RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/781423 / KG ZA 26-12 EAM/MV
Vonnis in kort geding van 29 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding van 12 januari 2026,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.G.P. van Marle,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.J. Koning.
1. De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 21 januari 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd.Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
[eiser] , zijn dochter en zijn voormalig advocaat (mr. P. Nicolaï) met mr. Van Marle; [gedaagde] en haar twee dochters met mr. Koning.Na verder debat is vonnis bepaald op 4 februari 2026. Nadien zijn partijen ervan in kennis gesteld dat vonnis wordt gewezen op 29 januari 2026.
2. De feiten
Op [overlijdensdatum 1] 2025 is mevrouw [erflaatster] overleden. Op 4 november 2016 had zij een testament op laten maken waarin [gedaagde] , haar dochter, tot enig erfgenaam is benoemd.
[erflaatster] was eigenaar van het pand aan de [adres] (hierna ook het pand).
[eiser] , die een vriendschappelijke/affectieve relatie had met [erflaatster] , heeft zich op 13 juni 2019 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres [adres] .
In het onder 2.1 genoemde testament van [erflaatster] staat onder meer dat dit: “…mede is gemaakt vanuit de gedachte dat het huis waarin ik thans woon aan de [adres] (…) mede is gefinancierd door mijn hierna te noemen partner ( [eiser] , vzr.) zonder welke financiering ik dit huis niet had kunnen kopen. Mijn partner heeft als gevolg hiervan een afgescheiden gedeelte voor bewoning tot zijn beschikking (voorzijde tweede verdieping). Ik ben voornemens een vaststellingsovereenkomst op te stellen met betrekking tot het door hem voorgeschoten bedrag, en de afspraak over de bewoning. (…)” 2.5. Op 29 december 2016 heeft de notaris een vaststellingsovereenkomst opgesteld die is gesloten tussen [eiser] en [erflaatster] . Hierin staat onder meer dat [eiser] ten behoeve van de aankoop en de verbouwing van het pand fl. 800.000,- (door partijen afgerond op € 360.000,-) ter leen heeft verstrekt aan [erflaatster] . Dit bedrag is opeisbaar bij verkoop en levering van het pand of bij overlijden van een van partijen. Verder staat in de vaststellingsovereenkomst het volgende: “4. Gebruik:
Ten aanzien van dit gebruik stellen partijen vast:
De comparant sub 1 ( [eiser] , vzr.) mag de woning gebruiken op de wijze als thans feitelijk het geval is. Dat wil zeggen zonder eigen opgang maar onder de verplichting om te melden op welk tijdstip comparant sub 1 in de woning zal aankomen danwel verblijven.
5. Opzegging bij verkoop van de woning:
Zodra de woning zal zijn verkocht, hetzij door comparant sub 2 ( [erflaatster] , vzr.) hetzij door haar erfgenamen na haar overlijden, heeft comparant sub 1 het recht om nog in de woning te blijven wonen danwel deze te mogen gebruiken tot een (1) maand voor de datum van levering.”
Op 13 mei 2025 heeft [eiser] zich bij de BRP uitgeschreven van het adres [adres] . Nadien is die uitschrijving ongedaan gemaakt. Uit een bericht van de [gemeente] van 4 augustus 2025 blijkt dat de inschrijving van [eiser] op het adres per 28 mei 2025 is hersteld.
Op 9 juli 2025 is [eiser] (tijdelijk) vertrokken naar [plaats] (Rusland).
Eveneens op 9 juli 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de voormalige advocaat van [eiser] (mr. Nicolaï) onder meer het volgende bericht: “Cliënte toonde mij het bijgaande testament en de bijgaande overeenkomst uit het jaar 2016. Ik heb begrepen dat uw cliënt de heer [eiser] met haar wenst overeen te komen dat deze overeenkomst zal worden “ingetrokken” en dat hij aanspraak zal kunnen maken op het legaat dat ten gunste van hem in het testament is opgenomen.
Zoals ook is vermeld in de considerans van een recentelijk door u opgesteld concept voor een nieuwe overeenkomst, heeft de moeder van cliënte in 2016 gedwaald. Niet alleen de overeenkomst die uw cliënt ongedaan wenst te zien is onder invloed van deze dwaling tot stand gekomen. Ook in het testament wordt de onjuiste gedachte tot uitdrukking gebracht dat het pand aan de [adres] mede door uw cliënt is gefinancierd. Deze
voorstelling van zaken is bovendien uitdrukkelijk als beweegreden voor de testamentaire making ten gunste van uw cliënt opgenomen.”
Bij brief van 12 november 2025 van de advocaat van [gedaagde] is [eiser] ervan in kennis gesteld dat zijn verzoek om terug te keren in het pand wordt afgewezen. In de brief staat tevens dat [gedaagde] alle makingen ten gunste van [eiser] in het testament van [erflaatster] vernietigt, alsmede de onder 2.5 genoemde vaststellingsovereenkomst van 29 december 2016. Bij deurwaardersexploot van 14 november 2025 is de brief van 12 november 2025 aan [eiser] betekend.
Op 1 december 2025 heeft de voormalig advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om [eiser] uiterlijk 3 december 2025 toegang te geven tot het pand.
Op 4 december 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] geantwoord dat [eiser] niet langer woonachtig was in het pand en dat [eiser] het pand met medeneming van zijn bezittingen en al zijn persoonlijke spullen had verlaten, zoals blijkt uit bijgevoegde foto’s (waarop een zo goed als lege woonruimte is te zien).
Op 19 december 2025 heeft de (huidige) advocaat van [eiser] de buitengerechtelijke vernietiging die is opgenomen in de brief van 12 november 2025 (zie 2.9) betwist en aanspraak gemaakt op het gebruik van het pand. In de brief staat verder dat [eiser] in de zomer van 2025 naar [plaats] is vertrokken voor een medische behandeling, maar dat van een permanent vertrek geen sprake is geweest. Bij terugkeer (omstreeks 1 december 2025) heeft [eiser] geconstateerd dat [gedaagde] de sloten had veranderd en de eigendommen van [eiser] elders had opgeslagen. [gedaagde] is nogmaals gesommeerd [eiser] toegang te verlenen tot het pand en zij is aansprakelijk gesteld voor de verblijfskosten die [eiser] moet maken omdat hem de toegang tot het pand wordt ontzegd.
Als productie 1 heeft [gedaagde] een niet-ondertekende concept-vaststellingsovereenkomst van mei 2025 in het geding gebracht tussen haar en [eiser] . Hierin staat onder meer: “Overwegende dat tussen [erflaatster] en [eiser] op 29 december 2019 de in kopie aangehechte vaststellingsovereenkomst is gesloten;
Overwegende dat [gedaagde] enig erfgenaam is van [erflaatster] , die is overleden op [overlijdensdatum 1] 2025
Overwegende dat [eiser] gedwaald heeft omtrent de feiten die aan de vaststellings-overeenkomst ten grondslag liggen, in het bijzonder omtrent het bestaan van de schuldverhouding waarop deze overeenkomst betrekking heeft;
Overwegende dat [eiser] aan [gedaagde] te kennen heeft gegeven dat hij wegens deze dwaling het ertoe wil leiden dat de vaststellingsovereenkomst wordt ingetrokken;
Overwegende dat [gedaagde] als enig erfgenaam van [erflaatster] gerechtigd is om aan de intrekking mede te werken en daartoe bereid is;
Komen overeen de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2019 in te
trekken, welke intrekking heden ingaat.”
Als productie 11 heeft [eiser] een niet-ondertekende concept-vaststellingsovereenkomst van juni 2025 in het geding gebracht tussen hem en [gedaagde] . Hierin staat onder meer: “Overwegende dat [eiser] als partij bij die vaststellingsovereenkomst van 29 december 2016 en [gedaagde] als executeur-testamentair het wenselijk achten dat de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2016 wegens dwaling door [eiser] en [erflaatster] wordt ingetrokken en dat in de onderhavige vaststellingovereenkomst wordt vastgelegd dat [eiser] aanspraak heeft op het in het testament neergelegde geldlegaat en verplicht is op een nader te bepalen datum de woning te verlaten;
Partijen stellen vast
- dat de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2016 bij deze is ingetrokken en dat deze intrekking terugwerkt tot het moment van vaststelling;
- (…)
- dat [eiser] verplicht is het gebruik overeenkomstig het testament van de woning aan de [adres] uiterlijk vier weken voor de datum van levering te staken; (…)”
3. Het geschil
[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen: I. tot afgifte van de sleutels van het pand en hem ongehinderd toegang te verstrekken tot de woonruimte gelegen aan de voorzijde van de tweede verdieping van het pand; II. een en ander op straffe van dwangsommen; III. tot betaling van een schadevergoeding van € 12.320,-; IV. in de proceskosten.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Hij betwist de buitengerechtelijke vernietiging van het testament en de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] moet dit aan de rechter voorleggen. [eiser] wijst erop dat het testament en de vaststellingsovereenkomst zijn opgesteld door een notaris. Dit vormt een waarborg dat er geen sprake is van een wilsgebrek waardoor van een rechtsgeldige vernietiging geen sprake zal zijn. Uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat [eiser] het recht van gebruik en bewoning heeft met betrekking tot een gedeelte van het pand. Hij heeft geen afstand gedaan van dit recht. Hij heeft het pand in de zomer van 2025 slechts tijdelijk verlaten. Na terugkomst begin december 2025 waren de sloten veranderd en zijn spullen verwijderd. Hij moet nu kosten maken om elders te verblijven (bijvoorbeeld AirBnB) en dit vormt de grondslag voor zijn vordering tot schadevergoeding. Overigens heeft hij minder kosten gemaakt dan het gevorderde bedrag van € 12.320,-. In december 2025 en in januari 2026 heeft hij ruim € 3.600,- aan kosten gemaakt zodat hij zijn vordering tot schadevergoeding tot dat bedrag vermindert. [eiser] erkent dat er in de zomer van 2025 een concept-vaststellingsovereenkomst is opgesteld, maar partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen. Dat in de conceptovereenkomst wordt gesproken over dwaling impliceert niet dat er daadwerkelijk ook sprake was van dwaling
[gedaagde] voert het volgende verweer. Uit de vaststellingsovereenkomst en het testament kan worden afgeleid dat [eiser] gelden aan [erflaatster] ter beschikking heeft gesteld voor de aankoop en verbouwing van het pand, maar dit is onjuist. Uit een door [eiser] zelf in het geding gebrachte brief van de Belastingdienst van 16 juli 1998 volgt namelijk dat het pand en de verbouwingskosten in 1996 aan [erflaatster] zijn geschonken door [naam] . Aan [erflaatster] is om die reden een aanslag schenkingsbelasting opgelegd (productie 12 van [eiser] ). Een fiscaal jurist (mr. K.H. Bowles) die in het verleden door [erflaatster] en [gedaagde] is geraadpleegd, heeft bevestigd dat het pand en de verbouwing niet (mede) zijn gefinancierd door [eiser] . Het pand is door [naam] voor zijn overlijden op [overlijdensdatum 2] 1996 aan [erflaatster] geschonken, maar aan die schenking is pas uitvoering gegeven na zijn overlijden en wel door [eiser] die enig erfgenaam was van [naam] . [eiser] heeft dus als erfgenaam de schulden van de nalatenschap ingelost. Hij heeft geen gelden uit eigen zak aan [erflaatster] ter beschikking gesteld en [eiser] kan dus ook geen aanspraak maken op terugbetaling door (de erfgenaam van) [erflaatster] . Een en ander betekent dat [erflaatster] de vaststellingsovereenkomst is aangegaan onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken. Dit betekent dat er geen grondslag is voor de vordering van [eiser] om wederom tot het pand te moeten worden toegelaten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[eiser] heeft zijn vordering om wederom toegang te krijgen tot het pand gebaseerd op het testament van [erflaatster] en op de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2016. Hieruit kan immers een recht van gebruik en bewoning worden afgeleid. [gedaagde] heeft echter de (buitengerechtelijke) vernietiging ingeroepen van het testament en de vaststellingsovereenkomst. Indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de vernietiging terecht is ingeroepen, vervalt de grondslag voor toewijzing van de vordering van [eiser] .
In dit geval is voorshands voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de vernietiging terecht is ingeroepen. [gedaagde] heeft immers voorshands aannemelijk gemaakt (zie onder 3.3) dat het pand en de verbouwingskosten niet door [eiser] aan [erflaatster] zijn geschonken, maar door [naam] (van wie [eiser] enig erfgenaam was). [naam] heeft dit gedaan voor zijn overlijden. Dat [eiser] (als erfgenaam) aan die schenking uitvoering heeft gegeven na het overlijden van [naam] maakt niet dat [eiser] zelf gelden aan [erflaatster] ter beschikking heeft gesteld. In zoverre is dus aannemelijk dat sprake was van dwaling aan de zijde van [erflaatster] bij het aangaan van het testament en de vaststellingsovereenkomst.
De voorzieningenrechter verwijst voorts naar de twee concept-vaststellingsovereenkomsten van mei en juni 2025 (zie 2.13 en 2.14). Daarin wordt eveneens gesproken over dwaling. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat die overeenkomsten niet zijn ondertekend en daarom niet als ‘hard’ bewijs kunnen gelden, maar de tekst van de concepten vormt – mede gezien hetgeen onder 4.2 is overwogen – wel een aanwijzing in de richting van dwaling.
Ook een afweging van belangen leidt ertoe dat de vordering om wederom toegang te krijgen tot het pand moet worden afgewezen. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij het pand te koop heeft gezet omdat zij anders de erfbelasting niet kan betalen. Een verkoop is moeilijk zo niet onmogelijk indien [eiser] wederom zijn intrek zou nemen in het pand. Ten aanzien van [eiser] geldt dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij zijn daadwerkelijke verblijfplaats. Hij is in de zomer van 2025 voor langere tijd vertrokken naar [plaats] en heeft zich uitgeschreven bij de BRP. Hij was weliswaar op de mondelinge behandeling van dit kort geding aanwezig, maar hij kon niet aan de hand van vliegtickets of rekeningafschriften o.i.d. aantonen dat hij thans op structurele basis in Nederland ( [woonplaats] ) verblijft. De betalingsbewijzen voor het verblijf in Nederland die [eiser] in het geding heeft gebracht zien slechts op een periode van drie weken, terwijl hij – naar eigen zeggen – in december 2025 en in januari 2026 in [woonplaats] heeft verbleven. Niet kan worden uitgesloten dat hij dit kort geding aanhangig heeft gemaakt “als voet tussen de deur” omdat hij aanspraak wenst te maken op het onder 2.5 genoemde bedrag van € 360.000,-.
Het bovenstaande leidt ertoe dat ook de vordering tot vergoeding van de schade moet worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.699,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.699,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
Coll: BB