RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/149344-25
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres]
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Ros, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.M. Steller, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat het slachtoffer, [slachtoffer] , in het kader van haar spreekrecht naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is - samengevat - tenlastegelegd dat door zijn schuld op 17 maart 2025 te [adres 7] een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en/of zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, door onder invloed van alcohol een personenauto te besturen en niet te stoppen voor een rood uitstralend verkeerslicht waardoor hij op de kruising tegen die [slachtoffer] is aangereden, dan wel (subsidiair) het zich dusdanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.
Daarnaast is aan verdachte tenlastegelegd dat hij een personenauto heeft bestuurd onder invloed van alcohol (675 µg/L).
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en de onder 2 ten laste gelegde overtreding van artikel 8 WVW wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Ten aanzien van het primaire feit 1 stelt de officier van justitie dat verdachte de in de tenlastelegging weergegeven feitelijke gedragingen heeft begaan en dat voor wat betreft de mate van schuld de combinatie van die gedragingen, mede gelet op artikel 5a, eerste lid, van de WVW, kan worden gekwalificeerd als roekeloos rijgedrag. Bij het slachtoffer is als gevolg van het ongeval sprake van tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van normale bezigheden.
Nu verdachte bovendien onder invloed was van alcohol, kan ook het onder 2 ten laste gelegde worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft geen verweer gevoerd en heeft zich wat betreft de mate van schuld gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 17 maart 2025 rijdt verdachte in een personenauto, een Volvo V50, over de [provincialeweg 1] , komende uit de richting van [adres 5] en rijdende in de richting van [adres 6] . Hij rijdt af op een stoplicht bij de kruising van de [adres 1] en de [adres 2] . Hij negeert het rode verkeerslicht en rijdt de kruising op zonder zijn snelheid te minderen. Uit een verklaring van een getuige blijkt dat het voor hem geldende verkeerslicht ongeveer 10 seconden rood licht uitstraalde.
Intussen rijdt het latere slachtoffer, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), met haar personenauto over de [provincialeweg 2] , komende uit de richting van [adres 3] en rijdende in de richting van [adres 4] .Zij passeert het verkeerslicht aan haar kant van het kruispunt, dat op dat moment op groen staat.
Vervolgens is verdachte tegen de linkerflank van de auto van [slachtoffer] aangereden.
[slachtoffer] heeft als gevolg van het ongeval een breuk in haar nekwervel opgelopen. Het letsel van [slachtoffer] is (nog) niet hersteld en zij is nog altijd onder behandeling van een fysiotherapeut en psycholoog. Haar sociale leven noch haar werk heeft zij weer volledig kunnen oppakken.
Verdachte verkeerde onder invloed van alcohol (675 μg/l).
Beoordeling van feit 1 primair (artikel 6 WVW)
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Vaststaat dat verdachte bij de kruising het voor hem geldende rode verkeerslicht heeft genegeerd en dat hij meer dan drie keer de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken. Gelet hierop, stelt de rechtbank vast dat het verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten. Hoewel duidelijk is dat in juridische zin geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, stelt de rechtbank vast dat de gevolgen van het letsel nog steeds een grote impact hebben op het leven van [slachtoffer] . De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Roekeloosheid?
De vraag is of de hiervoor genoemde gedragingen kunnen worden aangemerkt als roekeloos.
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereid ervan in de rechtspraak willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
De rechtbank zal beoordelen of de verkeersgedragingen van verdachte hieronder vallen.
Artikel 5a WVW
Dat is het geval als verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daarvoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. a) De geschonden verkeersregels
De rechtbank heeft hierboven al vastgesteld dat verdachte een rood verkeerslicht heeft genegeerd. Deze gedraging is in artikel 5a lid 1 onder g WVW uitdrukkelijk benoemd als voorbeeld van het schenden van verkeersregels. Hiermee wordt vastgesteld dat verdachte de verkeersregels heeft geschonden.
b) In ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen, waarbij ook alle omstandigheden in ogenschouw moeten worden genomen. Een dergelijke omstandigheid is, gelet op artikel 5a, tweede lid, WVW, ook de mate waarin de verdachte in een toestand verkeerde als bedoeld in artikel 8 WVW.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de verkeersregels in ernstige mate geschonden. Bij die beoordeling acht de rechtbank relevant dat verdachte een rood verkeerslicht heeft genegeerd voordat hij het kruispunt opreed, terwijl dat verkeerslicht al zo’n 10 seconden op rood stond. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat verdachte reed onder invloed van drie keer zoveel alcohol als is toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat dit samenstel van gedragingen van verdachte een ernstige mate van gevaarzettend gedrag oplevert.
c) Opzettelijk
Het opzet van verdachte – inclusief voorwaardelijk opzet – moet gericht zijn geweest op zowel het schenden van de verkeersregels als het in ernstige mate schenden van die regels. Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van voorwaardelijk opzet voor wat betreft het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Verdachte heeft bewust de keuze gemaakt om in zijn auto te stappen, terwijl hij fors onder invloed van alcohol was. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op de dag van het ongeval vanaf ongeveer 16.00 uur een kwart liter wodka en een paar flesjes bier had gedronken en vervolgens in de auto is gestapt om de – hem bekende – route naar huis te rijden. Hij verkeerde daarmee in een toestand dat hij onvoldoende in staat was een voertuig te besturen. Dit terwijl hij meermaals is veroordeeld voor het rijden onder invloed, zijn rijbewijs als gevolg daarvan meerdere malen ingevorderd is geweest en hij in ieder geval één keer een alcohol verkeerscursus opgelegd heeft gekregen en heeft gevolgd. Door toch in zijn auto te stappen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de verkeersregels in ernstige mate zou schenden en dat op de koop toe genomen. Daarmee is het opzet op de schending van de verkeersregels (in ernstige mate) gegeven.
d) Gevaar te duchten
Naar algemene ervaringsregels acht de rechtbank het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het hiervoor beschreven verkeersgedrag van verdachte. Dat dit daadwerkelijk het geval was, blijkt uit het feit dat de verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] letsel heeft opgelopen. De aanrijding is een enorme klap geweest, zo blijkt uit de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen.
Conclusie
Het voorgaande betekent dat het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van roekeloosheid, de zwaarste vorm van schuld. De rechtbank acht daarom het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen.
Beoordeling van feit 2 (rijden onder invloed van alcohol)
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3.1. is vastgesteld, ook dit feit kan worden bewezen.
5. Bewezenverklaring
1. primair
Op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 4.3.1., waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, acht de rechtbank bewezen dat verdachte:
op 17 maart 2025 te [adres 7] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de [provincialeweg 1] , zich zodanig, te weten roekeloos, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
ontstaan,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de [provincialeweg 1] , komende uit de richting van [adres 5] , en
gaande in de richting van [adres 6] ,
- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,
verdachte is niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en voor zijn verkeer geldend en al (ongeveer) 10 seconden, rood uitstralend verkeerslicht,
verdachte is vervolgens, het kruisingsvlak van de [provincialeweg 1] met de [provincialeweg 2] overgestoken,
verdachte heeft zich bij het oversteken van de kruising niet vergewist dat de kruising van de [provincialeweg 1] met de [provincialeweg 2] vrij was van enig (kruisend) verkeer,
verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
op 17 maart 2025 te [adres 7] , als bestuurder van een motorrijtuig, namelijk als bestuurder van een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 675 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
6. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
7. Motivering van de straffen
Vordering van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren zal worden opgelegd. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals door de reclassering is geadviseerd (met uitzondering van de rijontzegging). Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar zal worden opgelegd.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft bepleit geen lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen en daarom te volstaan met een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf (met oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden). Bij de strafoplegging dient de speciale preventie te prevaleren boven vergelding en de generale preventie. Verdachte is met zichzelf aan de slag gegaan en heeft de beste kliniek voor hem uitgekozen waar hij tot voor kort is behandeld voor zijn verslaving. De aankomende periode zal bestaan uit de nodige nazorg. Hiervoor is in detentie geen ruime. Ook zal verdachte bij een detentie van langer dan vier maanden zijn uitkering en daarmee ook zijn woning kwijtraken. Deze instabiliteit zal hoogstwaarschijnlijk zorgen voor een terugval in gebruik en dit dient te worden voorkomen.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft op 17 maart 2025 roekeloos rijgedrag vertoond. Hij is niet gestopt voor een voor hem rood uitstralend verkeerslicht en is een kruising opgereden waarbij hij zich er niet van heeft vergewist dat de weg voor hem vrij was, waardoor hij op de kruising tegen de auto van het slachtoffer is aangereden. Dit terwijl hij onder invloed was van een forse hoeveelheid alcohol. Het slachtoffer heeft als gevolg van het ongeluk een breuk in haar nekwervel opgelopen. Ondanks tientallen fysiobehandelingen ondervindt zij negen maanden na het ongeluk nog dagelijks de gevolgen van het letsel. Uit de slachtofferverklaring die zij ter zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat zij dagelijks hoofd- en nekpijn heeft en zij niet in staat is om haar werkzaamheden volledig uit te oefenen en het (sociale) leven te leiden zoals ze gewend was. Hiermee heeft verdachte het slachtoffer veel leed veroorzaakt, terwijl hij een meermaals gewaarschuwd mens was. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 13 november 2025, waaruit blijkt dat hij veelvuldig – waaronder drie keer in de afgelopen vijf jaren – is veroordeeld voor het rijden onder invloed van verdovende middelen en het rijden met een ingevorderd rijbewijs. Gelet op de veroordeling van 26 maart 2025 is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 30 december 2025, opgemaakt door mevrouw [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker bij Reclassering Inforsa. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven - dat het middelengebruik van verdachte een delict gerelateerde criminogene factor is. Het rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs is sinds 1990 een delictpatroon van verdachte. Hij heeft meerdere keren de cursus Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA Cursus) gevolgd bij het CBR en zijn rijbewijs is meerdere malen ingevorderd geweest. Dit heeft niet tot duurzame gedragsverandering geleid. Verder heeft verdachte geen werk omdat hij arbeidsongeschikt is en is er sprake van schuldenproblematiek. De resterende leefgebieden zijn stabiel. Verdachte heeft de wens te stoppen met middelengebruik, heeft een hulpvraag en was tot 13 januari 2026 klinisch opgenomen geweest in Zuid-Afrika. Dit heeft hij vrijwillig via zijn huisarts en zorgverzekering geregeld. Verdachte staat open voor een reclasseringskader in verband met de wens voor duurzame abstinentie en heeft behoefte aan structuur en richting in zijn leven. Gelet op het hoge risico op recidive, de hulpvraag van verdachte en specifieke aanknopingspunten om mee aan de slag te gaan ziet de reclassering meerwaarde in de inzet van een reclasseringskader. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met mogelijke kortdurende opname), aflossing schulden, meewerken aan middelencontrole en een rijontzegging.
Straffen
Bij het bepalen van de (hoogte van) de straf neemt de rechtbank als uitgangspunt het oriëntatiepunt dat rechtbanken hebben vastgesteld in het geval van het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van zeer hoge mate van schuld, tijdelijke ziekte en het gebruik van alcohol (> 570 µg/L), te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar. De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat hij roekeloos heeft gereden, dat sprake is van veelvuldige recidive en dat verdachte zich na het verkeersongeval niet heeft bekommerd om het slachtoffer. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij na het verkeersongeval heeft ingezien dat hij een ernstig middelenprobleem heeft en hiervoor vrijwillig onder behandeling is gegaan en het feit dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer vragen vanuit het oogpunt van vergelding, normbevestiging en generale preventie om de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank hecht echter ook veel waarde aan de speciale preventie: er dient te worden voorkomen dat verdachte nog een keer (soortgelijke) strafbare feiten begaat. In dit kader is van het belang dat hij zijn uitkering en woning niet verliest, omdat deze instabiliteit en gebrek aan structuur van negatieve invloed zal zijn op een duurzaam herstel. Alles afwegende acht de rechtbank gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Daarbij zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden (met uitzondering van de rijontzegging). Daarnaast ontzegt de rechtbank verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie jaren.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
ten aanzien van feit 1 primair:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet;
en ten aanzien van feit 2
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht
De veroordeelde meldt zich binnen 5 werkdagen na het na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 8] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
De veroordeelde laat zich behandelen door Inforsa Forensisch Ambulante Zorg (FAZ) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er een behandelplek beschikbaar is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor stabilisatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
Reclassering Inforsa adviseert dat de veroordeelde wordt behandeld door FAZ Inforsa of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering.
- Aflossing schulden
De veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in het verloop van zijn budgetbeheertraject met betrekking tot financiën en schulden.
- Meewerken aan middelencontrole
De veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd :
Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 (drie) jaren.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.Ş. Doğan, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en C.J.M. in ’t Veld-Vernooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. A.L. Köhler en L.J. Bekker, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2026.
[...]