ECLI:NL:RBAMS:2026:9098

ECLI:NL:RBAMS:2026:9098

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer C/13/766933
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Deze procedure gaat over de door Milieudefensie ingestelde collectieve actie, waarbij Milieudefensie opkomt als belangenbehartiger voor de belangen van huidige en toekomstige generaties Nederlandse ingezetenen bij een leefbaar klimaat en een duurzame samenleving. Milieudefensie stelt dat ING deelverantwoordelijke is als grote systeembank bij het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5C en daarom vordert Milieudefensie onder andere dat ING daarvoor maatregelen treft. Dit vonnis gaat over de ontvankelijkheid van Milieudefensie als belangenbehartiger in deze zaak. Verder gaat de rechtbank in op de vervolgstappen in de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/766933 / HA ZA 25-896

Vonnis van 9 september 2026

in de zaak van

VERENIGING MILIEUDEFENSIE,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: Milieudefensie,

advocaat: mr. R.H.J. Cox,

tegen

1. ING GROEP N.V.,

te Amsterdam,2. ING BANK N.V.,

te Amsterdam,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: ING,

advocaat: mr. D.C. Roessingh.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 maart 2025, met producties MD-001 tot en met MD-239,- de conclusie van antwoord, met producties ING-001A tot en met ING-348,- de akte uitlating ontvankelijkheid aan de zijde van Milieudefensie,

- de antwoordakte uitlating artikel 1018c lid 5 en toepasselijkheid artikelen 1018e, 1018f en 1018g Rv aan de zijde van ING.

Partijen hebben er mee ingestemd dat op basis van de hiervoor genoemde processtukken en zonder mondelinge behandeling vandaag vonnis wordt gewezen over de ontvankelijkheid van Milieudefensie.

2. Inleiding

Deze procedure gaat over de door Milieudefensie ingestelde collectieve actie, waarbij Milieudefensie opkomt als belangenbehartiger voor de belangen van huidige en toekomstige generaties Nederlandse ingezetenen bij een leefbaar klimaat en een duurzame samenleving. Milieudefensie stelt dat ING deelverantwoordelijke is als grote systeembank bij het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5C en daarom vordert Milieudefensie onder andere dat ING daarvoor maatregelen treft.

Dit tussenvonnis gaat over het antwoord op de vraag of Milieudefensie voldoet aan de ontvankelijkheidseisen die worden gesteld aan een (eisende partij in een) procedure op basis van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (Wamca).

De rechtbank oordeelt dat Milieudefensie ontvankelijk is en licht haar oordeel hieronder toe. Verder worden de vervolgstappen van de procedure besproken.

3. De beoordeling

I. De voorwaarden voor ontvankelijkheid

De rechtbank stelt allereerst vast dat is voldaan aan de voorgeschreven handelingen zoals bedoeld in artikel 1018c lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv): er is tijdig aantekening gemaakt van de dagvaarding in het centraal register voor collectieve acties en de aantekening is vergezeld gegaan van een uittreksel van de dagvaarding.

Op grond van artikel 1018c lid 5 Rv kan inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering van Milieudefensie alleen plaatsvinden indien en nadat de rechtbank heeft beslist dat:

Milieudefensie voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij niet aan de eisen van lid 2 onderdelen a tot en met e behoeft te worden voldaan op grond van het bepaalde in lid 6 van dit artikel;

Milieudefensie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering, doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben;

niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.

A. De ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW

Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, als zij die belangen volgens haar statuten behartigt en als de belangen voldoende zijn gewaarborgd (artikel 3:305a lid 1 en 2 BW).

Op grond van artikel 3:305 lid 6 BW hoeft niet aan de vereisten van artikel 3:305a lid 2 sub a tot en met e te zijn voldaan, als de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel. Dat is het geval als het gaat om een zogenaamde algemeen belang-actie. In deze procedure is sprake van een algemeen belang-actie: daar zijn partijen het ook over eens. Daarom wordt het lichte regime van artikel 3:305a lid 6 BW toegepast, en worden de eisen van artikel 3:305a lid 2 sub a tot en met e BW niet meegenomen in de beoordeling.

De belangen waarvoor Milieudefensie opkomt zijn voldoende gelijksoortig (3:305a lid 1 BW)

Eén van de voorwaarden voor ontvankelijkheid, is dat de belangen waarvoor Milieudefensie opkomt in deze zaak zich moeten lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming kan worden bevorderd.

Milieudefensie komt in deze zaak op voor belangen van de huidige en toekomstige generaties Nederlandse ingezetenen. Hun gezamenlijk belang is dat ernstige klimaatverandering wordt voorkomen door de wereldwijde opwarming te beperken tot de zogenaamde 1,5C-limiet uit het Akkoord van Parijs.

In de jurisprudentie is al bevestigd dat het opkomen voor de belangen van huidige en toekomstige generaties Nederlandse ingezetenen bij het beperken van (ernstige) klimaatverandering voldoende gelijksoortig zijn, in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW. Dat is in deze zaak niet anders en partijen twisten daar ook niet over.

De statuten van Milieudefensie sluiten aan bij de belangen waarvoor zij opkomt (3:305a lid 1 BW)

Naast het gelijksoortigheidsvereiste, bestaat het statutenvereiste als een van de voorwaarden voor ontvankelijkheid. Dat betekent dat de statuten van Milieudefensie in lijn moeten zijn met de belangen waarvoor zij in deze collectieve actie opkomt.

De statutaire doelstelling van Milieudefensie luidt als volgt: “De vereniging stelt zich ten doel een bijdrage te leveren aan het oplossen en voorkomen van milieuproblemen en het behoud van cultureel erfgoed, alsmede te streven naar een duurzame samenleving, dit alles op mondiaal, landelijk, regionaal en lokaal niveau, in de meest ruime zin en een en ander in het belang van de leden van de vereniging en in het belang van de kwaliteit van het milieu, de natuur en het landschap in de meest ruime zin voor huidige en toekomstige generaties.” De belangen waarvoor Milieudefensie in deze zaak opkomt vallen binnen haar statutaire doel. Verder staat vast dat Milieudefensie ook feitelijk opkomt voor de belangen die zij volgens haar statuten behartigt. Daarmee is voldaan aan het statutenvereiste van artikel 3:305a lid 1 BW.

De belangen zijn voldoende gewaarborgd (3:305a lid 1 en 2 BW)

De belangen waarvoor de belangenbehartiger opkomt in een collectieve actie, moeten voldoende gewaarborgd zijn, zoals vereist in artikel 3:305a lid 1 BW. Dat is het geval wanneer de rechtspersoon voldoende representatief is gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen (artikel 3:305a lid 2 BW).

Milieudefensie heeft betoogd dat zij voldoende representatief is en dat heeft zij ook gemotiveerd. ING heeft dat weersproken en voert onder andere aan dat Milieudefensie niet representatief is, omdat (i) Milieudefensie haar achterban onvoldoende en onjuist informeert en (ii) de belanghebbenden geen baat hebben bij eventuele toewijzing van de vorderingen van Milieudefensie.

De toets of een belangenbehartiger representatief is, kan kwantitatief benaderd worden, waarbij de grootte van de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen een rol spelen. Bij deze algemeen belang-actie gaat het echter om de behartiging van algemene belangen die niet individualiseerbaar zijn, en die betrekking hebben op een grote groep personen die diffuus en onbepaald is. Dat leidt ertoe dat het moeilijk is om de kwantitatieve benadering toe te passen. Een andere benadering is de kwalitatieve benadering: dan wordt gekeken naar de geschiktheid van de belangenbehartiger om op te komen voor de belangen die onderwerp zijn van de procedure. Vragen die een rol kunnen spelen bij de kwalitatieve benadering zijn: komt de belangenbehartiger daadwerkelijk op voor de belangen van de groep benadeelden en wordt die belangenbehartiger geacht in staat te zijn om de procedure tot een goed einde te brengen? De belangenbehartiger moet daarbij kunnen aantonen dat zij kan worden gezien als een adequate spreekbuis voor de groep waarvoor zij opkomt.

Milieudefensie heeft voldoende gemotiveerd dat zij een adequate spreekbuis is voor de groep waarvoor zij opkomt en dat sprake is van voldoende ‘achterban’, zodat voldaan wordt aan het representativiteitsvereiste. Dat blijkt ten eerste uit haar decennialange inzet voor klimaatbelangen en duurzame ontwikkeling, haar track record in andere collectieve acties, haar samenwerkingen met en steun van andere belangenorganisaties en haar meer dan 100.000 leden en donateurs. Verder heeft Milieudefensie tot maart 2025 bijna 30.000 steunbetuigingen ontvangen voor deze procedure tegen ING.

Het eerste punt dat ING maakt in het kader van representativiteit is dat Milieudefensie niet representatief is, omdat zij haar achterban onvoldoende en onjuist informeert. Hierdoor kan volgens ING niet worden vastgesteld dat Milieudefensie de vereiste steun van haar achterban geniet. Dat volgt de rechtbank niet. Een belangenbehartiger is mogelijk niet representatief wanneer zij haar achterban op het verkeerde been zet door verkeerde informatievoorziening. Daarvan is hier geen sprake. Volgens ING zet Milieudefensie haar achterban op het verkeerde been, omdat Milieudefensie een beeld schetst dat ING zelf emissies uitstoot, in plaats van de klanten van ING. In de stukken van Milieudefensie, die zij beschikbaar stelt op haar website inclusief publiekssamenvattingen, staat echter voldoende duidelijk dat het gaat om de verantwoordelijkheid van ING voor “scope 3” emissies, die het gevolg zijn van de activiteiten van ING als financiële instelling maar die elders in de waardeketen ontstaan, zoals de broeikasgasuitstoot door (gefinancierde of gefaciliteerde) economische activiteiten van (zakelijke) klanten van ING. Mede gelet op deze informatievoorziening en gelet op het feit dat bij het brede publiek bekend is dat ING een bank is, is het niet aannemelijk dat het publiek veronderstelt dat ING zelf direct al de emissies uitstoot waarop Milieudefensie wijst. Verder citeert ING een vraag op de website van Milieudefensie of het (spaar)geld van klanten van ING nog wel veilig is, waar Milieudefensie op antwoordt dat zij zich niet focust op het spaargeld van (particuliere) klanten van ING. In een eerder stadium verwees Milieudefensie in haar antwoord op deze vraag ook naar hypotheken, maar die verwijzing heeft zij na het indienen van de conclusie van antwoord weggehaald. Op een ander deel van de website geeft Milieudefensie een uitgebreider antwoord op de vraag wat toewijzing van de vorderingen van Milieudefensie betekent voor de hypotheek van particuliere klanten van ING, welk antwoord ING ook heeft geciteerd. De rechtbank volgt het standpunt van ING niet dat de antwoorden op deze twee vragen voor klanten van ING kunnen leiden tot de conclusie dat de hele achterban (te weten huidige en toekomstige generaties Nederlandse ingezetenen) op een verkeerd been wordt gezet. Bovendien heeft Milieudefensie toereikend onderbouwd dat zij haar achterban uitgebreid informeert over de procedure door correspondentie en processtukken integraal beschikbaar te maken en daarnaast ook publiekstoegankelijke samenvattingen te publiceren.

Het tweede punt dat ING maakt om te onderbouwen dat Milieudefensie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, is dat de belanghebbenden waarvoor Milieudefensie in deze procedure opkomt geen baat hebben bij een eventuele toewijzing. Toewijzing van de vorderingen van Milieudefensie leidt niet tot een vermindering van de daadwerkelijke uitstoot van broeikasgassen naar de atmosfeer maar alleen tot een vermindering (op papier) van de gerapporteerde emissies. Omdat belanghebbenden geen baat hebben bij de vorderingen, zijn hun belangen niet adequaat vertegenwoordigd. Volgens ING moet in de ontvankelijkheidsfase worden getoetst of toewijzing van de vorderingen het gestelde belang kan baten. Ter ondersteuning verwijst zij naar de Memorie van Toelichting bij de WAMCA, waarin erop wordt gewezen dat de WAMCA bij de toetsing van de ontvankelijkheid slechts aanvullende ontvankelijkheidsvoorwaarden meebrengt, maar overigens geen wijzigingen aanbrengt in de voorloper van de WAMCA, de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). En in de Memorie van Toelichting bij de Wet tot wijziging van de WCAM is opgenomen dat moet worden getoetst of belanghebbenden uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen. Dit vereiste geldt volgens ING dus ook onder de WAMCA. En omdat de vorderingen van Milieudefensie niet leiden tot een fysieke emissiereductie zijn belanghebbenden hiermee niet gebaat, aldus nog steeds ING.

De rechtbank volgt ING niet op dit punt. ING geeft een uitleg aan het in de Memorie van Toelichting bij het in de Wet tot wijziging van de WCAM genoemde baatvereiste, die niet overeenkomt met hetgeen de wetgever daar heeft bedoeld. In het citaat in de Memorie van Toelichting bij de WCAM waarnaar ING verwijst is opgenomen dat bij een betwisting of aan het waarborgvereiste is voldaan twee centrale vragen moeten worden beantwoord, namelijk

in hoeverre hebben de betrokkenen uiteindelijk baat bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen, en

in hoeverre mag erop vertrouwd worden dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren.

De Memorie van Toelichting benoemt vervolgens ook gezichtspunten die bij de beantwoording van deze vragen een rol kunnen spelen, namelijk

welke overige werkzaamheden heeft de organisatie verricht om zich voor de belangen van betrokkenen in te zetten en heeft de organisatie in het verleden ook daadwerkelijk doelstellingen kunnen realiseren,

indien sprake is van een ad-hoc organisatie, is deze opgericht door een reeds bestaande organisatie die in het verleden succesvol de belangen van de betrokkenen heeft behartigd,

hoeveel benadeelden zijn aangesloten bij de organisatie en in hoeverre ondersteunen zij de collectieve actie, en

of de organisatie voldoet aan de principes uit de Claimcode.

Hieruit volgt dat het baatvereiste is gericht op de claimstichting zelf en niet zozeer op de vorderingen die de claimstichting instelt. Het is als toetsingskader in de WCAM opgenomen om commercieel gedreven stichtingen te kunnen weren. Zie op dat punt ook de Memorie van Toelichting:

1. In het algemeen gedeelte van deze toelichting heb ik erop gewezen dat een vermoedelijk ook belangrijke oorzaak voor de sterke opkomst van ad hoc opgerichte stichtingen is de ingevolge artikel 3:305a BW vrijwel voorbehoudloze toegang tot de rechter. Omdat de beweegredenen van deze stichtingen niet zelden louter commercieel gedreven zijn, is er reden om strengere toegangseisen te stellen. Voorgesteld wordt daarom om voor de ontvankelijkheid in een collectieve actie te verlangen dat de belangen van de personen voor wie met de collectieve actie wordt opgekomen, voldoende gewaarborgd zijn. (…)

De genoemde voorbeelden zijn, in ieder geval deels, in de WAMCA als te toetsen vereisten opgenomen. Dat daarnaast nog apart moet worden gecontroleerd of belanghebbenden gebaat zijn bij de ingestelde vorderingen volgt noch uit de WAMCA zelf noch uit de wetgeschiedenis. Dat Milieudefensie eigen commercieel gedreven motieven nastreeft, is ook niet aan de orde.

En ook overigens volgt de rechtbank ING niet op dit punt. Milieudefensie wil met haar vorderingen realiseren dat ING haar bijdrage levert aan het bereiken van de 1,5C-limiet uit het Akkoord van Parijs. Niet kan worden betwijfeld dat de achterban van Milieudefensie hierbij is gebaat. De vraag of de vorderingen van Milieudefensie daadwerkelijk hiertoe kunnen leiden, hetgeen ING bestrijdt, vergt een inhoudelijke beoordeling van deze vorderingen en gaat het kader van de vraag of Milieudefensie ontvankelijk is te buiten. Zie ook het arrest van het hof Den Haag in de procedure van Milieudefensie tegen Shell waarin het hof bij de inhoudelijke behandeling heeft overwogen dat Milieudefensie bij (een deel van) haar vorderingen geen belang heeft omdat het gevorderde bevel niet effectief is ten aanzien van scope 3 emissies.

Overige ontvankelijkheidseisen

Op grond van artikel 3:305a lid 3 is de rechtspersoon die een collectieve actie instelt slechts ontvankelijk indien:

de bestuurders betrokken bij de oprichting van de rechtspersoon, hun opvolgers, geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk hebben, dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd (sub a),

de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer heeft (sub b),

de rechtspersoon in de gegeven omstandigheden voldoende heeft getracht om het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken (sub c).

Milieudefensie heeft voldoende onderbouwd dat zij aan deze eisen voldoet. ING heeft dat ook niet weersproken.

B. Het voeren van deze collectieve actie is efficiënter en effectiever (artikel 1018c lid 5 onderdeel b Rv)

Niet in geschil is dat Milieudefensie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen. De te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen zijn in voldoende mate gemeenschappelijk en het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt is voldoende groot. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover ambtshalve anders te oordelen.

C. Niet summierlijk van ondeugdelijkheid gebleken (artikel 1018c lid 5 onderdeel c Rv)

Niet in geschil is dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering op het moment waarop het geding aanhangig is geworden. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover ambtshalve anders te oordelen.

Uit het voorgaande vloeit dat Milieudefensie en de door haar ingestelde vorderingen de toets aan de WAMCA-ontvankelijkheidsvereisten doorstaan.

II. Vervolgstappen

Op grond van de artikel 1018e, 1018f en 1018g Rv moet de rechtbank een aantal beslissingen nemen voordat de zaak verder inhoudelijk wordt beoordeeld. Het gaat samengevat om de volgende punten:

het aanwijzen van een exclusieve belangenbehartiger (artikel 1018e lid 1 Rv),

het beoordelen wat de collectieve actie precies inhoudt en voor welke nauw omschreven groep personen de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve actie behartigt (artikel 1018e lid 2 Rv),

het vaststellen van de termijn voor zogenoemde opt-out en eventueel opt-in (artikel 1018f lid 1 en 5 Rv), waarbij de rechter in ieder geval één of meer nieuwsbladen aanwijst waarin de relevante informatie voor de opt-out (en opt-in) wordt aangekondigd (artikel 1018f lid 3 Rv), en

het stellen van een termijn voor het beproeven van een schikking (artikel 1018g Rv).

De onder b en c bedoelde voorschriften hebben tot doel dat kan worden vastgesteld wie zich wel en wie zich niet aan de uitspraak kan onttrekken. Het vaststellen van een nauw omschreven groep is in deze zaak problematisch: zoals eerder besproken gaat het om een grote groep die diffuus en onbepaald is. Daarbij komt dat de onttrekking aan een uitspraak bij ideële vorderingen met een algemeen belang moeilijk voorstelbaar is. Daarom wordt in deze zaak geen toepassing gegeven aan de onder b en c bedoelde voorschriften.

In deze zaak hebben zich geen (andere) belangenorganisaties gemeld. Mede gelet op de aard van de collectieve vordering, is er geen aanleiding om een exclusieve belangenbehartiger aan te wijzen. Daarom wordt geen toepassing gegeven aan het onder a bedoelde voorschrift.

Partijen hebben niet kenbaar gemaakt behoefte te hebben aan het stellen van een termijn voor het beproeven van een schikking. Dit voorschrift wordt daarom ook buiten toepassing gelaten.

Hiermee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Op 11 mei 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat het verzoek van Milieudefensie om de beslissing over het aantal zittingsdagen te heroverwegen, zou worden aangehouden tot na het onderhavige vonnis. Die heroverweging heeft ertoe geleid dat het aantal zittingsdagen (twee) niet zal worden aangepast. Wel heeft de rechtbank behoefte om vóór de mondelinge behandeling een nadere schriftelijke toelichting te ontvangen. De zaak zal daarom worden verwezen voor re- en dupliek. Milieudefensie wordt daarbij verzocht zich te beperken tot de door haar in de brief van 29 april 2026 genoemde acht thema’s.

Het aantal bladzijdes van beide conclusies zal worden beperkt tot 100, waarbij voor wat betreft de pagina-indeling artikel 3.28 van het Landelijk Procesreglement voor Civiele Dagvaardingen geldt. Milieudefensie krijgt voor het indienen van de conclusie van repliek 12 weken. In verband met kerst en oud en nieuw zal voor ING een termijn van 13 weken gelden voor de conclusie van dupliek.

Het voorgaande betekent dat de zaak wordt verwezen naar de rol van 2 december 2026 voor een conclusie van repliek aan de zijde van Milieudefensie, waarna ING op de rol van 3 maart 2027 de gelegenheid krijgt voor het indienen van een conclusie van dupliek. De mondelinge behandeling zal plaatsvinden in de tweede helft van het tweede kwartaal van 2027. Daartoe zullen partijen op een later moment worden gevraagd om verhinderdata op te geven.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

verklaart Milieudefensie ontvankelijk in haar collectieve vorderingen,

verwijst de zaak naar de rol van 2 december 2026 voor conclusie van repliek aan de zijde van Milieudefensie, en naar de rol van 3 maart 2027 voor conclusie van dupliek aan de zijde van ING,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, mr. A.C. Bordes en mr. M.E.M. James-Pater, bijgestaan door mr. F.A. Nusman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F.A. Nusman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand