RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/265488-25
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is, kort gezegd en na wijziging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen (feit 1), het opzettelijk aanwezig hebben van verschillende soorten harddrugs (feit 2), het telen of aanwezig hebben van hennep (feit 3), het voorhanden hebben van Cobra 6-knalvuurwerk (feit 4) en diefstal van elektriciteit (feit 5).
De tenlastegelegde feiten zouden allen gepleegd zijn in Amsterdam. De feiten 1, 2 en 4 zouden zijn gepleegd op 7 oktober 2025 en de feiten 3 en 5 zouden zijn gepleegd in de periode van 22 februari 2025 tot en met 7 oktober 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 7 oktober 2025 heeft naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van de Belgische autoriteiten een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte aan het adres [adres 1] .
In de woning werden een hennepkwekerij (feit 3) aangetroffen en verschillende vermoedelijk verboden voorwerpen. Het ging hier onder meer om een vuurwapen (feit 1), verschillende soorten vermoedelijk verdovende middelen (feit 2) en twee stuks knalvuurwerk van het type Cobra 6 (feit 4). In de hoofdaansluiting van de elektriciteitsinstallatie bleek dat de zegels waren verbroken en dat er vermoedelijk illegaal stroom werd afgetapt (feit 5).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van een klein onderdeel van feit 2. Ten aanzien van dat feit heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte 4-CMC voorhanden heeft gehad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 en 4 geen (bewijs)verweer gevoerd. Ten aanzien van feit 2 heeft ook de raadsman bepleit dat niet bewezen kan worden dat verdachte 4-CMC voorhanden heeft gehad, omdat het dossier slechts een indicatieve test bevat. Van dat deel dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken. Voor wat betreft feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat enkel het voorhanden hebben van de hennep bewezen kan worden verklaard, niet (ook) het telen. Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman aangevoerd dat enkel kan worden vastgesteld dat verdachte zijn woning ter beschikking heeft gesteld voor de kwekerij en dat dit onvoldoende is om daarmee ook bewezen te verklaren dat hij enig aandeel heeft gehad in de diefstal van elektriciteit.
Verdachte heeft bekend de feiten te hebben gepleegd.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1 en feit 4
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en het voorhanden hebben van twee stuks knalvuurwerk van het type Cobra 6.
Verdachte heeft de feiten bekend en de raadsman heeft hiervoor geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met de hieronder weergegeven opgave van de voor deze feiten gebruikte bewijsmiddelen.
Feit 1 en 4
1. De bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2026;
2. Een proces-verbaal van bevindingen, doorzoeking [adres 1] , met nummer 2024048108-21524592 van 8 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar werkend onder nummer [nummer] , doorgenummerde pagina’s 01 t/m 12;
Feit 1
3. Een proces-verbaal van wapenonderzoek met nummer PL1300-2025251961 van 8 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 17 t/m 23.
Feit 4
4. Een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk met nummer PL1300 BVH 2025246308 van 1 december 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 094 t/m 102.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte op 7 oktober 2025 in zijn woning MDMA en metamfetamine aanwezig heeft gehad. Niet bewezen kan worden dat hij ook 4-CMC voorhanden heeft gehad en daarom wordt verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte is een gripzakje met daarin roze tabletten in de vorm van een gezichtje met logo ‘69’ en een gripzakje met opdruk ‘HALLO DAAR’ met daarin een roze brok met indruk van een flamingo aangetroffen. Daarnaast is een gripzak met kristalachtig poeder en brokjes aangetroffen. Verdachte heeft verklaard voornoemde middelen in zijn woning te hebben gehad. Na onderzoek door het NFI is gebleken dat de roze tabletten en het roze blok met de opdruk van een flamingo MDMA bevatten en dat het kristalachtig poeder en de brokjes metamfetamine bevatten.
In de woning werd ook een gripzakje met het opschrift ‘3M’ aangetroffen met daarin 6 kleine gripzakjes waarin crèmekleurige kristalachtige brokjes en poeder zaten. Het dossier bevat enkel een indicatieve test van deze stof. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanwezigheid van enkel deze indicatieve test in het dossier ontoereikend bewijs voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van 4-CMC nu de rechtbank op basis van een dergelijke test niet definitief kan vaststellen waar het middel uit bestaat.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende duidelijk kan worden vastgesteld dat verdachte een rol heeft gehad in het telen, bereiden, bewerken of verwerken van de hoeveelheid hennep zoals tenlastegelegd. Enkel het ter beschikking stellen van de woning voor het inrichten van een hennepkwekerij is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het (medeplegen van) telen van hennep.
Wel acht de rechtbank verdachte schuldig aan het bezit van hennep. Meer juridisch acht de rechtbank bewezen dat verdachte de hennep met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad gedurende de periode dat er in de woning een hennepkwekerij was. Tijdens de doorzoeking is de hennep aangetroffen en verdachte heeft verklaard dat hij had ingestemd met de inrichting van de hennepkwekerij en dat hij hier een vergoeding voor kreeg. Vast staat ook dat hij de hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. Uit zijn verklaring ter zitting blijkt dat hij zowel wetenschap als beschikkingsmacht heeft gehad over de aangetroffen hennep. Dat verdachte deze hennep met een ander, de persoon die de kwekerij onderhield, voorhanden heeft gehad staat naar het oordeel van de rechtbank gelet op de verklaring van verdachte ook vast.
Ten aanzien van feit 5
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich met een ander heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van elektriciteit en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft op de zitting verklaard te hebben geweten dat er van zijn huisaansluiting elektriciteit werd afgetapt door de persoon die de hennepkwekerij had ingericht en is voor de gebruikte elektriciteit niet méér gaan betalen. Uit de aangifte van [electriciteitsbedrijf] volgt dat de zegels van de hoofdaansluitkast van de elektriciteitsaansluiting waren verbroken en in de tenlastegelegde periode illegaal minimaal 15.515 kWh aan stroom is weggenomen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich (met een ander) heeft schuldig gemaakt aan de diefstal door middel van verbreking.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1
op 7 oktober 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Llama, type 1911, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
2
op 7 oktober 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine,
zijnde MDMA en metamfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1;
3
in de periode van 22 februari 2025 tot en met 7 oktober 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4
op 7 oktober 2025 te Amsterdam opzettelijk, 2 stuks, knalvuurwerk (Cobra 6), in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad;
5
in de periode van 22 februari 2025 tot en met 7 oktober 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een hoeveelheid elektriciteit, die aan [electriciteitsbedrijf] N.V., toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt voor alle tenlastegelegd feiten kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast zou eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en Cobra 6 knalvuurwerk, het aanwezig hebben van verschillende soorten harddrugs en hennep en het plegen van diefstal van elektriciteit ten behoeve van een hennepkwekerij in zijn woning. Verdachte heeft verklaard een vergoeding te ontvangen voor het bewaren van deze goederen en heeft daarmee enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en geen rekening gehouden met de risico’s die met het voorhanden hebben en in de maatschappij brengen van deze goederen gepaard gaan. Daarnaast heeft verdachte ten behoeve van een in zijn woning aangelegde hennepkwekerij elektriciteit gestolen. Hij heeft hiermee schade en overlast bezorgd aan de leverancier en de risico’s voor omwonenden op brand vergroot.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 16 oktober 2025 dat is opgemaakt ten behoeve van de raadkamer gevangenhouding van 20 oktober 2025. Hieruit volgt, kortgezegd, dat de financiële situatie, het sociaal netwerk en het psychosociaal functioneren kunnen worden aangemerkt als delictgerelateerde risicofactoren. Verdachte heeft gehandeld vanuit stress om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud. Er lijkt sprake van een gebrek in het probleemoplossend vermogen waardoor de feiten lichtzinnig lijken te zijn gepleegd. De reclassering adviseert bij een schorsing van de voorlopige hechtenis verschillende bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank neemt het advies van de reclassering mee bij de bepaling en vaststelling van de straf en de duur daarvan.
De straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd acht de rechtbank een forse (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf passend en geboden. Daarnaast ziet de rechtbank een meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de volgende door de reclassering eerder geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten meldplicht bij de reclassering, deelname aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding. De rechtbank acht deze bijzondere voorwaarden in het belang van de maatschappij ter voorkomen van recidive en tevens in het belang van de ontwikkeling van verdachte.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met de hiervoor benoemde bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 2 jaar.
8. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
Standpunten
De officier van justitie heeft verzocht de geldbedragen verbeurd te verklaren. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
De op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen en niet teruggegeven geldbedragen die aan verdachte toebehoren worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die geldbedragen geheel of grotendeels uit de baten van het bewezen geachte zijn verkregen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de volgende artikelen:
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
ten aanzien van feit 2
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
ten aanzien van feit 3
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
ten aanzien van feit 4
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan
ten aanzien van feit 5
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking
verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 2 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich de eerstvolgende werkdag na vrijlating tussen 10:00 uur en 12:00 uur bij Reclassering Amsterdam op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie COVA of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Verklaart verbeurd:
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mr. R. van de Water en mr. J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt en M. Pathuis, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 januari 2026.
[.]