RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/098878-22
Datum uitspraak: 10 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1990,
wonende op het adres [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. U.A.E. Weitzel, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. A.J.C.M. de Graaff, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan:
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. Verdachte werd financieel onderhouden door de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Zij beschikten beiden slechts over beperkte legale inkomsten, terwijl verdachte gedurende langere tijd de beschikking had over een woning, luxe goederen en andere uitgaven die met deze legale inkomsten niet konden worden verklaard. De wijze waarop onder meer de huurbetalingen na contante stortingen via bankrekeningen van haar broer en haar minderjarige zoon verliepen, vormt een belangrijke aanwijzing dat verdachte wist dat het geld niet uit legale bron afkomstig was. Gelet op de omvang en duur kunnen ook het medeplegen en het gewoontekarakter van het witwassen bewezen worden verklaard.
Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat [naam 2] (hierna: [naam 2] ) de arbeidsovereenkomst en werkgeversverklaring betreffende een niet-bestaand dienstverband van verdachte bij NS Group B.V. aan Stichting Dudok Wonen heeft verstrekt om de huurwoning aan de [adres] te verkrijgen. Uit de communicatie tussen verdachte en [naam 2] volgt dat verdachte wist dat de stukken vals waren en waarvoor deze zouden worden gebruikt. Ook het medeplegen kan daarom worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 1 en daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist dat de geldbedragen en goederen onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig waren. Daarvoor is onvoldoende dat [naam 1] verdachte financieel onderhield en dat zij boven haar stand leefde. In de onderzochte chatberichten zijn geen berichten aangetroffen over een criminele herkomst van het geld en verdachte zag [naam 1] niet dagelijks.
Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 betoogd dat geen sprake is van medeplegen. De rol van verdachte bestond hoofdzakelijk uit het gebruikmaken van de woning en de daarin aanwezige goederen. Dat is een te passieve rol om te kunnen spreken van een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman opgemerkt dat uit de berichten in het dossier kan worden opgemaakt dat verdachte wist dat de gang van zaken niet helemaal in de haak was. Hij heeft daarbij gewezen op haar toenmalige leeftijd en de invloed van [naam 1] en [naam 2] . Voor feit 2 is geen afzonderlijk vrijspraakverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de haar onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en overweegt als volgt.
Aanleiding
Verdachte is in beeld gekomen in het opsporingsonderzoek April, dat aanvankelijk was gericht op [naam 1] . Op 3 februari 2020 is de woning aan de [adres] , waar verdachte met haar zoon verbleef, doorzocht. In de woning zijn grote hoeveelheden kostbare goederen aangetroffen. Vervolgens is onderzoek gedaan naar de financiële positie van verdachte en [naam 1] , de betaling van de huur en de inrichting van de woning en verschillende andere uitgaven. Daarbij is ook naar voren gekomen dat voor het verkrijgen van de woning een arbeidsovereenkomst en een werkgeversverklaring op naam van verdachte bij NS Group B.V. zijn gebruikt.
Beoordeling van feit 1 (medeplegen van gewoontewitwassen)
Juridisch kader witwassen
Voor een bewezenverklaring van witwassen is niet vereist dat kan worden vastgesteld uit welk concreet misdrijf een voorwerp afkomstig is. Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband kan worden gelegd met een bepaald misdrijf, kan het bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Het is aan het Openbaar Ministerie om feiten en omstandigheden aan te dragen die een dergelijk vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Als dat vermoeden gerechtvaardigd is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Daarmee wordt de bewijslast niet op de verdachte gelegd. Als de verdachte zo een verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om daarnaar nader onderzoek te doen. Mede aan de hand van de resultaten daarvan moet vervolgens worden beoordeeld of ondanks die verklaring kan worden vastgesteld dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechtbank die omstandigheid bij haar bewijsoordeel betrekken.
Toepassing van het beoordelingskader
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in 2019 over zeer beperkte legale inkomsten beschikte. Zij ontving in dat jaar € 8.802,- van de gemeente Amsterdam en had daarnaast een negatief studentenkrediet. Ook [naam 1] beschikte in de relevante periode slechts over beperkte aantoonbare legale inkomsten. Daartegenover staan de in de bewezenverklaring genoemde huurbetalingen, verbouwingskosten, elektronica, designertassen, horloges, merkkleding en schoenen, kosten van een verjaardagsfeest en een kostbare ketting, met gezamenlijk een waarde van ongeveer € 167.000,-.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij naast haar bijstandsuitkering geen andere inkomsten had. Zij heeft verklaard dat [naam 1] de huur, de verbouwing en de homecinemaset betaalde, dat de dure herenkleding en de Louis Vuitton-tassen van hem waren en dat zij één van de Rolex-horloges cadeau heeft gekregen. Ook heeft zij verklaard dat het geld waarmee de huur via de rekening van haar broer werd betaald, en waarschijnlijk ook het geld op de rekening van haar zoon, van [naam 1] kwam.
De bankgegevens laten zien dat verschillende huurbetalingen werden voorafgegaan door contante stortingen op de bankrekeningen van de broer en de minderjarige zoon van verdachte. Op 9 januari 2020 ontving verdachte € 1.491,20 van de rekening van haar zoon en betaalde zij één minuut later hetzelfde bedrag aan Goois Wonen B.V. Voor de zeer omvangrijke luxe uitgaven en goederen zijn op de betaalrekeningen van verdachte en [naam 1] geen daarmee corresponderende legale geldstromen aangetroffen.
Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, rechtvaardigen het vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat de bewezenverklaarde geldbedragen en goederen uit enig misdrijf afkomstig waren. De verklaring van verdachte dat het geld en veel van de goederen van [naam 1] kwamen, geeft wel aan van wie zij die ontving, maar biedt geen concrete en verifieerbare verklaring voor een legale herkomst. Voor zover verdachte heeft verklaard dat zij dacht dat [naam 1] een eigen bedrijf had, heeft zij die verklaring niet nader kunnen concretiseren: zij heeft nooit iets van dat bedrijf gezien en wist niet om wat voor bedrijf het zou gaan. Het financiële onderzoek naar [naam 1] laat bovendien geen legale inkomsten zien die de omvang van de uitgaven kunnen verklaren. De rechtbank concludeert daarom dat de bewezenverklaarde geldbedragen en goederen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.
De rechtbank is ook van oordeel dat verdachte wist van die criminele herkomst. Dat oordeel berust niet alleen op het feit dat verdachte geen vragen aan [naam 1] heeft gesteld. Van belang is de combinatie van de uitzonderlijke omvang van de verstrekkingen, de lange periode waarin verdachte daarvan profiteerde, haar zeer beperkte eigen inkomsten, de eveneens ontoereikende legale inkomsten van [naam 1] , de contante wijze van betalen en de constructie waarbij huurbetalingen via bankrekeningen van haar broer en haar minderjarige zoon liepen.
Verdachte was bovendien zelf actief betrokken bij uitgaven voor de woning: uit haar telefoon blijkt dat zij rechtstreeks contact had over de verbouwing en daarbij bedragen en betalingswijzen afsprak. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank haar verklaring dat zij ervan uitging dat alles uit legale middelen van [naam 1] werd betaald niet geloofwaardig. Het verweer dat wetenschap van de criminele herkomst ontbreekt, wordt verworpen.
Voor zover de herkomst van geldbedragen is verhuld, ziet de rechtbank in het bijzonder op de wijze waarop contante gelden via bankrekeningen van anderen werden omgezet in girale huurbetalingen aan de verhuurder. Verdachte was de huurder en uiteindelijke begunstigde van deze betalingen en heeft zelf een huurbetaling verricht onmiddellijk nadat het bedrag vanaf de rekening van haar minderjarige zoon op haar rekening was ontvangen. In samenhang met haar verklaring dat [naam 1] de huur betaalde en dat het via haar broer betaalde geld van [naam 1] kwam, acht de rechtbank bewezen dat zij ook aan dit onderdeel van het witwassen bewust heeft deelgenomen.
Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Aan die maatstaf is hier voldaan. [naam 1] stelde gedurende langere tijd geldbedragen en kostbare goederen ter beschikking. Verdachte aanvaardde en gebruikte die middelen, woonde in de daarmee betaalde en ingerichte woning, had de daar aanwezige goederen in haar machtssfeer en was zelf betrokken bij de huurbetaling, de verbouwing en andere uitgaven. Een deel van de luxe goederen werd door haarzelf gedragen of gebruikt en de kostbare ketting werd door haar zoon gedragen. Het geheel van deze gedragingen gaat duidelijk verder dan het enkel passief aanwezig zijn bij of profiteren van gedragingen van een ander. De bijdrage van verdachte was van voldoende gewicht en was verweven met de bijdrage van [naam 1] . Het medeplegen is daarom bewezen.
Ten slotte gaat het niet om één incidentele witwashandeling, maar om een groot aantal geldbedragen, betalingen en goederen, verspreid over een langere periode en met een zeer aanzienlijke totale waarde. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
De rechtbank leest het in de tenlastelegging onder het zevende gedachtestreepje genoemde totaalbedrag van € 4.658,13 verbeterd als € 4.558,13. Uit de aan dit totaalbedrag ten grondslag liggende overeenkomst met Brasa & Our Voice Studios blijkt dat het huurbedrag € 1.350,00 bedraagt en niet € 1.450,00, zoals is geverbaliseerd in het proces-verbaal op pagina 329 van het dossier. De rechtbank beschouwt het in de tenlastelegging opgenomen bedrag daarom als een kennelijke misslag. Verdachte is door deze verbeterde lezing niet in haar verdediging geschaad.
Beoordeling van feit 2 (medeplegen van gebruik maken van vals geschrift)
Artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar het opzettelijk gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst. Van gebruikmaken in deze zin is sprake wanneer het geschrift zelf als middel tot misleiding tegenover een derde wordt gebruikt. Het opzet moet zowel zijn gericht op het gebruik van het geschrift als op het valse of vervalste karakter daarvan. Voorwaardelijk opzet kan voldoende zijn.
De werkgeversverklaring van 26 juli 2019 vermeldt dat verdachte bij NS Group B.V. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had. De arbeidsovereenkomst van 1 juli 2018 vermeldt dat verdachte met ingang van die datum voor onbepaalde tijd bij NS Group B.V. in dienst trad. De Belastingdienst is echter niet bekend met een dienstverband van verdachte bij NS Group B.V. Verdachte heeft bovendien ter terechtzitting verklaard dat zij naast haar bijstandsuitkering geen andere inkomsten had. De rechtbank acht daarom bewezen dat de werkgeversverklaring en de arbeidsovereenkomst vals waren.
De stukken waren naar hun aard bestemd om tegenover een verhuurder bewijs te leveren van de arbeids- en inkomenspositie van verdachte. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [naam 2] de getekende arbeidsovereenkomst en werkgeversverklaring aan verdachte heeft verstrekt in het kader van de bemiddeling voor de woning. Vervolgens heeft [naam 2] op 3 oktober 2019 deze twee stukken als bijlagen aan Stichting Dudok Wonen gestuurd. Daarmee zijn de geschriften zelf als middel tot misleiding tegenover een derde gebruikt als waren zij echt en onvervalst.
De rechtbank acht ook het opzet van verdachte bewezen. Verdachte wist dat zij geen dienstverband en geen daaruit voortvloeiend inkomen bij NS Group B.V. had. Niettemin ontving zij van [naam 2] een getekende arbeidsovereenkomst en een getekende werkgeversverklaring op haar eigen naam en werkte zij verder mee aan het verkrijgen van de woning.
Ter terechtzitting heeft verdachte over de wijze waarop zij de woning verkreeg verklaard dat [naam 1] had gezegd dat hij een huis voor haar kon regelen, dat zij blij was, er niet veel achter heeft gezocht en dacht: "ik teken gewoon". Ook heeft zij verklaard dat zij dacht dat [naam 1] het wel zou regelen. Verdachte kende haar eigen werk- en inkomenssituatie en heeft desondanks bewust meegewerkt aan het traject waarin de valse stukken voor haar woningaanvraag werden gebruikt.
Ook het medeplegen is bewezen. [naam 2] trad op als bemiddelaar, verstrekte de valse stukken aan verdachte en legde deze namens haar over aan Dudok Wonen. Verdachte was degene ten behoeve van wie de stukken waren opgesteld en gebruikt, ontving de stukken, zette de woningaanvraag voort en ondertekende vervolgens de huurovereenkomst. Hun handelingen waren op elkaar afgestemd en gezamenlijk gericht op het verkrijgen van de woning met gebruikmaking van de valse arbeidsgegevens. Daarmee is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en van een bijdrage van verdachte van voldoende gewicht.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
in de periode 1 januari 2019 tot en met 27 maart 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, (van) voorwerpen, te weten:
- girale geldbedragen van in totaal EUR 10.103,36, hetgeen door met gebruikmaking van diverse bankrekeningen, op naam van [naam 3] (bankrekeningnummer [rekeningnummer] ), [naam 4] (bankrekeningnummer [rekeningnummer] ) en [verdachte] (bankrekeningnummer [rekeningnummer] ) is overgemaakt naar een bankrekening op naam van Goois Wonen B.V. (bankrekeningnummer [rekeningnummer] ) voor de huur van de woning aan de [adres] ;
- contante en girale geldbedragen van in totaal EUR 15.600,00 om een factuur van Cine&Openhaard Wall, een factuur van “ [klusjesman] ” en een factuur van “Atlas Interiors” mee te betalen;
- in de woning aan de [adres] in beslag genomen televisies van het merk Sony en een homecinemaset met een totale aanschafwaarde van EUR 5.493,00,-;
- in de woning aan de [adres] in beslag genomen designertassen van de merken Louis Vuitton en Chanel en Dior met een totale aanschafwaarde van EUR 16.595,96;
- twee in de woning aan de [adres] in beslag genomen horloges van het merk Rolex met een totale aanschafwaarde van EUR 27.800,00;
- een trainingsjas en een trainingsbroek en een t-shirt en een tas van het merk Gucci met een totale aanschafwaarde van EUR 4.260,00;
- contante en girale geldbedragen van in totaal EUR 4.558,13 om een factuur van Hip Hip Hooray Party Planning en een factuur van Brasa & Our Voice Studios mee te betalen;
- in de woning aan de [adres] in beslag genomen exclusieve merkkleding, onder andere herenkleding en schoenen van onder andere het merk Balenciaga en Dior en Louis Vuitton en Gucci en Chanel met een totale aanschafwaarde van EUR 67.915,00,
- in de woning aan de [adres] in beslag genomen kledingstukken, schoenen en tassen van het merk Louis Vuitton met een totale aanschafwaarde van EUR 7.160,00;
- een ketting met hanger met de letters “JUELZ” met een totale aanschafwaarde van EUR 7.500,00;
de herkomst heeft verhuld en/of voorhanden heeft gehad en gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en zij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;
2.
in de periode 1 juli 2018 tot en met 27 maart 2020, in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- één getekende werkgeversverklaring d.d. 26 juli 2019 op naam van [verdachte] , inhoudende een verklaring van een vast dienstverband bij NS Group B.V.,
- één getekende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met betrekking tot werknemer mw. [verdachte] en werkgever NS Group B.V., d.d. 1 juli 2018,
welk gebruik telkens heeft bestaan uit het al dan niet via een tussenpersoon digitaal overleggen van deze geschriften aan Stichting Dudok Wonen ter verkrijging van de huurwoning aan de [adres] , als waren deze echt en onvervalst.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen en een geldboete van € 10.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door een hechtenis van 75 dagen.
De officier van justitie heeft bij haar eis de ernst en omvang van het gewoontewitwassen en het gebruik van valse stukken voor het verkrijgen van een woning betrokken. Volgens haar past bij een financieel feit van deze omvang in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij heeft echter zwaar laten meewegen dat de feiten inmiddels ongeveer zes jaar oud zijn en heeft daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd. De officier van justitie heeft daarnaast meegewogen dat verdachte gedurende langere tijd van de luxe uitgaven heeft geprofiteerd.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en bij de strafoplegging in sterke mate rekening te houden met het zeer lange tijdsverloop. De feiten dateren uit 2019 en 2020. Verder heeft hij gewezen op de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij heeft twee kinderen, woont met hen bij haar moeder, heeft inmiddels een opleiding in de zorg afgerond, werkt en is bezig zich verder te ontwikkelen. Haar inkomen is beperkt en zij draagt daarnaast samen met haar broer zorg voor haar zieke oma.
De raadsman heeft in het bijzonder verzocht af te zien van de gevorderde geldboete en in plaats daarvan eventueel een hogere voorwaardelijke straf op te leggen. Een geldboete van € 10.000,00 zou volgens hem langdurig op verdachte en haar gezin drukken.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van grote geldbedragen en een groot aantal luxe goederen. Met het bewezenverklaarde is een totaalbedrag van ongeveer € 167.000,00 gemoeid. Witwassen tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan en maakt het mogelijk dat opbrengsten uit misdrijven ogenschijnlijk zonder problemen kunnen worden benut. Verdachte heeft gedurende langere tijd geprofiteerd van een levensstijl die zij zich met haar eigen legale inkomsten bij lange na niet kon veroorloven.
Daarnaast heeft verdachte samen met een ander gebruik gemaakt van een valse arbeidsovereenkomst en een valse werkgeversverklaring om een huurwoning te verkrijgen. Verhuurders moeten erop kunnen vertrouwen dat de inkomens- en arbeidsgegevens die bij een woningaanvraag worden verstrekt juist zijn. Door valse stukken te gebruiken heeft verdachte dat vertrouwen geschaad en zich als huurder gepresenteerd met een financiële positie die zij in werkelijkheid niet had.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude. Bij een bedrag tussen € 125.000,00 en € 250.000,00 geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het gebruik van de valse geschriften. Bij deze feiten past dus een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het betreft echter feiten die zeer oud zijn. Sinds de bewezenverklaarde periode zijn inmiddels ongeveer zes jaren verstreken. De rechtbank laat dit uitzonderlijk lange tijdsverloop in het voordeel van verdachte meewegen.
Ook de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte wegen mee. Zij woont met haar twee kinderen bij haar moeder, heeft opleidingen gevolgd en probeert inmiddels door werk zelfstandig in haar inkomen te voorzien. Uit haar verklaring ter terechtzitting blijkt dat haar financiële draagkracht beperkt is.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Ook ziet de rechtbank aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, het opleggen van de gevorderde geldboete van € 10.000,00 niet passend. Gelet op het beperkte huidige inkomen van verdachte en haar zorg voor twee kinderen zou een dergelijke boete haar financiële situatie langdurig onder druk zetten. De rechtbank ziet aanleiding om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen in een hogere taakstraf en een langere geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarmee wordt enerzijds een duidelijke strafrechtelijke reactie gegeven en wordt anderzijds voorkomen dat de straf tot ernstige financiële problemen leidt.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 180 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden zijn.
8. Beslag
Blijkens de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen (beslaglijst) zijn onder verdachte de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. STK Televisie Kleur (PL1300-2020022447-G5877800)
2. 1 STK Televisie Kleur (PL1300-2020022447-G5877832)
3. 1 STK Projectiescherm (PL1300-2020022447-G5877974)
4. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5877968)
5. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5877977)
6. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5877983)
7. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5877993)
8. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5877998)
9. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5878002)
10. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5878013)
11. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5878017)
12. 1 STK Horloge (PL1300-2020022447-G5878053)
13. 1 STK Horloge (PL1300-2020022447-G5878057)
14. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5878075)
15. 1 STK Papier – Betreft gescheurd 500 EUR biljet (PL1300-2020022447-G5878100)
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de beslaglijst onder 1 tot en met 14 vermelde voorwerpen verbeurd worden verklaard. Ten aanzien van het onder 15 vermelde gescheurde biljet van € 500,00 heeft zij verzocht dit aan de rechthebbende, De Nederlandsche Bank, te doen toekomen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot en met 15 vermelde voorwerpen verbeurdverklaren, nu deze voorwerpen aan verdachte toebehoren dan wel zij deze ten eigen bate kon aanwenden en met betrekking tot deze voorwerpen het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan. De stelling van de officier van justitie dat de Nederlandsche Bank de rechthebbende ten aanzien van het gescheurde bankbiljet van € 500,00 zou zijn, kan de rechtbank niet volgen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1:
medeplegen van gewoontewitwassen;
Feit 2:
medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart verbeurd de op de beslaglijst vermelde voorwerpen, te weten:
1. STK Televisie Kleur (PL1300-2020022447-G5877800)
2. 1 STK Televisie Kleur (PL1300-2020022447-G5877832)
3. 1 STK Projectiescherm (PL1300-2020022447-G5877974)
4. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5877968)
5. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5877977)
6. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5877983)
7. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5877993)
8. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5877998)
9. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5878002)
10. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5878013)
11. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5878017)
12. 1 STK Horloge (PL1300-2020022447-G5878053)
13. 1 STK Horloge (PL1300-2020022447-G5878057)
14. 1 STK Tas (PL1300-2020022447-G5878075)
15. 1 STK Papier – Betreft gescheurd 500 EUR biljet (PL1300-2020022447-G5878100)
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. C.M. Berkhout en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coskun, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2026.