RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-131394-26 (zaak A), 13-212364-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 1 september 2026
Herstelvonnis gewezen naar aanleiding van het op 1 september 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam gewezen vonnis in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank is na het wijzen van het vonnis in de zaak met bovengenoemd parketnummer gebleken dat in het dictum van het vonnis abusievelijk is vermeld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] hoofdelijk wordt toegewezen.
Het betreft hier een kennelijke misslag. In het vonnis wordt in rubriek 8.3 vermeld dat de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, omdat het feit waarop de vordering ziet niet aan verdachte ten laste is gelegd.
Beslissing
De rechtbank:
Wijzigt het dictum in die zin dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij] op pagina 13 als volgt komt te luiden:
“Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.”
Dit herstelvonnis is op 1 september 2026 gewezen door:
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en C. Işitman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit herstelvonnis mede te ondertekenen.