RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Strafrecht
Parketnummer: 13/042787-26
Datum uitspraak: 9 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.H.R. Hogewind en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.G. Schol naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] en van hetgeen mr. I.L.A. Kamphuis namens hem naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 9 februari 2026 in Weesp heeft schuldig gemaakt aan
Primair
medeplegen van een poging tot een ontploffing teweegbrengen bij restaurant ‘ [naam restaurant] ’, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is;
Subsidiair
medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij restaurant ‘ [naam restaurant] ’ door een geïmproviseerd explosief te vervoeren en voorhanden te hebben.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd.
Het primair ten laste gelegde kan bewezen worden verklaard, omdat verdachte zijn voornemen om een ontploffing teweeg te brengen door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Verdachte hoefde namelijk alleen nog maar het explosief neer te leggen en aan te steken. Gelet op zijn voorgenomen plan en de handelingen die verdachte daarvoor heeft verricht, lag het geheel aan gedragingen in tijd en plaats naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo dicht bij het teweegbrengen van een ontploffing, dat sprake is van een poging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde feit. Volgens haar is er nog geen begin van uitvoering van het misdrijf geweest. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waardoor verdachte ontslagen zou moeten worden van alle rechtsvervolging.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het vervaardigen, invoeren, doorvoeren en uitvoeren van het geïmproviseerde explosief. Voor het overige heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
In februari 2026 heeft verdachte van een kennis van hem een Snapchatbericht doorgestuurd gekregen waarin gevraagd wordt om een cobra. Verdachte heeft geantwoord op dit bericht dat hij thuis een cobra heeft liggen. Vervolgens is deze kennis naar verdachte gekomen en heeft verdachte de cobra aan hem afgegeven. Deze cobra is vervolgens gebruikt voor het maken van een explosief. Een dag later vertelde de kennis aan verdachte dat degene die het explosief zou ontsteken niet meer ging en vroeg hij aan verdachte of hij het explosief wilde afsteken. In ruil daarvoor zou verdachte € 2.000,- krijgen. Verdachte heeft deze opdracht geaccepteerd.
Op 9 februari 2026 heeft verdachte ’s nachts met deze kennis afgesproken en zijn zij samen op een scooter naar Weesp gereden. Hij is in de buurt van restaurant ‘ [naam restaurant] ’ afgezet. Degene die hem op de scooter bracht, zou wachten en met hem mee terugrijden. Verdachte is vervolgens in donkere kleding, met een bedekt gezicht en een scooterhelm op langs restaurant ‘ [naam restaurant] ’ gelopen en mogelijk teruggelopen. Hij droeg een Albert Heijn-tas bij zich waarin het explosief zat. Op enig moment is verdachte aangesproken door een aantal personen. Verdachte heeft vervolgens de tas laten vallen en heeft geprobeerd te vluchten. Hij is achtervolgd en in elkaar geslagen. Even later is hij aangehouden door de politie.
In de Albert Heijn-tas bleken een Super Cobra 6 en drie aan elkaar getapete literflessen met vermoedelijk wasbenzine te zitten. Als het vuurwerk bij de flessen was aangestoken, had volgens de politie een grote steekvlam kunnen ontstaan.
Vrijspraak van het primair ten laste gelegde
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden en overweegt als volgt.
Van een poging tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van artikel 45 Sr is sprake wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Gedragingen zijn aan te merken als een begin van uitvoering, als zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op de voltooiing van het strafbare feit. Of dit het geval is moet blijken aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Volgens jurisprudentie zijn daarbij een aantal factoren van belang, waaronder hoe dicht de vastgestelde gedragingen zowel in tijd als in plaats bij de voltooiing van het misdrijf lagen en hoe concreet deze daarop waren gericht.
Op basis van de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte gedragingen heeft verricht die naar haar uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van een ontploffing. Het feit dat verdachte een Cobra heeft aangeleverd, op de scooter naar Weesp is gegaan, met een geïmproviseerd explosief langs restaurant ‘ [naam restaurant] ’ is gelopen en weer terug lijkt te zijn gelopen, is hiervoor onvoldoende. Om vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van een strafbare poging tot ontploffing is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval enige actieve handeling nodig die het voorgenomen plan kenbaar maakt, zoals het explosief uit de tas halen of het explosief ergens neerzetten, hetgeen hier niet is gebeurd. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit daarom niet bewezen. Verdachte wordt daarvan dan ook vrijgesproken.
Het oordeel over het subsidiair ten laste gelegde
Bij de beantwoording van de vraag of de subsidiair ten laste gelegde voorbereiding van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing is bewezen, moet komen vast te staan dat het in de tenlastelegging omschreven voorwerp (hierna: het middel) bestemd was tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe moet worden beoordeeld of het middel, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kon zijn voor het misdadige doel dat verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had.
Verdachte heeft bekend dat hij een geïmproviseerd explosief heeft vervoerd en voorhanden heeft gehad en dat dit bestemd was om een ontploffing teweeg te brengen bij restaurant ‘ [naam restaurant] ’.
Gemeen gevaar voor goederen
Uit een proces-verbaal van bevindingen van de Teamleider Explosieven en Veiligheid is gebleken dat er ter plaatse een drietal flessen gevonden zijn met daarop geschreven ‘wasbenzine’ die aan elkaar vast waren getapet. Naast deze flessen is een Super Cobra 6 gevonden. Uit het proces-verbaal blijkt dat wanneer het vuurwerk bij de flessen aangestoken zou zijn en er daadwerkelijk wasbenzine in de flessen zou zitten, een ‘pittige steekvlam’ zou zijn ontstaan. De rechtbank leidt hieruit af dat er gemeen gevaar voor goederen aanwezig is geweest, namelijk voor het pand van restaurant ‘ [naam restaurant] ’ wanneer het explosief in de nabijheid daarvan ontstoken zou zijn geweest. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat, in het geval van ontploffing, ook levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Verdachte wordt daarom van dit gedeelte partieel vrijgesproken.
Medeplegen
Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van medeplegen tussen verdachte en de onbekend gebleven persoon die bij de uitvoering van de voorbereidingshandelingen betrokken is geweest. Verdachte heeft, nadat hij de opdracht van een kennis heeft gekregen om een ontploffing teweeg te brengen, van een persoon het explosief ontvangen. Hij heeft ‘s nachts met iemand afgesproken en is samen met hem op een scooter naar Weesp in de buurt van restaurant ‘ [naam restaurant] ’ gereden. Deze persoon zou daar op verdachte wachten en vervolgens samen met verdachte terugrijden. Deze werkwijze duidt op een nauwe en bewuste samenwerking, waardoor medeplegen bewezen wordt verklaard.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 9 februari 2026 te Weesp op de openbare weg, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is (art. 157 Sr), opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander een geïmproviseerd explosief (bestaande uit drie flessen met vloeistof aan elkaar vastgeplakt en met vuurwerk, te weten een Super Cobra 6) kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde aangevoerd dat sprake is van vrijwillige terugtred. Gelet op het feit dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde behoeft dit (subsidiaire) verweer geen nadere bespreking. Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen
De eis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte kort na het feit ernstig mishandeld is. Ook heeft zij verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat hij werk en huisvesting heeft, een blanco strafblad heeft, erg jong is en de reclassering het recidiverisico als laag inschat. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de stabiliteit van verdachte zal doorkruisen. Zij heeft daarom verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen met – indien nodig – een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straffen en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing. Verdachte heeft een Cobra aangeleverd en is vervolgens ’s nachts met een geïmproviseerd explosief langs restaurant ‘ [naam restaurant] ’ gelopen met de bedoeling om dit daar tot een ontploffing te brengen.
Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring is op indringende wijze gebleken hoe de eigenaar van restaurant ‘ [naam restaurant] ’ de dreiging van een ontploffing heeft ervaren. Mede vanwege de eerder (binnen enkele weken) voorgevallen explosies en pogingen daartoe bij zijn restaurant, heeft deze actie van verdachte gezorgd voor nog meer angst en een voortdurend gevoel van onveiligheid bij het slachtoffer, waar niet alleen hij, maar ook zijn gezin last van heeft. Hij kampt met lichamelijke en psychische klachten en met groot gevoel van onzekerheid over het ‘waarom’ van deze bedreigingen en aanslagen. Ook blijkt uit de aangifte dat hij zich schuldig voelt naar zijn omgeving, vanwege de maatschappelijke onrust die de (dreigingen van) de ontploffingen veroorzaken.
Uit het voorgaande blijkt dat verdachte door zijn handelen gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt en er blijk van heeft gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen en gevoelens. De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte bereid is om tegen betaling een ernstig strafbaar feit te plegen en neemt het hem kwalijk dat hij enkel aan zijn eigen financiële gewin heeft gedacht.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 11 augustus 2026. Uit dit rapport blijkt – kort gezegd – dat verdachte zijn leven goed op orde heeft. Verdachte woont bij zijn ouders en heeft recent de opleiding Marketing & Communicatie afgerond. Hij werkt als vuilnisman voor de gemeente Amsterdam en heeft een inkomen waarvan hij kan rondkomen. Ook is hij gestart met een eigen onderneming en overweegt hij een vervolgopleiding te volgen, te weten Commerciële Economie aan de hogeschool. Daarnaast heeft hij geen schulden en is hij niet verslaafd aan middelen. Hoewel verdachte zijn leven zelfstandig vorm kan geven, lijken impulsiviteit en een negatief sociaal netwerk risicofactoren te vormen. Het ten laste gelegde lijkt dan ook voort te komen uit een financieel motief en beïnvloedbaarheid. Desalniettemin wordt het risico op recidive als laag ingeschat.
De reclassering ziet geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Verdachte gedraagt zich conform zijn kalenderleeftijd en de reclassering ziet weinig mogelijkheden tot pedagogische beïnvloeding. Verdachte heeft in aanloop naar zijn strafzaak onder toezicht van de reclassering gestaan en zich moeten houden aan bijzondere voorwaarden. Dat toezicht is goed verlopen. De reclassering ziet geen noodzaak of aanknopingspunten voor verdere reclasseringsinterventies. Alles in acht genomen adviseert de reclassering, bij een bewezenverklaring, een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Verdachte heeft ter terechtzitting beaamd dat het goed met hem gaat. Hij heeft verklaard afstand te hebben gedaan van zijn negatieve sociale netwerk en zegt zich te focussen op zijn werk. Verdachte kan zich ook vinden in het advies van de reclassering. Desgevraagd staat verdachte niet open voor contact met het slachtoffer uit angst voor (meer) represailles.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank merkt verdachte daarom aan als first offender.
De op te leggen straffen
Bij het bepalen van de op te leggen straffen beoogt de rechtbank enerzijds rekening te houden met de ernst van het feit en anderzijds oog te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank neemt het advies van de reclassering over om het volwassenenstrafrecht toe te passen, maar zal in de strafoplegging rekening houden met de relatief jeugdige leeftijd van verdachte en de impulsiviteit, dan wel beïnvloedbaarheid die daarbij komt kijken. Daarnaast weegt de rechtbank in positieve zin de proceshouding van verdachte mee. Verdachte heeft van begin af aan openheid van zaken gegeven. Hij heeft zowel in het vooronderzoek als ter terechtzitting een uitgebreide verklaring afgelegd en schuldbesef getoond.
Verder neemt de rechtbank mee dat verdachte ernstig mishandeld is kort nadat het feit heeft plaatsgevonden. Dit doet niets af aan de ernst van het bewezenverklaarde, maar de rechtbank wil wel aannemen dat dit grote indruk op verdachte heeft gemaakt. Verdachte heeft aangegeven dat hij hiervan geen aangifte heeft gedaan omdat hij verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn eigen daden. Tot slot weegt de rechtbank in positieve zin mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat hij zijn leven op orde lijkt te hebben.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank – anders dan de officier van justitie – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf onwenselijk. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de maatschappelijke stabiliteit van verdachte doorkruisen, waar verdachte en de maatschappij niet bij gebaat zijn. De rechtbank acht het daarom van belang dat wordt ingezet op het voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw een dergelijk feit pleegt. De rechtbank zal dan ook de maximale taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 240 uren, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 120 dagen hechtenis passend en geboden. De rechtbank legt daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden op met een proeftijd van 2 jaar.
Geen contact- of locatieverbod
Door het slachtoffer is verzocht om een contact- en locatieverbod op te leggen in de vorm van een 38v-maatregel. De rechtbank ziet, net als de officier van justitie en de raadsvrouw, daar geen aanleiding toe. Het is de rechtbank niet gebleken dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte zich opnieuw zal schuldig maken aan strafbare feiten of dat de maatregel nodig is ter beveiliging van de maatschappij. Ook bevindt verdachte zich over het algemeen niet in Weesp en zegt hij zich te zullen onthouden van enig contact met het slachtoffer. De rechtbank zal daarom geen contact- of locatieverbod opleggen, ook niet in de vorm van een bijzondere voorwaarde.
8. De vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft € 3.557,64 gevorderd aan vergoeding van materiële schade en € 14.400,- gevorderd aan vergoeding van immateriële schade. Hij heeft verzocht de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft hij verzocht aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vordering benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat het causale verband tussen het door verdachte gepleegde feit en de door de benadeelde geleden schade onvoldoende is onderbouwd. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Zij heeft daarom verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dat verdachte vrijgesproken moet worden van het primair ten laste gelegde feit en daarmee de grondslag ontbreekt voor de door de benadeelde partij gestelde schade. De vordering is immers gebaseerd op een poging en niet op voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing.
Subsidiair heeft zij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering door de benadeelde partij hoofdzakelijk gebaseerd wordt op de psychische schade die hij heeft geleden door de eerdere daadwerkelijk plaatsgevonden ontploffingen. Het causale verband tussen het door verdachte gepleegde feit en de door benadeelde geleden psychische schade zou ontbreken. Meer subsidiair refereert de verdediging zich ten aanzien van de hoogte van de materiële schade aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade wordt verzocht een aanzienlijk lager bedrag toe te wijzen dan het gevorderde bedrag.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Causaal verband
Een benadeelde partij kan volgens artikel 51f Wetboek van Strafvordering in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die hij rechtstreeks heeft geleden door een strafbaar feit. Van rechtstreekse schade is sprake als een voldoende verband bestaat tussen enerzijds het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en anderzijds de schade. Voor de beantwoording van de vraag of zo’n verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend.
In geval van schade die bestaat in fysiek of geestelijk letsel moet het deel van die schade dat (mede) is ontstaan of verergerd door een eventuele persoonlijke predispositie van de benadeelde waarvan niet aannemelijk is dat deze zonder de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis in de toekomst zou hebben geleid tot (dat deel van) die schade, in beginsel op grond van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de aansprakelijke worden toegerekend.
Met de predispositie wordt bedoeld dat een slachtoffer voor het misdrijf al een bepaalde kwetsbaarheid of aanleg had. De reactie op een gebeurtenis die wordt teweeggebracht door de persoonlijke predispositie van het slachtoffer komt niet voor zijn rekening, maar moet aan de veroorzaker van de gebeurtenis worden toegerekend. Dit is slechts anders wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden zoals het geval dat het slachtoffer heeft nagelaten alles in het werk te stellen wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om tot het herstelproces bij te dragen.
Kortom, het feit dat een slachtoffer bijvoorbeeld al psychisch kwetsbaar was voorafgaand aan een bepaald misdrijf, maakt niet dat de schade niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Met andere woorden: de aansprakelijke persoon (verdachte) moet het slachtoffer accepteren zoals hij is. Een bijzondere lichamelijke of geestelijke gesteldheid van het slachtoffer doet aan dit uitgangspunt niet af.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er een voldoende causaal verband tussen het door verdachte gepleegde feit en de door de benadeelde geleden schade. De voorbereiding van de ontploffing kan niet anders bedoeld zijn geweest dan om [benadeelde partij] angst aan te jagen. Daarmee heeft verdachte door zijn handelen bijgedragen aan de angst van de benadeelde voor nieuwe ontploffingen en aan de onzekerheid over het ‘waarom’ daarvan. De rechtbank acht het daarom alleszins voorstelbaar dat de benadeelde ook door het handelen van verdachte geestelijk letsel heeft opgelopen. Dat ook andere gebeurtenissen (de eerdere explosies en pogingen daartoe) kunnen hebben bijgedragen aan het ontstaan van het geestelijk letsel van de benadeelde, staat voor het aannemen van een causaal verband in deze zaak niet in de weg. Verdachte heeft immers in voldoende mate bijgedragen aan het ontstaan van de schade, waardoor deze redelijkerwijs ook aan verdachte kan worden toegerekend.
Geestelijk letsel
Op grond van artikel 6:106 aanhef en sub b BW komt immateriële schade voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van letsel, aantasting van de eer en goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze. Dat sprake zou zijn van fysiek letsel of een aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde partij is niet gesteld of gebleken. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de benadeelde is aangetast in de persoon op andere wijze.
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
De benadeelde partij heeft met concrete gegevens onderbouwd dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen. Zijn psycholoog, L. Golbach, beschrijft in een brief dat sinds er ontploffingen bij zijn restaurant hebben plaatsgevonden, hij kampt met slaapproblemen, angstgevoelens, herbelevingen en suïcidale gedachten. Zij beschrijft dat deze klachten een grote impact hebben op zijn dagelijks functioneren en zijn vermogen tot ontspanning. Gelet op zijn klachten heeft zij benadeelde gediagnosticeerd met een posttraumatische-stressstoornis (PTSS) en acht zij behandeling geïndiceerd. Op grond van de aangevoerde geestelijke klachten en de daarbij horende diagnose, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en het geestelijk letsel dat de benadeelde heeft opgelopen, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 3.000,-. Daarom wijst de rechtbank € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 9 februari 2026. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.
Materiële schade
Zoals ook is beschreven onder rubriek 8.3.1. heeft [benadeelde partij] doordat hij geconfronteerd is met (dreigingen van) ontploffingen, geestelijk letsel opgelopen. Om dit geestelijk letsel te laten behandelen door een psycholoog, heeft hij een beroep moeten doen op zijn eigen risico (€ 352,51). Ook heeft hij om zijn geestelijk letsel met concrete gegevens te kunnen onderbouwen door zijn psycholoog een brief moeten laten opstellen met een beschrijving van zijn geestelijke klachten. Het betreft kosten die kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW. Deze brief heeft hem € 172,64 gekost.
Naar het oordeel van de rechtbank staat het vast dat deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit en daarom komen deze voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank wijst dan ook (€ 172,64 + € 352,51 =) € 525,15 toe aan vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
De rechtbank verklaart de benadeelde niet-ontvankelijk voor het gevorderde bedrag van € 3.000,- voor de toekomstige behandelingen bij de psycholoog, omdat dit toekomstige schade betreft.
Conclusie
Gelet op het voorgaande moet verdachte de benadeelde partij [benadeelde partij] een schadevergoeding betalen van in totaal € 3.525,15, bestaande uit € 525,15 aan vergoeding van materiële schade en uit € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 9 februari 2026.
De benadeelde wordt voor de overige gevorderde kosten niet-ontvankelijk verklaard.
Hoofdelijk
De rechtbank legt de betalingsverplichting hoofdelijk op aan verdachte, omdat hij de voorbereidingshandelingen samen met een ander heeft gepleegd. Dat betekent dat de benadeelde partij het gehele bedrag op verdachte kan verhalen. Verdachte en zijn mededader zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij de ander het hele bedrag al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 30 dagen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 46 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig dagen).
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Vordering benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.525,15 (drieduizend vijfhonderdvijfentwintig euro en vijftien cent) bestaande uit € 525,15 (vijfhonderdvijfentwintig euro en vijftien cent) aan vergoeding van materiële schade en uit € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (9 februari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor de overige gevorderde schade niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de staat € 3.525,15 (drieduizend vijfhonderdvijfentwintig euro en vijftien cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (9 februari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Voorlopige hechtenis:
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mr. J.O. Rutten en mr. E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.G. Brinkman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 september 2026.