ECLI:NL:RBAMS:2026:9090

ECLI:NL:RBAMS:2026:9090

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 13/263193-24 (zaak A) en 13/101386-24 (zaak B)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte wordt veroordeeld voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het rechterbovenbeen van zijn toenmalige vriendin, als gevolg waarvan zij is komen te overlijden. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld voor huisvredebreuk en wederspannigheid met enig lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank legt hem vijf jaar gevangenisstraf op. Ook legt de rechtbank hem een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op zodat ook na zijn detentie langdurig toezicht mogelijk is

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Parketnummer vordering tul: [nr_tul]

Parketnummers: 13.263193.24 en 13.101386.24 (ter terechtzitting gevoegd)

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/263193-24 (zaak A) en 13/101386-24 (zaak B)

Datum uitspraak: 10 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1997,

wonende op het adres [adres] ,

thans gedetineerd te: [verblijfsadres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 augustus 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaarding onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op een eerdere zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Zetsma en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.M. Peeperkorn naar voren hebben gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van dat wat mr. W. van Egmond namens nabestaande [nabestaande 1] en mr. Monster namens nabestaanden [nabestaande 2] en [nabestaande 3] , in zaak A naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij] in zaak B.

2. Tenlastelegging

Ten aanzien van zaak A:

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich op 16 augustus 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

primair: het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, terwijl dit feit de dood tot gevolg heeft gehad. Meer subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling, terwijl dit feit de dood tot gevolg heeft gehad.

Ten aanzien van zaak B:

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich op 24 maart 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

Feit 1: het verzetten met geweld en/of bedreiging met geweld tegen ambtenaren [benadeelde partij] en/of [ambtenaar 1] en/of [ambtenaar 2] en/of [ambtenaar 3] met enig lichamelijk letsel tot gevolg bij [benadeelde partij] .

Feit 2: het wederrechtelijk in de woning van [slachtoffer] , gelegen aan de [adres] , vertoeven en zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat het primair ten laste gelegde in zaak A wettig en overtuigend kan worden bewezen, overeenkomstig het door hem overgelegde schriftelijke requisitoir. De officier van justitie acht de doodslag op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) bewezen op grond van de processen-verbaal van bevindingen van de politie van wat zij op de plaats delict aantreffen, het sectieverslag en de verklaring van verdachte voor zover hij heeft bekend dat er een ruzie is geweest kort voor het fatale moment, welke verklaring bevestiging vindt in de getuigenverklaringen van de buren [getuige 1] en [getuige 2] . Verder wijst hij op de eerdere mutaties van huiselijk geweld, het feit dat verdachte zijn verklaringen heeft aangepast naar aanleiding van de processen-verbaal in het dossier, waarbij hij op cruciale onderdelen ronduit ongeloofwaardig, zo niet kennelijk leugenachtig heeft verklaard. Ten slotte is ook voor de overtuiging van belang het rapport van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (hierna: LOEF) waarin geconcludeerd wordt dat het steekscenario veel waarschijnlijker is dan het val/ongeluk-scenario.

Ten aanzien van zaak B kunnen beide feiten ook worden bewezen. Verdachte heeft deze feiten bekend en er ligt een aangifte van verbalisant [benadeelde partij] en daarnaast zijn er uitgebreide processen-verbaal van bevindingen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvouw heeft zich ten aanzien van zaak A op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken, overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota. Verdachte heeft ontkend dat hij iets te maken heeft met de verwonding op het been van [slachtoffer] . Hij heeft het moment dat zij gewond is geraakt niets gezien, maar heeft alleen een harde ‘boets’ gehoord waarna hij op de grond bloed, water en glasscherven zag. Vervolgens zag hij [slachtoffer] staan met een verwonding aan haar been. Zowel uit de verklaringen als gedragingen van verdachte kan dan ook niet het wettig en overtuigend bewijs worden verkregen dat hij schuldig is aan een doodslag of een (zware) mishandeling. De dochter van [slachtoffer] , [dochter] , was in de woning aanwezig, maar heeft het moment van gewond raken niet gezien. Verder was er niemand in de woning aanwezig en bevat het dossier qua verklaringen verder alleen de auditu-verklaringen.

Uit het sectieverslag en het forensisch onderzoek in de woning blijkt dat de fatale wond in het been veroorzaakt kan zijn door het met kracht steken/induwen van een scherprandig voorwerp, zoals een stuk (gebroken) glas, of een val/uitglijden in glas. Het scenario van het duwen in glas is niet verder onderzocht en kan niet worden uitgesloten. Zowel het ‘valscenario’ als het ‘steekscenario’ zijn volgens deskundigen mogelijk. Dit betekent dat op basis van de medisch forensische rapportages het steekscenario niet boven redelijke twijfel kan worden verkozen boven het valscenario. Daarnaast is het deskundigenrapport van LOEF niet goed bruikbaar om te komen tot een nauwkeurig waarschijnlijkheidsoordeel wat betreft de twee scenario’s. Dit rapport kan dan ook niet worden gebruikt voor het bewijs. Er is namelijk kritiek op de Bayesiaanse methode die is toegepast in dit rapport. Daarnaast geldt dat de rapporteur niet of nauwelijks bekend was met de feiten en omstandigheden van onderhavige zaak, althans hij heeft deze in elk geval niet kenbaar bij zijn rapport betrokken. Ook is in het rapport te veel waarde toegekend aan de drie wetenschappelijke onderzoeken die zijn gebruikt. Bovendien laat ook het rapport van LOEF ruimte voor het scenario waarbij er een ongeval heeft plaatsgevonden. Het letsel op de onderarm van [slachtoffer] kan namelijk ook goed passen bij het scenario dat zij (door een val) in de glasscherven is terechtgekomen die op de grond lagen; dit kan niet zonder meer als afweerletsel worden gezien. Ten slotte geldt dat er geen letsel aan de handen van verdachte is aangetroffen, terwijl dat letsel bij het (hard) steken met een glasscherf wel te verwachten zou zijn geweest.

Ten aanzien van zaak B heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft een bewezenverklaring van beide feiten.

Oordeel van de rechtbank

In zaak A

3.3.1.1 Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van het dossier en de wettige bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 16 augustus 2024 belt verdachte om 20:40 uur naar 112, nadat hij tussen 20:35 uur en 20:40 uur meerdere keren 122 en één keer 11 heeft gebeld. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] krijgen vervolgens rond 20:54 uur een melding om naar de [adres] te gaan waar zij als eerste ter plaatse komen. Zij zien daar – naar later blijkt – verdachte op het balkon staan en zij horen dat verdachte met paniek in zijn stem roept dat de politie moet komen omdat “het niet goed gaat”. Verbalisanten gaan naar boven en betreden de woning, waarna zij op de grond overal bloed zien liggen. In de woonkamer zien zij direct rechts een vrouw liggen. Dit blijkt [slachtoffer] te zijn. Zij zien een plas bloed om [slachtoffer] en dat er een doek om haar rechterbeen zit. Onder de doek zien zij een enorme snee in haar rechterbovenbeen, en zij merken op dat [slachtoffer] niet reageert. Zij zien dat er in de woning op de grond meerdere grote glasscherven liggen met bloed erop. Ook is [dochter] , de (op dat moment) zesjarige dochter van [slachtoffer] , in de woning aanwezig. [slachtoffer] is in de woning gereanimeerd en vervolgens naar het ziekenhuis gebracht. Op 18 augustus 2024 is zij overleden.

Uit het definitieve sectieverslag, opgesteld door forensisch patholoog dr. Soerdjbalie-Maikoe blijkt dat er twee snijletsels aan het lichaam zijn vastgesteld. Er is letsel aan het rechterbovenbeen en aan de rechteronderarm. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig en deels perforerend geweld. Dit geweld heeft in de rechterbovenbeen geleid tot perforatie van een groot slagaderlijk bloedvat. Er was daardoor uitgebreid bloedverlies. Omdat medisch handelen niet zinvol werd geacht wegens de uitzichtloze situatie, werd de behandeling na twee dagen hospitalisatie beëindigd en is de dood ingetreden. Dat geweld kan zijn opgeleverd door bijvoorbeeld een val (energetisch trauma) in een glazen structuur dat vervolgens breekt en het rechterbovenbeen heeft geperforeerd of door het met kracht steken/induwen van een scherprandig voorwerp (zoals een stuk gebroken glas) in het rechterbovenbeen.

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft wisselend verklaard, maar heeft vanaf het begin af aan ontkend iets met de verwonding te maken te hebben. Hij heeft – kort samengevat – verklaard dat terwijl hij op de bank lag, [slachtoffer] naar hem toe kwam en vroeg of hij [dochter] had geslagen. Toen hij antwoordde dat hij [dochter] alleen een corrigerende tik had gegeven, zou [slachtoffer] zijn weggelopen tussen de bank en de lage salontafel door. In zijn eerste verklaringen heeft hij gezegd dat hij vervolgens zag dat [slachtoffer] de vaas aantikte en dat hij daarna een ‘boef’ hoorde. Het letsel in het bovenbeen moet volgens hem zijn ontstaan door opspattend glas. Uit het sectieverslag volgt dat het onmogelijk is dat een ‘vliegend' of ‘opgespat’ scherprandige structuur (zoals een stuk gebroken glas) het fatale letsel aan rechterbovenbeen kan hebben veroorzaakt.

Verdachte heeft daarna zijn verklaringen gewijzigd en heeft verklaard dat [slachtoffer] in het glas moet zijn gevallen. Hij heeft een harde ‘boets’ gehoord, terwijl hij op de bank lag, waarna hij eerst naar de grond keek waar hij water en bloed zag liggen. Vrijwel direct daarna keek hij naar [slachtoffer] – die op dat moment rechtop stond – en zag dat zij een wond aan haar rechterbovenbeen had. Zij vroeg hem die wond met een doek te verbinden. Hij zag dat een vaas kapot was gevallen. Op de grond lagen glasscherven. Hij heeft verklaard dat zij moet zijn gevallen en dat door die val in het glas het letsel moet zijn ontstaan. Hij heeft [slachtoffer] echter niet op de grond zien/horen vallen en/of liggen en/of haar omhoog zien komen en/of op zien staan, terwijl de valpartij moet hebben plaatsgevonden direct naast de bank waarop verdachte zich volgens zijn eigen verklaring bevond, en aansluitend op een kort gesprek over het al dan niet slaan van [dochter] . Uit de verklaringen van verdachte volgt dat het vallen van de vaas en de val van [slachtoffer] vrijwel gelijktijdig moeten hebben plaatsgevonden omdat zij alweer rechtop stond op het moment dat verdachte na het horen van de door hem zogenaamde ‘boets’ van de vloer naar haar keek. Ook uit de getuigenverklaringen van de buren en de telefoongegevens blijkt dat de ruzie en het ontstaan van het dodelijke letsel zich binnen maximaal enkele minuten heeft voorgedaan. Gelet hierop vindt de rechtbank de door verdachte geschetste gang van zaken dat [slachtoffer] moet zijn gevallen in het glas zonder dat hij dat heeft gezien of gehoord niet aannemelijk.

Dat verdachte verder zelf geen (snij)letsel had aan zijn handen, maakt het voorgaande niet anders. Uit de rapporten van de deskundigen blijkt namelijk dat het met de blote hand toebrengen van het fatale letsel met een gebroken glasdeel, zoals dat is toegebracht bij [slachtoffer] , niet betekent dat er dan ook steeds letsel aan de hand ontstaat van de persoon die het letsel toebrengt.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het valscenario zoals dat door verdachte in zijn latere verklaringen naar voren is gebracht.

3.3.1.2 Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt vast dat verdachte en zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] op 16 augustus 2024 ruzie hadden in de woning van [slachtoffer] aan de [adres] .

Op 17 augustus 2024 heeft onderbuurman [getuige 1] verklaard dat hij in de avond van 16 augustus 2024, ongeveer 10 minuten voordat de politie kwam, een harde klap had gehoord en dat hij kort daarvoor gegil hoorde alsof iemand pijn had.

Op 22 augustus 2024 heeft [getuige 1] verklaard dat hij op 16 augustus 2024 geschreeuw heeft gehoord, waarbij het klonk alsof de bovenburen aan het vechten waren. Hij hoorde een bonk alsof er iets viel en vervolgens hoorde hij een vrouw gillen. De hele ruzie duurde misschien één of twee minuten. [getuige 1] is op 1 april 2025 bij de rechter-commissaris als getuige gehoord en daar verklaart hij dat ’s avonds drie of vier keer ‘boem’ hoorde, dat het een zwaar, stomp geluid was en dat het daarna stil was.

De rechtbank gaat uit van de eerste twee verklaringen van de getuige [getuige 1] die hij kort na het incident heeft afgelegd. Deze verklaringen heeft hij niet alleen zeer kort na het incident afgelegd, maar deze verklaringen komen op essentiële punten met elkaar overeen. Dat [getuige 1] enkele maanden later bij de rechter-commissaris heeft verklaard – nadat hij door de rechter-commissaris er expliciet op is gewezen dat hij alleen moet verklaren wat hij zich kan herinneren – dat hij de gil niet heeft gehoord, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de eerste twee verklaringen niets af.

De verklaringen van [getuige 1] , dat er sprake was van een ruzie, worden daarnaast ondersteund door de verklaring van overbuurvrouw [getuige 2] . De overbuurvrouw, die vanuit haar tuin zicht heeft op het balkon van de [adres] , heeft verklaard dat zij op 16 augustus 2024 in haar tuin stond en vanuit deze woning geschreeuw hoorde. Zij hoorde dat er een ruzie plaatsvond in de keuken en hoorde hierbij een man hard schreeuwen. Hierna zou de ruzie zich verplaatst hebben naar de woonkamer. Kort hierna hoorde zij twee- of driemaal hard gegil komen uit de woning. Hierna zag zij overal in de straat politie en ambulance aan komen rijden.

Uit de verklaring van getuige [getuige 3] blijkt dat zij op 16 augustus 2024 om 20:16 uur door [slachtoffer] is gebeld en dat het gesprek 14 minuten heeft geduurd. Dit volgt ook uit het onderzoek naar haar belgeschiedenis en dat betekent dat zij tot 20:30 uur met elkaar hebben gebeld. Om 20:34 uur heeft verdachte de getuige [getuige 3] voor het eerst gebeld, maar toen is geen verbinding tot stand gekomen. Kort daarop heeft hij getuige [getuige 3] aan de lijn gehad en in dat gesprek heeft verdachte haar verzocht om naar de woning te komen. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat het fatale letsel tussen 20:30 uur en 20:34 uur is ontstaan.

Hoewel zich in het dossier belastende verklaringen bevinden over wat [dochter] aan hen heeft verteld, dan wel heeft voorgedaan, zal de rechtbank deze verklaringen niet voor het bewijs gebruiken. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen waar [dochter] zich in de woning bevond op het moment dat haar moeder gewond is geraakt. De rechtbank zal daarom haar verklaringen en evenmin de hieraan gerelateerde de auditu-verklaringen gebruiken voor het bewijs, zodat deze verklaringen geen verdere bespreking behoeven.

Uit het sectieverslag blijkt dat het letsel op de arm en het bovenbeen van [slachtoffer] bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig en deels perforerend geweld. Het geweld op de binnenzijde van het bovenbeen moet met kracht hebben plaatsgevonden om de dikke beenspier te doorboren en rond 4 à 5 centimeter diepte de slagader van het been te raken.

Conclusie

De rechtbank sluit gelet op het voorgaande een ongeval (het door verdachte geschetste valscenario) uit en houdt verdachte verantwoordelijk voor het toegebrachte letsel. Vast staat dat – gelet op de diepe snijwond – met een scherprandig voorwerp de nodige kracht is gebruikt om aan de binnenzijde van het bovenbeen zover door te dringen dat er een slagaderlijke bloeding is ontstaan. Dat de rechtbank niet kan vaststellen hoe het letsel exact is toegebracht, of [slachtoffer] is gestoken, dan wel gesneden of dat [slachtoffer] in het scherpe voorwerp is geduwd, doet daar niet aan af. Ten gevolge van het letsel dat tijdens deze ruzie is ontstaan is [slachtoffer] twee dagen later overleden.

De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte op 16 augustus 2024 met een scherp voorwerp een snij- en/of steekwond in het rechterbovenbeen van [slachtoffer] heeft toegebracht als gevolg waarvan zij is overleden.

Vrijspraak primair ten laste gelegd

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door haar met een scherp voorwerp in haar rechterbovenbeen te steken en/of te snijden en/of te prikken. De rechtbank zal de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde feit

De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een snij- en/of steekwond in het rechterbovenbeen van heeft toegebracht met een scherp voorwerp.

Bij de opzet tot het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel gaat de rechtbank uit van voorwaardelijk opzet. Het toebrengen van diep letsel met een scherp voorwerp in het bovenbeen, in de nabijheid van de lies, levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel, zoals een slagaderlijke bloeding of een doorsnijding van zenuwen, oploopt. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht dan ook het subsidiair ten laste gelegde bewezen.

Conclusie

Alles afwegende, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aan [slachtoffer] toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, terwijl dit de dood tot gevolg heeft gehad.

Zaak B

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank vindt op grond van het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] , het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [benadeelde partij] en [ambtenaar 2] , het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [ambtenaar 1] en [ambtenaar 3] , de letselverklaring van de GGD Amsterdam en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid, terwijl het misdrijf lichamelijk letsel aan [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank vindt op grond van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [benadeelde partij] en [ambtenaar 2] , het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [ambtenaar 1] en [ambtenaar 3] en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt het wederrechtelijk vertoeven in de woning van [slachtoffer] aan de [adres] en zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

Bewijsmiddelen feit 1 en 2

Omdat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en de raadsvrouw ten aanzien van dit feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan ingevolge artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in een bijlage (bijlage II) die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingelast. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw behoeft dit oordeel geen verdere motivering.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van zaak A, feit 1 subsidiair:

hij op 16 augustus 2024 te Amsterdam, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snij- en/of steekwond in haar rechterbovenbeen, heeft toegebracht met een scherp voorwerp, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Ten aanzien van zaak B

Ten aanzien van feit 1

op 24 maart 2024 te Amsterdam, zich met geweld heeft verzet tegen een of meerdere politieambtenaren, te weten [benadeelde partij] en [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] en [ambtenaar 3] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten als politieagenten bij de aanhouding van die [verdachte] ,

door

- zich meerdere malen met kracht (proberen) los te trekken bij het aanleggen van transportboeien en bij het begeleiden van die [verdachte] naar de uitgang van de woning, door zijn lichaam heen en weer te bewegen en

- het bijten in het rechterbovenbeen van die [benadeelde partij] , terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een verwonding in het rechterbovenbeen bij die [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad;

Ten aanzien van feit 2

op 24 maart 2024 te Amsterdam in de woning gelegen aan de [adres] bij [slachtoffer] , wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair in zaak A en feit 1 en 2 in zaak B zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie de toepassing van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM-maatregel) op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, zoals ook geadviseerd door de reclassering. Op die manier kan richting het einde van de straf gekeken worden of en – in het geval dat nodig is – hoe er invulling gegeven moet worden aan een eventuele gedragsinterventie om een verantwoorde terugkeer in de maatschappij mogelijk te maken.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte slechts één keer is veroordeeld voor huiselijk geweld. Andere meldingen zijn niet voor de rechter gebracht en verdachte is hier ook niet over gehoord. Daarnaast heeft een vriendin van [slachtoffer] , met wie zij vrijwel dagelijks contact had, verklaard dat zij wat betreft [slachtoffer] en verdachte niet bekend was met huiselijk geweld en/of een giftige relatie. De raadsvrouw heeft verder verzocht de GVM-maatregel niet op te leggen. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden, en uit het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC-rapport) blijkt niet of er sprake is van de doorwerking van een psychische stoornis op het ten laste gelegde en er wordt geen advies gegeven over een behandeling in een strafrechtelijk kader. Nu er op dit moment geen mogelijkheden zijn tot het beperken van risico’s of het veranderen van gedrag, zal dat na ommekomst van een eventuele gevangenisstraf niet anders zijn. Bovendien is er geen sprake van een hoog recidiverisico, zoals de wetsgeschiedenis vereist.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft met een scherp voorwerp zwaar lichamelijk letsel toegebracht aan het rechterbovenbeen van [slachtoffer] , zijn toenmalige vriendin, als gevolg waarvan zij is komen te overlijden. Bijzonder verdrietig is ook dat de op dat moment zesjarige dochter van [slachtoffer] in de woning aanwezig was en dat zij heeft gezien hoe haar moeder op de grond lag en dat zij niet meer op haar reageerde. Door toedoen van verdachte is [slachtoffer] overleden waardoor de nabestaanden, waaronder haar moeder, haar dochter en haar zoon, onherstelbaar leed en intens verdriet is aangedaan, zoals ook ter terechtzitting tijdens de uitoefening van het spreekrecht is gebleken.

Geweldsincidenten als deze dragen in zeer sterke mate bij aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Dergelijk geweld door een (ex-)partner tegen een vrouw/meisje wordt gepleegd, vormt een groot maatschappelijk probleem. Dit zijn zeer ernstige feiten die de samenleving in ernstige mate schokken. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk door op een eerder moment in de woning van [slachtoffer] te zijn, terwijl hij daar niet mocht zijn. Na vordering van de verbalisanten om de woning te verlaten, is hij – nadat hij niet meewerkte – aangehouden. Vervolgens ging hij bij zijn aanhouding (agressief) in verzet en heeft hij daarbij een van de verbalisanten in haar been gebeten. De verbalisant die is gebeten heeft hieraan een blauwe plek overgehouden. Huisvredebreuk en wederspannigheid zijn, hoewel de ernst daarvan in het niet valt bij de dood van [slachtoffer] , vervelende feiten. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte het werk van de politie bemoeilijkt en heeft hij laten zien dat hij geen respect heeft voor het bevoegd gezag.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 16 januari 2026 door dr. G. Veen, psychiater, en J.E.P. Kruikemeier, psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC).

Uit het rapport volgt – kort samengevat – dat verdachte opgroeide in een context waarin hij, mede door zijn lage intelligentie, structureel overvraagd moet zijn geweest en waarin onvoldoende ondersteuning, begrenzing en adequaat voorbeeldgedrag aanwezig waren. Zijn agressieve gedrag is voor hem een functioneel copingmechanisme om zich staande te houden in situaties die hij zowel cognitief als emotioneel onvoldoende kan overzien. Bij oplopende spanning beschikt verdachte over beperkte cognitieve copingvaardigheden en valt hij terug op meer primitieve, impulsieve en emotioneel gedreven gedragsreacties, waaronder agressie en ander externaliserend gedrag. Er zijn emotieregulatieproblemen, waarbij vooral de gestoorde agressieregulatie tot problemen in de omgang met andere mensen leidt. De gewetensfuncties en empathische vermogens lijken daarnaast onvoldoende ontwikkeld. Er is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waarbij de beperkingen voornamelijk gelegen zijn in de persoonlijkheidsopbouw en de intelligentie. Ook is sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis, in gedeeltelijke remissie in een gereguleerde omgeving. Ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten waren zowel de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens als de stoornis in het gebruik van cannabis aanwezig.

Aangezien verdachte het feit in zaak A ontkent en ook het strafdossier onvoldoende beeld geeft, zijn de onderzoekers niet gekomen tot een delictscenario. Om deze reden onthouden de onderzoekers zich van een advies over de mate van toerekening. Ook in zaak B kan niet tot een advies over de mate van toerekenen worden gekomen. Gelet hierop kunnen de onderzoekers ook in deze zaak geen advies uitbrengen voor een behandeling in een strafrechtelijk kader ter vermindering van eventueel recidivegevaar.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van 13 maart 2026, opgemaakt door C.S. Pruis en C. Jacobs. De reclassering heeft in haar rapport van 13 maart 2026 gerapporteerd dat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Bij een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseren zij een GVM-maatregel op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de gevangenisstraf. Zo is er de mogelijkheid om na een eventueel VI- traject nog interventies en begeleiding vanuit de reclassering in te zetten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 24 januari 2024. Hieruit blijkt dat verdachte eerder veroordeeld is voor een mishandeling (huiselijk geweld). Verder blijkt dat ten aanzien van zaak B artikel 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht aan de orde is.

De op te leggen straf

Alles afwegende acht de rechtbank voor zowel zaak A als zaak B een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu zij verdachte vrijspreekt van het onder zaak A primair ten laste gelegde feit.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Oplegging GVM-maatregel

Op basis van het PBC-rapport, het reclasseringsrapport en het strafblad is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling. Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum komt naar voren dat bij oplopende spanning verdachte beschikt over beperkte copingvaardigheden en dat hij terugvalt op meer primitieve, impulsieve en emotioneel gedreven gedragsreacties, waaronder agressie en externaliserend gedrag. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om na de gevangenisstraf langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, mocht daartoe een noodzaak blijken. De rechtbank constateert verder dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een GVM-maatregel is voldaan. De rechtbank zal daarom, in navolging van het advies van de reclassering, ook de GVM-maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8. Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen

Ten aanzien van zaak A

Vordering [nabestaande 1] (moeder [slachtoffer] )

Namens [nabestaande 1] is door haar advocaat, mr. Van Egmond, een vordering tot schadevergoeding ingediend.

[nabestaande 1] vordert primair een totaalbedrag van € 46.817,30. Dit bedrag bevat € 19.317,30 aan vergoeding van materiële schade en € 27.500 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade omvat de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de uitvaart (€ 9.062,30), de grafsteen (€ 6.200,-), vergunning van de steen (€ 455,-) en de toekomstige grafrechten voor 20 jaar (€ 3.600,-). De immateriële schade omvat affectieschade (€ 17.500,-) en schokschade (€ 10.000,-). Subsidiair wordt verzocht de schade te schatten op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Ter onderbouwing van de schokschade heeft [nabestaande 1] een verklaring van haar huisarts overlegd.

Vorderingen [nabestaande 3] (dochter [slachtoffer] ) en [nabestaande 2] (zoon [slachtoffer] )

Namens [nabestaande 3] en [nabestaande 2] is door hun advocaat, mr. Monster, een vordering tot schadevergoeding ingediend.

[nabestaande 3] (hierna: [dochter] ) vordert primair een totaalbedrag van € 58.800,-. Dit bedrag omvat € 8.800,- aan vergoeding van materiële schade en € 50.000 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en voorts wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. De materiële schade omvat derving levensonderhoud door [slachtoffer] . De immateriële schade omvat affectieschade (€ 20.000,-) en schokschade (€ 30.000,-). Subsidiair wordt verzocht de schade te schatten op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is verzocht een toegekende schadevergoeding uit te keren op een bankrekening met een zogeheten BEM-clausule.

[nabestaande 2] (hierna: [nabestaande 2] ) vordert primair een totaalbedrag van € 41.800,-. Dit bedrag bevat € 3.300,- aan vergoeding van materiële schade en € 38.500 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade omvat derving levensonderhoud door [slachtoffer] . De immateriële schade bevat affectieschade (€ 20.000,-) en schokschade (€ 18.500,-). Subsidiair wordt verzocht de schade te schatten op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is verzocht een toegekende schadevergoeding uit te keren op een bankrekening met een zogeheten BEM-clausule.

Ter onderbouwing van de schokschade van [nabestaande 2] en [dochter] zijn verklaringen van Levvel overlegd.

Standpunt van partijen ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen [nabestaande 1] , [nabestaande 3] en [nabestaande 2]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen in zijn geheel toegewezen kunnen worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente. De vorderingen zijn uitvoerig onderbouwd en de gevorderde bedragen zijn redelijk.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen benadeelde partij niet ontvankelijk moeten worden verklaard gelet op het gevoerde vrijspraakverweer. Subsidiair worden de vorderingen van de benadeelde partijen, behalve voor zover zij zien op de schokschade, niet betwist. Ten aanzien van de gevorderde schokschade van [nabestaande 1] heeft de raadsvrouw verzocht deze te matigen gelet op de gevorderde affectieschade. Wat betreft de gevorderde schokschade van [nabestaande 3] en [nabestaande 2] , is het standpunt van de raadsvrouw dat deze vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. Ter onderbouwing van de schokschade zijn er verklaringen overgelegd van een gedragswetenschapper en een superviserend orthopedagoog bij Levvel. Niet kan worden vastgesteld dat de gedragswetenschapper of superviserend orthopedagoog wordt gekwalificeerd als een ‘ter zake bevoegde en bekwame deskundige’, zoals de Hoge Raad vereist. Zo blijkt uit de stukken niet wat voor een opleiding zij hebben genoten.

Oordeel van de rechtbank

Inleidende opmerkingen

Affectieschade

Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade te vorderen. Affectieschade is op grond van het Burgerlijk Wetboek slechts toewijsbaar aan een beperkte kring van personen, zoals bepaald in artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Voor de vergoeding van affectieschade vaste bedragen zijn vastgesteld in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.

Schokschade

Schokschade komt voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door (i) het waarnemen van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:958) volgt dat het recht op vergoeding van deze schade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.

Vordering [nabestaande 1]

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De rechtbank zal daarom de gevorderde materiële schade toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Affectieschade

De rechtbank stelt vast [nabestaande 1] als moeder van de overleden [slachtoffer] tot de kring van gerechtigden behoort die aanspraak kunnen maken op affectieschade. Op grond van artikel 1 van dit besluit kan een vergoeding van € 17.500,00 euro worden toegewezen aan de ouder van een overleden meerderjarig niet thuiswonend kind. De rechtbank stelt vast dat het overleden slachtoffer niet bij de benadeelde partijen inwoonde en dat de hiervoor genoemde categorie dan ook van toepassing is. De rechtbank zal de vordering van de affectieschade toewijzen tot een bedrag van

€ 17.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Schokschade

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [nabestaande 1] voldoende met stukken is onderbouwd. De moeder van [slachtoffer] heeft onverwacht te horen gekregen dat haar dochter in het AMC was opgenomen met levensbedreigende verwondingen en in comateuze toestand verkeerde. Tevens heeft zij in het ziekenhuis moeten aanschouwen hoe de pogingen van het medisch personeel om [slachtoffer] in leven te houden uiteindelijk tevergeefs waren. Uit het verslag van de huisarts blijkt dat zij is verwezen naar een psycholoog vanwege PTSS-klachten. Nu de vordering is onderbouwd, de vordering niet gemotiveerd is betwist en de rechtbank het gevorderde bedrag redelijk vindt, wijst de rechtbank de vordering tot vergoeding van de schokschade in zijn geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [nabestaande 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Vordering [nabestaande 3] en [nabestaande 2]

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partijen door het onder feit 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vorderingen zijn niet betwist. De rechtbank zal daarom de gevorderde materiële schade toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Affectieschade

De rechtbank stelt vast [nabestaande 3] en [nabestaande 2] als minderjarige kinderen van de overleden [slachtoffer] tot de kring van gerechtigden behoort die aanspraak kunnen maken op affectieschade. De vordering is niet betwist. Op grond van artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade kan een vergoeding van € 20.000,00 euro worden toegewezen aan een minderjarig kind waarvan de ouder is overleden door een misdrijf. De rechtbank zal de vorderingen van de affectieschade dan ook toewijzen tot een bedrag van elk € 20.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Schokschade

De rechtbank is van oordeel dat ook de vordering tot schokschade voldoende is onderbouwd. In het geval van [dochter] geldt dat zij aanwezig was in de woning toen het feit heeft plaatsgevonden en heeft zij haar moeder toen nog gezien. Zowel [dochter] als [nabestaande 2] hebben hun moeder in het ziekenhuis gezien.

Een gedragswetenschapper en een superviserend orthopedagoog bij Levvel hebben -in aanvulling op de eerdere brief van de gedragswetenschapper – naar voren gebracht dat wat hen betreft vaststaat dat [nabestaande 2] en [dochter] psychische schade hebben opgelopen als direct gevolg van het overlijden van hun moeder. Dit is vastgesteld op basis van de Kind en Jeugd Trauma Screener, dossierinformatie en de gesprekken die met beide kinderen zijn gevoerd. Beide kinderen hebben last van traumagerelateerde stressklachten en ook stagneren zij beiden in hun ontwikkeling. Gelet hierop zullen zij op korte termijn starten met therapie. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gedragswetenschapper en superviserend orthopedagoog bevoegde en bekwame deskundigen die psychische schade bij kinderen kunnen vaststellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gevorderde schokschade kan worden toegewezen. Nu de gevorderde vergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de rechtbank de gevorderde schokschade in zijn geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [nabestaande 3] en [nabestaande 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

BEM-clausule

De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [nabestaande 3] , geboren op [geboortedatum] en [nabestaande 2] , geboren op [geboortedatum] , te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (BEM is een afkorting van ‘Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen’). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot het moment dat de minderjarige achttien jaar is.

Ten aanzien van zaak B

Vordering [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 42,40 aan vergoeding van materiële schade en € 1000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten van partijen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.

De raadsvrouw heeft de gevorderde materiële schade niet betwist. Ten aanzien van de verzochte immateriële schade, heeft zij verzocht het bedrag te matigen en het overige deel af te wijzen of niet-ontvankelijk te verklaren.

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De rechtbank zal daarom de gevorderde materiële schade toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Ook staat vast dat aan de benadeelde partij immateriële schade is toegebracht omdat de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden dat zij een blauwe plek heeft opgelopen op het been door het bijten van verdachte en spierpijn in de rug en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 350,-. De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38z, 57, 63 (oud), 138, 181 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A subsidiair ten laste gelegde en in zaak B feit 1 en feit 2 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A:

Subsidiair:

zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Ten aanzien van zaak B:

Ten aanzien van feit 1:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Ten aanzien van feit 2:

wederrechtelijk in de woning vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt aan verdachte op de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van zaak A:

Vordering [nabestaande 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] toe tot een bedrag van € 19.317,30 (zegge: negentienduizend driehonderdzeventien euro en dertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 27.500,- (zegge: zevenentwintigduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 16 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [nabestaande 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 1] aan de € 46.817,30 (zegge: zesenveertigduizend achthonderdzeventien euro en dertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 16 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 213 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering [nabestaande 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 3] toe tot een bedrag van € 8.800,- (zegge: achtduizend achthonderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 50.000,- (zegge: vijftigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 16 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [nabestaande 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 3] aan de € 58.800,- (zegge: achtenvijftigduizend achthonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 16 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 254 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

BEM-clausule

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding (van € 58.800,- (zegge: achtenvijftigduizend achthonderd euro)) zal worden gestort op een ten behoeve van [nabestaande 3] , geboren op [geboortedatum] , te openen rekening met een BEM-clausule.

Vordering [nabestaande 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2] toe tot een bedrag van € 3.300,- (zegge: drieduizend driehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 38.500,- (zegge: achtendertigduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 16 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [nabestaande 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 2] aan de € 41.800,- (zegge: eenenveertigduizend achthonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 16 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 197 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

BEM-clausule

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding (van € 41.800,- (zegge: eenenveertigduizend achthonderd euro)) zal worden gestort op een ten behoeve van [nabestaande 2] , geboren op [geboortedatum] , te openen rekening met een BEM-clausule.

Ten aanzien van zaak B:

Vordering [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 42,20 (zegge: tweeënveertig euro en twintig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 350,- (zegge: driehonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 24 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de immateriële schade voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 392,20 (zegge: driehonderdtweeënnegentig euro en twintig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 24 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Oldekamp, voorzitter,

mrs. J. Thomas en A.M. Grüschke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. Oldekamp

Griffier

  • mr. A.A.B. Fransen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand