, van wie één volgens hem “100%” een vuurwapen in zijn hand had. Hij kan zich niet meer herinneren of de andere jongen eveneens een vuurwapen bij zich had.

Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat hij bij de fietsen ter hoogte van nummer [nummer] twee jongens zag staan. Vervolgens gingen deze twee jongens voor de trappen van het pand op nummer [nummer] staan. Kort daarna zag hij een man met een open scooterhelm (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) naar de jongens toe lopen. Volgens getuige [naam getuige 2] reageerde een van de jongens fel en agressief op de man die hen tegemoet liep. Hij heeft verklaard dat vervolgens alles heel snel ging en dat hij zag dat een van de jongens een pistool pakte en daarmee meerdere malen in de richting van de man met de scooterhelm in de hand schoot. Volgens getuige [naam getuige 2] werden de schoten afgevuurd in de richting van de Willem Leevendstraat. Hij zag dat het slachtoffer in zijn been werd geraakt. Vervolgens zag hij de schutter samen met de persoon die bij hem was wegrennen. Hij heeft verder verklaard dat de schutter een schoudertas droeg waarin mogelijk het vuurwapen zat.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er vier keer is geschoten vanuit de richting van perceelnummer [nummer] , waar getuige [naam getuige 2] voorafgaand aan het schietincident twee mannen heeft zien staan, in de richting van de Mercedes-bus. Deze vaststelling vindt steun in de aangetroffen hulzen en de schotbeschadiging in de Mercedes-bus, alsmede in de verklaring van getuige [naam getuige 2] .

De rechtbank stelt voorts, op basis van de zich in het dossier bevindende still met tijdstip 15:01:00 uur, vast dat [slachtoffer 1] zich op dat moment in dezelfde lijn bevond als de Mercedes-bus.

Heeft verdachte in de richting van [slachtoffer 1] geschoten?

Uit munitieonderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is vast komen te staan dat de vier aangetroffen hulzen zijn verschoten met twee verschillende vuurwapens.

Nu vast is komen te staan dat de vier aangetroffen hulzen zijn verschoten met twee verschillende vuurwapens, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of kan worden vastgesteld dat verdachte met ten minste een van deze vuurwapens heeft geschoten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Uit de camerabeelden volgt dat verdachte om 15:01:05 uur, vijf seconden nadat [slachtoffer 1] is geraakt en drie seconden nadat het laatste schot is gelost, opnieuw in beeld verschijnt, met een vuurwapen in zijn hand. De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte uit de richting komt waarvandaan kort daarvoor is geschoten. Deze omstandigheden dienen te worden bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het, gelet op de zeer korte tijdspanne en de richting waaruit verdachte komt, niet aannemelijk dat verdachte zich met een vuurwapen in zijn hand op die plaats bevond, terwijl hij geen betrokkenheid had bij het schietincident. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken van een concrete omstandigheid die erop wijst dat het vuurwapen dat verdachte bij zich droeg een ander vuurwapen was dan een van de twee vuurwapens waarmee de aangetroffen hulzen zijn verschoten. Evenmin is door of namens verdachte een dergelijke alternatieve toedracht naar voren gebracht.

De verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] ondersteunen deze conclusie. Beide getuigen hebben verklaard dat zij na het schietincident twee personen hebben zien wegrennen. Getuige [naam getuige 2] heeft bovendien verklaard dat een van deze twee personen heeft geschoten en dat beide personen vervolgens zijn weggerend. Deze verklaring past bij de omstandigheid dat verdachte kort na het schietincident met een vuurwapen in zijn hand bewegend in beeld komt en vanuit de richting van het schietincident komt.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat de schutter een schoudertasje droeg. Op grond van de camerabeelden heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte een tasje droeg. Hoewel deze omstandigheden op zichzelf geen doorslaggevend bewijs vormen dat verdachte de schutter was, bieden zij, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, steun aan die conclusie.

Dat de vier aangetroffen hulzen afkomstig zijn van twee verschillende vuurwapens, staat aan deze conclusie niet in de weg. Indien ervan uit wordt gegaan dat sprake is geweest van twee schutters, acht de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene aannemelijk dat in ieder geval twee van de aangetroffen hulzen zijn verschoten met het vuurwapen dat verdachte kort na het schietincident bij zich had. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte in ieder geval een van de schutters is geweest en dat hij met het door hem gehanteerde vuurwapen in de richting van het slachtoffer heeft geschoten. De rechtbank concludeert dat verdachte in ieder geval twee schoten in de richting van het slachtoffer heeft afgevuurd.

Heeft verdachte [slachtoffer 1] in zijn been geraakt?

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte in ieder geval één vuurwapen heeft gehanteerd. Echter, niet is komen vast te staan welke kogel uit welk vuurwapen afkomstig is en waar de afzonderlijke kogels terecht zijn gekomen. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat [slachtoffer 1] is getroffen door een kogel die is afgevuurd met het wapen dat verdachte heeft afgevuurd.

Hoe dient het handelen van verdachte te worden gekwalificeerd?

Voor een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag is vereist dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Daarvoor is vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden, en dat hij die kans ten tijde van zijn gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen.

Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaring van verdachte geen inzicht geeft in hetgeen ten tijde van de gedraging in hem is omgegaan, moeten worden afgeleid uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. In alle gevallen dient sprake te zijn van een kans die naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk kan worden aangemerkt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten. [slachtoffer 1] is daarbij, terwijl hij zich omdraaide om vermoedelijk weg te rennen, door een kogel in zijn been geraakt. De rechtbank stelt voorts vast dat de schutter(s) zich tijdens de schietpartij eveneens verplaatste(n) en dat zich tussen de schoten slechts enkele seconden bevonden. De hulzen zijn op verschillende plaatsen aangetroffen. Daarnaast is verdachte ongeveer vijf seconden nadat [slachtoffer 1] werd geraakt, bewegend in beeld gekomen in de richting waarin is geschoten. Deze omstandigheden wijzen erop dat vanaf betrekkelijk korte afstand en tijdens een dynamische situatie is geschoten.

Het gericht afvuren van meerdere kogels in de richting van een persoon brengt naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans mee dat die persoon door een kogel in een vitaal lichaamsdeel wordt getroffen en als gevolg daarvan komt te overlijden. Dat [slachtoffer 1] door een kogel alleen in zijn been is geraakt, doet aan het bestaan van die aanmerkelijke kans niet af. De omstandigheid dat verdachte ten minste twee keer en in een zeer korte tijdspanne in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl zowel verdachte als [slachtoffer 1] in beweging waren, maakt bovendien dat het raken van een specifiek lichaamsdeel niet volledig beheersbaar was en dat verdachte rekening moest houden met de mogelijkheid dat een kogel een vitaal lichaamsdeel zou treffen.

Onder deze omstandigheden is de gedraging van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van potentieel dodelijk letsel, dat het, bij gebreke van contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] als gevolg van de schoten zou komen te overlijden en dat hij deze kans ten tijde van het schieten bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarmee het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] bewezen en komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank nog het volgende.

Uit het munitieonderzoek van het NFI is gebleken dat de afvuursporen in de twee hulzen met SIN-nummers AATL0817NL en AATL0818NL worden verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het merk Ceska Zbrojovka, van het kaliber 9 mm Parabellum. Andere merken zijn echter niet uit te sluiten. De afvuursporen in de twee hulzen met SIN-nummers AATL0819NL en AATL0820NL worden verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool dat is afgeleid van het merk Glock, van het kaliber 9 mm Parabellum. Het betreft vaak een vuurwapen van onbekende herkomst dat is voorzien van valse merkopschriften van Glock. Andere uitvoeringen of merken zijn echter niet uit te sluiten. De systeemsporen in de kogels en kogeldelen passen bij meerdere merken pistolen, waaronder de hiervoor genoemde vuurwapens.

Uit het NFI-rapport volgt dat twee van de onderzochte hulzen geschikt zijn om te worden verschoten met een vuurwapen van de categorie II en twee van de onderzochte hulzen geschikt zijn om te worden verschoten met een vuurwapen van de categorie III.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte een vuurwapen van categorie II dan wel categorie III en munitie van categorie II dan wel categorie III voorhanden heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank in zaak B

Feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte op 4 december 2025 op een motorscooter naar de woning van de ouders van zijn ex-vriendin [benadeelde partij] (hierna telkens: zijn of de ex-vriendin) aan de [adres] is gegaan. In de straat trof hij zijn ex-vriendin en enkele van haar familieleden, die vanwege een sterfgeval in de familie bij elkaar waren gekomen. Verdachte heeft de confrontatie met zijn ex-vriendin gezocht en op straat is een ruzie ontstaan. Deze ruzie is gefilmd door een familielid van de ex-vriendin. Het filmpje maakt deel uit van het dossier.

De verbalisant die het filmpje heeft bekeken, beschrijft dat hij ziet dat een man (de rechtbank begrijpt telkens: verdachte) op een vrouw (de rechtbank begrijpt: zijn ex-vriendin) afloopt en dat de vrouw de man probeert af te houden. Vervolgens is te zien dat de man met zijn arm uithaalt in de richting van het hoofd van de vrouw. De vrouw stapt naar achteren, waarna de vingers van de man haar bovenlichaam raken. Vervolgens ziet de verbalisant dat de man weer op zijn motorscooter gaat zitten, waarna het windscherm van de motorscooter wordt vernield. Daarna stapt de man opnieuw van zijn motorscooter af en komen andere mannen aangerend.

[slachtoffer 2] , de jongere broer van de ex-vriendin (hierna telkens: de broer) heeft verklaard dat hij buiten geschreeuw hoorde en zag dat verdachte, zijn zus (de ex-vriendin) en zijn moeder met elkaar in conflict waren. Daarop is hij samen met zijn vader, [slachtoffer 3] (hierna telkens: de vader), naar verdachte toe gegaan. De broer wilde verdachte aanspreken, maar merkte dat verdachte niet reageerde op wat hij zei. Aan de houding van verdachte zag hij dat deze heel agressief was en vol adrenaline zat. Ook hoorde hij verdachte schreeuwen: ‘Ik schiet jullie dood’. De broer heeft verklaard dat hij zich hierdoor daadwerkelijk bedreigd voelde.

Toen de broer zag dat verdachte zijn zus wilde slaan, heeft hij verdachte in een houdgreep gepakt, waardoor deze niets meer kon doen. Toen verdachte iets rustiger leek te zijn geworden, heeft de broer hem losgelaten. Direct nadat hij verdachte had losgelaten, sloeg verdachte hem meerdere keren met gebalde vuist in het gezicht. De broer voelde direct dat er bloed vanaf zijn kin stroomde. Later zag hij dat hij een blauw oog, een blauwe plek en zwelling op zijn voorhoofd en een snee onder zijn lip had. De broer heeft aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging.

De vader heeft verklaard dat hij zag dat verdachte meerdere klappen gaf in de richting van zijn vrouw en dochter (de ex-vriendin). Hij is daarop naar verdachte gelopen en heeft hem gemaand te stoppen. Vervolgens hoorde hij verdachte onder meer zeggen: ‘Anders ga ik je vermoorden, je staat op een dodenlijst. Voor het geval dat ik door de politie word aangehouden, een week, twee weken, ik kom vrij. Ik ga je daarna opzoeken, ik kom daarna bij jou.’ Hij heeft voorts verklaard dat hij zag dat zijn zoon, de broer, probeerde te voorkomen dat zijn vrouw en de ex-vriendin geslagen werden. Vervolgens zag hij dat verdachte de broer meerdere malen met kracht op het gezicht sloeg. Hij zag dat de broer daarbij een blauw oog en een wond aan de onderkant van zijn mond opliep.

Ook de ex-vriendin heeft verklaard dat haar vader en broer door verdachte zijn geslagen. Zij heeft aangifte gedaan van mishandeling en verklaard dat verdachte haar heeft geslagen en dat dit pijn deed, maar dat hij haar niet heel hard sloeg. Zij heeft voorts aangifte gedaan van bedreiging en daaromtrent verklaard dat zij vreest dat het slechts een kwestie van tijd is voordat zij of haar familie door verdachte wordt vermoord.

Verbalisant [naam verbalisant] is naar aanleiding van een melding van een vechtpartij tussen meerdere personen ter plaatse gegaan. Aldaar zag hij dat verdachte, die verwondingen aan zijn hoofd had, door meerdere personen in een hoek werd tegengehouden, terwijl er hevig naar hem werd geschreeuwd. Verbalisant [naam verbalisant] droeg een bodycam. De beschrijving van de met deze bodycam gemaakte camerabeelden maakt deel uit van het dossier. Uit die camerabeelden volgt dat de vader verdachte ter hoogte van zijn keel, aan zijn kleding, vastpakt, waarna hij zijn wijsvinger naar verdachte uitsteekt en een ‘nee’ beweging maakt. Vervolgens haalt de vader plotseling uit en slaat hij verdachte met zijn vlakke hand tegen diens wang. Verdachte knijpt na de impact van de klap zijn ogen dicht en zijn gezicht draait weg. Op hetzelfde tijdstip reikt verdachte met zijn hand naar het gezicht van de vader en pakt hij de rechterkant van diens gezicht vast. Verdachte pakt de vader vervolgens achter diens rechteroor vast en krabt vanachter diens oor aan de rechterkant van diens gezicht. De vader heeft aangifte gedaan van bedreiging, maar niet van mishandeling, en heeft in zijn aangifte niets over de hiervoor beschreven geweldshandelingen verklaard.

Verbalisant [naam verbalisant] en andere aanwezigen grijpen in om beide partijen uit elkaar te halen, waarna verbalisant [naam verbalisant] verdachte weg van de groep begeleidt. Vervolgens komen meer verbalisanten ter plaatse en wordt verdachte aangehouden. Tijdens het overbrengen van verdachte naar het politiebureau, nadat hem de cautie is medegedeeld, horen verbalisanten verdachte het volgende verklaren: ‘Zij weten niet wie ik ben, zij was mijn vrouw. Als ik mijn kind niet mag zien dan gaan zij wel merken. Of ik ga dood of ik ga ze doodmaken. Ik heb niets meer te verliezen. Recht is recht, krom is krom. Als ik het gedaan heb dan is het zo, maar ik heb het niet gedaan. Zij hebben mij aangevallen, ik heb mij alleen alleen verdedigd. Zij hebben mij geslagen met stokken. Ik heb mij alleen verdedigd. Ik zweer het op het graf van mij moeder ik ga ze doodmaken.’

Verdachte ontkent de hem ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zichzelf heeft verdedigd. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij zelf ook verwondingen heeft opgelopen. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat het zou kunnen dat hij misschien verkeerde dingen heeft gezegd. Hij heeft verklaard dat hij zijn kind al maanden niet ziet en dat als hij iets heeft gezegd, dat uit emotie is geweest. Als hem door de rechter-commissaris de onder 4 ten laste gelegde bedreigingen worden voorgehouden, verklaart hij dat hij uit emotie misschien bepaalde dingen heeft gezegd die hij niet had moeten zeggen, maar dat hij dit niet bewust deed.

Vrijspraak van het in zaak B onder 3 ten laste gelegde

Verdachte heeft ten aanzien van de hem ten laste gelegde mishandeling van de vader een beroep op noodweer gedaan. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vereist is dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, of de dreiging daarvan, waartegen de verdediging noodzakelijk en geboden is.

De vader heeft geen aangifte gedaan van mishandeling en verdachte heeft verklaard dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de (beschrijving van de) camerabeelden van de bodycam van verbalisant [naam verbalisant] . Daaruit volgt dat de vader verdachte als eerste slaat. Verdachte reageert daarop door de vader achter diens oor vast te pakken en vanachter diens oor te krabben aan diens gezicht. Bij de aangifte van de vader is een fotoblad gevoegd, waarop licht letsel bij het oor en op de wang van de vader te zien is. Hoewel de vader niet heeft verklaard hoe het letsel op de foto’s is ontstaan, acht de rechtbank aannemelijk dat dit letsel het gevolg is van het hiervoor beschreven vastpakken en krabben door verdachte.

De rechtbank kwalificeert het slaan door de vader als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarop proportioneel heeft gereageerd. Ook aan het vereiste van subsidiariteit is voldaan. Het was voor verdachte niet mogelijk zich aan de aanval van de vader te onttrekken, nu hij blijkens de camerabeelden van de bodycam ingeklemd tegen een muur stond. De rechtbank concludeert dan ook dat het beroep op noodweer slaagt.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de verdachte een geslaagd beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer toekomt, kan niet worden bewezen dat de onder 3 ten laste gelegde gedraging wederrechtelijk en daarmee als mishandeling te bestempelen is, aangezien met de term ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking wordt gebracht. Het geslaagde beroep op noodweer ontneemt aan het geweld zijn wederrechtelijk karakter. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht op grond van de stukken in het dossier bewezen dat verdachte de broer meerdere keren met gebalde vuist tegen het gezicht heeft geslagen. Uit de aangifte van de broer volgt dat verdachte hem, nadat de broer verdachte uit de houdgreep had losgelaten, meerdere malen met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van verdachte, die heeft verklaard dat de broer hem in een nekklem had vastgepakt. De bij de aangifte gevoegde foto’s van het letsel worden ondersteund door de letselverklaring van de huisarts van dezelfde dag. Ook de vader heeft verklaard dat verdachte de broer meerdere malen met kracht op het gezicht heeft geslagen, waarbij hij hetzelfde letsel heeft omschreven.

Verdachte heeft ten aanzien van de hem ten laste gelegde mishandeling van de broer eveneens een beroep op noodweer gedaan. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de broer waartegen verdachte zich moest verdedigen. De rechtbank stelt op basis van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden vast dat verdachte als eerste geweld heeft gebruikt tegen zijn ex-vriendin door haar te slaan. Toen de broer zag dat verdachte zijn zus wilde slaan, heeft hij verdachte in een houdgreep vastgepakt. Nu verdachte als eerste zijn ex-vriendin heeft aangevallen en de broer verdachte vervolgens ter bescherming van zijn zus in een houdgreep heeft vastgepakt, was het handelen van de broer naar het oordeel van de rechtbank niet wederrechtelijk. De broer heeft zich immers op proportionele wijze verdedigd tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lichaam van zijn zus. Van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de broer waartegen verdachte zich mocht verdedigen, was derhalve geen sprake. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde mishandeling heeft gepleegd.

Bewezenverklaring van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt dat de ex-vriendin in haar aangifte heeft verklaard dat verdachte haar op haar wang heeft geslagen. Zij heeft daarbij verklaard dat deze slag niet heel hard was, maar wel pijn deed. Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin het filmpje wordt beschreven volgt dat verdachte heeft uitgehaald in de richting van het hoofd van zijn ex-vriendin, maar dat hij uiteindelijk, omdat zij achteruit is gestapt, met zijn vingers haar bovenlichaam heeft geraakt. De rechtbank ziet in de verklaring van de broer, inhoudende dat hij ingreep omdat hij zag dat verdachte zijn zus wilde slaan, ondersteuning voor de verklaring van de ex-vriendin dat verdachte haar heeft mishandeld.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij niets heeft gedaan, niet geloofwaardig. Op grond van de aangifte van de ex-vriendin, het proces-verbaal van bevindingen waarin het filmpje wordt beschreven en de verklaring van de broer acht de rechtbank bewezen dat verdachte zijn ex-vriendin heeft mishandeld.

Nu de ex-vriendin heeft verklaard dat verdachte haar in het gezicht heeft geslagen, terwijl uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat verdachte haar, nadat zij achteruit was gestapt, met zijn vingers op haar bovenlichaam heeft geraakt, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zijn ex-vriendin heeft mishandeld door haar tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan.

Bewezenverklaring van het in zaak B onder 4 ten laste gelegde (bedreiging)

De rechtbank acht de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht jegens de broer, de ex-vriendin en de vader bewezen op grond van de door hen afgelegde aangiftes. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft ontkend bedreigingen te hebben geuit, heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij uit emotie mogelijk bepaalde uitlatingen heeft gedaan die hij niet had moeten doen.

De rechtbank ziet voor de door de aangevers beschreven bedreigingen bovendien ondersteuning in het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt door de verbalisanten die verdachte naar het politiebureau hebben overgebracht. Uit dit proces-verbaal volgt dat verdachte in hun aanwezigheid soortgelijke doodsbedreigingen heeft geuit. Naar het oordeel van de rechtbank konden de broer, ex-vriendin en de vader, gelet op de aard en inhoud van de geuite bedreigingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, redelijkerwijs vrezen dat verdachte zijn bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zou brengen. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van de broer, de ex-vriendin en de vader.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair ten laste gelegde

op 24 april 2026 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen, meermalen, in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

op 24 april 2026 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer,

revolver of pistool of een wapen van categorie II, onder 1 of 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, zijnde een vuurwapen (geschikt om automatisch mee te

vuren) en munitie van categorie II of categorie III van de Wet wapens en munitie

voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde

op 4 december 2025 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij] meermaals met gebalde vuist tegen het gezicht te slaan;

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde

op 4 december 2025 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij] tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan;

Ten aanzien van het in zaak B onder 4 ten laste gelegde

op 4 december 2025 te Amsterdam [slachtoffer 2] en [benadeelde partij] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2]

en [benadeelde partij] en [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen “Anders ga ik jou vermoorden, je staat op de dodenlijst. Voor het geval dat ik door de politie wordt aangehouden, een week, twee weken, ik kom vrij. Ik ga je daarna opzoeken, ik kom daarna bij jou” en “Ik schiet jullie dood”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem in zaak A onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten en de in zaak B onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 52 (tweeënvijftig) maanden, met aftrek van voorarrest.

Voor het geval de rechtbank komt tot een vrijspraak in zaak A of tot een andere kwalificatie dan poging tot doodslag, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, met het oog op de belangen van het slachtoffer [benadeelde partij] , aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dient te worden opgelegd. Voor het geval de rechtbank een lagere, deels voorwaardelijke straf aan verdachte oplegt, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat in dat geval de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd aan verdachte moeten worden opgelegd.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft zich, voor het geval de rechtbank zijn verweren in zaak A verwerpt en toekomt aan strafoplegging, op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf erg hoog is. Voor het geval de rechtbank in zaak A komt tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, heeft de raadsman verwezen naar een strafzaak waarin aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden werd opgelegd.

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank zijn verweren in zaak B verwerpt en toekomt aan strafoplegging, verzocht om rekening te houden met het feit dat zowel de vader als de broers van de ex-vriendin van verdachte als eerste geweld tegen verdachte hebben gebruikt en verdachte daar aantoonbaar verwondingen bij heeft opgelopen, het windscherm van zijn motorscooter is vernield en de motorscooter op de grond is gegooid.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft op klaarlichte dag, op de openbare weg, terwijl zich in de directe omgeving meerdere omstanders bevonden, ten minste tweemaal met een vuurwapen geschoten in de richting van het slachtoffer. Een dergelijke handelswijze brengt naar haar aard een aanzienlijk risico op ernstig of dodelijk letsel met zich. Dat risico heeft zich in dit geval verwezenlijkt, nu het slachtoffer door een kogel in zijn been is geraakt. De aanleiding van de schietpartij is niet komen vast te staan.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij een vuurwapen voorhanden heeft gehad en dit vuurwapen vervolgens daadwerkelijk heeft gebruikt. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van het slachtoffer en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Dit zijn zeer ernstige feiten. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast is algemeen bekend dat slachtoffers van geweldsmisdrijven, naast het lichamelijke letsel, ook nog geruime tijd psychische gevolgen kunnen ondervinden.

De rechtbank rekent het verdachte tevens aan dat hij het vuurwapen heeft gebruikt op een moment en op een plaats waar zich meerdere omstanders bevonden. Het incident vond in de middag plaats en speelde zich af op de openbare weg. Getuigen hebben schoten gehoord of zijn met de gevolgen van de schietpartij geconfronteerd. Een dergelijke schietpartij kan – ook als deze geen dodelijke afloop kent – gevoelens van angst en onzekerheid bij direct betrokkenen en omstanders veroorzaken. Ook in bredere zin dragen incidenten waarbij op de openbare weg met een vuurwapen wordt geschoten bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin en haar broer. Uit het dossier komt naar voren dat tussen verdachte en zijn ex-vriendin al langere tijd spanningen en conflicten bestonden. Verdachte is naar de woning van de ouders van zijn ex-vriendin gegaan, waar hij onder andere zijn ex-vriendin, haar broer en haar vader heeft getroffen. Verdachte heeft zijn ex-vriendin geslagen, waardoor zij pijn heeft ondervonden. Toen haar broer haar te hulp schoot om verdere escalatie te voorkomen, heeft verdachte ook hem mishandeld. De broer heeft daarbij letsel opgelopen. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-vriendin, haar broer en haar vader. Door deze bedreigingen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers teweeggebracht. Ook deze feiten getuigen van een gebrek aan respect voor de lichamelijke en persoonlijke integriteit van anderen.

De persoon van de verdachte

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 juli 2026 meerdere keren is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten. Dit heeft hem er niet van weerhouden onderhavige geweldsfeiten te plegen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Leger des Heils Den Haag van 3 augustus 2026, in zaak A. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Er is bij verdachte sprake van een delictpatroon ten aanzien van geweldsdelicten. De reclassering ziet kwetsbaarheden op het gebied van huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk en familie. Verdachte is thans dak- en thuisloos. Hij zou een woning toegewezen hebben gekregen, maar vanwege zijn huidige detentie is het traject niet voortgezet. Er is thans geen sprake van een structurele dagbesteding en hij is afhankelijk van een uitkering. Daarnaast is er sprake van schuldenproblematiek. Het sociaal netwerk en het contact van verdachte met zijn familieleden is zeer beperkt, waardoor er onvoldoende sprake lijkt van een steunend netwerk. Ten aanzien van het middelengebruik van verdachte zijn er geen directe zorgen.

Indien verdachte voor het onderhavige delict wordt veroordeeld, dan maakt de reclassering zich zorgen over het psychosociaal functioneren en de houding van verdachte. De ernst van het geweld is in dat geval toegenomen. Het lijkt er dan op dat verdachte de eerder door de psycholoog aangereikte handvatten onvoldoende of niet adequaat toepast in de praktijk.De reclassering ziet aanknopingspunten voor een reclasseringstoezicht om het leven van verdachte te stabiliseren en om toekomstige politie- en/of justitiecontacten te voorkomen. Verdachte stelt zich responsief op ten aanzien van het ontvangen van ondersteuning. Hij was in zorg en stond onder toezicht en heeft zich toentertijd niet onttrokken aan voorwaarden. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat, het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. Geadviseerd wordt om in geval van een veroordeling aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf bij een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met het slachtoffer, een locatieverbod voor drie straten in Amsterdam, dagbesteding en aflossing van schulden.

De op te leggen straf

Verdachte heeft ter terechtzitting geen blijk gegeven van verantwoordelijkheid voor zijn handelen en heeft evenmin blijk gegeven van inzicht in de ernst en gevolgen van de door hem gepleegde strafbare feiten. De rechtbank weegt dit mee bij de bepaling van de hoogte van de straf.

Uit de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, zoals hiervoor omschreven, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank tevens rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achtenveertig maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. De rechtbank ziet gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte meermaals is veroordeeld voor geweldsfeiten geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, op te leggen.

9. Beslag

Beslaglijst

Op de beslaglijst staan de volgende voorwerpen:

5.337,00 EUR Geld Euro (goednummer G618961)(Omschrijving: Ibgn 26-05-2026)

1 STK Huls (goednummer G6807450)

1 STK Huls (goednummer G6807449)

1 DV Munitie (goednummer G6807460)(Omschrijving: verspreid over trottoir delen van een kogel)

1. DV Munitie (goednummer G6807459)(Omschrijving: Vanonder Mercedes bus)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag gevorderd de teruggave aan verdachte te gelasten. Ten aanzien van de hulzen en de delen van munitie heeft hij de onttrekking aan het verkeer gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag de teruggave aan verdachte te gelasten. Hij heeft zich niet uitgelaten over de overige in beslag genomen voorwerpen.

Het oordeel van de rechtbank

Teruggave aan verdachte

Ten aanzien van het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet langer verzet.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen hulzen en delen van munitie dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de in zaak A bewezen geachte feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

10. Ten aanzien van de benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert blijkens de in zaak B ingediende vordering betaling van € 3.059,15 aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij verklaard dat er een optelfout is gemaakt en dat de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt door het bezoek aan de kaakchirurg in april 2026 (€ 290,62) per abuis niet zijn meegenomen in de vordering. Voorts heeft zij verklaard dat uit het zorgkostenoverzicht van het Zilveren Kruis volgt dat de benadeelde partij ook in februari 2026 bij de kaakchirurg is geweest en dat deze kosten (€ 255,81) ook worden gevorderd. De vordering tot vergoeding van materiële schade komt daarmee op een totaalbedrag van € 6.105,58. Naast de vergoeding van materiële en immateriële schade verzoekt de raadsvrouw aan verdachte een contactverbod met de benadeelde partij en een locatieverbod voor [woonplaats] – de woonplaats van de benadeelde partij – op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op zijn primaire standpunt tot integrale vrijspraak, verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen, nu zowel de materiële schade als de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, zoals hiervoor onder 5 vermeld, bewezen dat verdachte de benadeelde partij op 4 december 2025 heeft mishandeld door haar tegen het gezicht, althans het lichaam, te slaan. Uit de aangifte van [benadeelde partij] blijkt dat verdachte haar één klap heeft gegeven en dat het pijn deed, maar dat het gelukkig niet heel hard was. Er is geen letselverklaring die dateert van kort na het incident, waardoor er geen informatie bekend is over de aard en het eventuele letsel als gevolg van de klap. In het dossier bevindt zich verder alleen een foto waarop een sneetje in de hand van de benadeelde partij te zien is, maar hieromtrent heeft zij verklaard dat zij niet weet hoe zij deze verwonding heeft opgelopen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de materiële schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de in zaak B onder 2 bewezen verklaarde mishandeling. Het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van materiële schade zal dan ook worden afgewezen.

Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 3 en 4 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Uit een brief van de praktijkondersteuner van de huisarts van de benadeelde partij van 17 augustus 2026 volgt dat de problemen tussen [benadeelde partij] en verdachte in 2022 zijn begonnen en dat er sindsdien vele incidenten hebben plaatsgevonden tussen hen. Zij leeft voortdurend onder druk, angst en stress, wat resulteert in depressieve en bange gevoelens. Zij heeft last van slaapproblemen, nachtmerries en herbelevingen. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank betrokken dat de benadeelde partij en verdachte kennelijk een lange, onstuimige geschiedenis hebben waarbij het incident van 4 december 2025 kan worden gezien als een van de escalaties.

Op grond van voornoemde omstandigheden, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1.000,00. De rechtbank zal bepalen dat de immateriële schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 december 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank verklaart de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk.

Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

In het belang van [benadeelde partij] zal de rechtbank, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen, zodat zij de schadevergoeding niet zelf hoeft te innen.

Nu verdachte thans uit anderen hoofde gedetineerd is en in deze zaak aan hem een gevangenisstraf van achtenveertig maanden zal worden opgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de raadsvrouw van de benadeelde partij gevorderd, aan verdachte op te leggen.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 63, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 primair en 2 en het in zaak B onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegde dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair ten laste gelegde

poging tot doodslag;

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde

telkens: mishandeling;

Ten aanzien van het in zaak B onder 4 ten laste gelegde

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

5.337,00 EUR Geld Euro (goednummer G618961)(Omschrijving: Ibgn 26-05-2026)

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

2. 1 1 STK Huls (goednummer G6807450);

2. 1 1 STK Huls (goednummer G6807449);

2. 1 1 DV Munitie (goednummer G6807460)(Omschrijving: verspreid over trottoir delen van een kogel);

2. 1 1. DV Munitie (goednummer G6807459)(Omschrijving: Vanonder Mercedes bus).

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] af voor zover deze vordering ziet op vergoeding van materiële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 december 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verklaart de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de staat € 1.000,00 (duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 december 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Wiewel, voorzitter,

mrs. J.O. Rutten en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Wiewel

Griffier

  • mr. M.C. Lieberwirth

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand