RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/032097-25
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[BRP-adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.H. van Keulen, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de moeder van het slachtoffer [slachtoffer] , mevrouw [moeder slachtoffer] , in het kader van het spreekrecht namens haar naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is - samengevat - tenlastegelegd dat door zijn schuld op 21 oktober 2024 te Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel (subsidiair) het zich dusdanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW) kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de in de tenlastelegging weergegeven feitelijke gedragingen heeft begaan en dat de mate van schuld kan worden gekwalificeerd als ernstige/grove schuld. Aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is hierdoor zwaar lichamelijk letsel toegebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet kan worden bewezen dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid. Verdachte dient namelijk partieel te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde gedraging dat hij bijna een etmaal niet had geslapen. Hij heeft verklaard dat hij op 20 oktober 2024 na een bruiloft in Duitsland met zijn familie om 19:00 uur is teruggereden en dat zij rond 23:00 uur thuis waren. Verdachte heeft in de auto geslapen en is rond 03:00-04:00 uur gaan werken. Daarnaast dient hij partieel te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde gedraging dat hij medicatie had gebruikt die slaperigheid en/of verwardheid kan veroorzaken. Verdachte heeft een bipolaire stoornis en krijgt hiervoor elke vier weken depot-medicatie in de vorm van een prik (Olanzapine). Hij mag hiermee rijden, behoudens de eerste 24 uur na het depot. Verdachte had zijn laatste depot op 9 oktober 2024 gekregen en zou zijn volgende depot krijgen op 6 november 2024. Dit betekent dat de medicatie van verdachte hem op de dag van het ongeval niet heeft belemmerd. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde gedraging dat hij met een aanzienlijke snelheid van mimimaal 73 km/u heeft gereden. Dat verdachte harder heeft gereden dan het overige verkeer staat buiten kijf, maar op basis van de snelheidsberekening kan de minimale snelheid op het moment van het ongeval niet worden bewezen. Dit omdat de snelheid is berekend aan de hand van een video waarbij als ankerpunten beelden zijn genomen van kort ná het incident. Voorts kan roekeloosheid niet worden bewezen, omdat verdachte zich niet bewust is geweest van het schenden van de verkeersregels en al helemaal niet van een ernstige mate van schending. Hiervoor is van belang dat verdachte in een manische periode verkeerde en daardoor impulsiever kan zijn en de gevolgen van zijn handelen minder goed kon overzien. Om die reden dient het feit ook in verminderde mate aan verdachte te worden toegerekend. Hij was moe en wilde vooral snel naar huis.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 21 oktober 2024 omstreeks 08:13 uur reed verdachte in een personenauto met kenteken [kenteken] (uitgerust als taxi) op de [adres 1] in Amsterdam, komende vanaf de [adres 2] en gaande in de richting van het [adres 3] . Getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte haar vlak ervoor heeft afgesneden terwijl zij met haar scooter over de [adres 1] reed en hij wilde invoegen. Hierdoor moest zij een noodstop maken en claxonneerde zij naar verdachte. Vervolgens is verdachte de tram/lijnbusbaan opgereden, terwijl hij niet in het bezit was een ontheffing. Op de zitting heeft verdachte hierover verklaard dat het voor hem druk was met auto’s en scooters en dat hij het verkeerde wilde omzeilen. Volgens hem rijden taxichauffeurs wel vaker even over de trambaan.
Op basis van de (beschrijving) van de camerabeelden en de verklaringen van de getuigen stelt de rechtbank vast dat verdachte aanzienlijk harder reed dan de toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur en in elk geval een snelheid die veel te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij ongeveer 50 tot 60 kilometer per uur heeft gereden.
Intussen reed het latere slachtoffer, [slachtoffer] , met haar fiets eveneens over de [adres 1] in de richting van het [adres 3] . [slachtoffer] wilde ter hoogte van nummer 44, ter hoogte van de [adres 4] , oversteken via de fietsoversteekplaats. Zij heeft verklaard dat ze klaar stond om over te steken en goed heeft gekeken. [slachtoffer] zag de auto van verdachte niet. Zij weet zeker dat ze hem gezien zou hebben als hij rustig was komen aanrijden. Toen [slachtoffer] op de trambaan reed, zag ze dat verdachte veel te hard reed. Ze kon niet stoppen. Heel even dacht [slachtoffer] dat ze het kon halen, maar zij werd vervolgens toch door verdachte geraakt. Verdachte heeft met de linker voorzijde van zijn auto de linker achterzijde van de fiets van [slachtoffer] geraakt, waardoor zij door de lucht vloog en op de grond is gevallen. De remlichten van het voertuig van verdachte zijn niet gezien.
[slachtoffer] heeft ten gevolge van het ongeval fracturen in haar schaambeen/bekkenring opgelopen. Zij is hiervoor geopereerd en heeft vier dagen in het ziekenhuis gelezen. Ook had zij een grote/diepe wond bij haar linker lies en zijn er onder meer twee lymfeklieren verwijderd.
Beoordeling van feit 1 primair (artikel 6 WVW)
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan.
Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Partiële vrijspraak ‘niet geslapen’, ‘medicatiegebruik’ en ‘minimaal 73 km/u’
De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van de tenlastegelegde gedraging dat hij bijna een etmaal niet had geslapen. Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij op 20 oktober 2024 om 19:00 uur na een bruiloft in Duitsland met zijn familie naar huis is gereden en dat zij rond 23:00 thuis zijn gekomen. Verdachte heeft onderweg geslapen en heeft er in de vroege ochtend van 21 oktober 2024 voor gekozen om een aantal ritjes te gaan maken met zijn taxi.
Daarnaast spreekt de rechtbank verdachte partieel vrij van de tenlastegelegde gedraging dat hij medicatie had gebruikt die slaperigheid en/of verwardheid kan veroorzaken. Verdachte heeft een bipolaire stoornis en krijgt hiervoor maandelijks depot-medicatie toegediend in de vorm van een prik (Olanzapine). Hoewel deze medicatie voor slaperigheid en verwardheid kan zorgen, is de rechtbank van oordeel dat het medicijngebruik van verdachte hem juridisch gezien niet kan worden verweten. Hij mag hiermee rijden, behoudens de eerste 24 uur na het depot. Verdachte had zijn laatste depot op 9 oktober 2024 gekregen en zou zijn volgende depot krijgen op 6 november 2024.
Naar het oordeel van de rechtbank zit het verwijt richting verdachte niet zozeer in zijn medicijngebruik, maar in het feit dat hij weet dat hij een bipolaire stoornis heeft en dat hij ondanks zijn medicatie manisch ontregeld kan raken. Hij is bekend met de signalen die daar op duiden, zo wordt hij onder meer drukker/actiever en neemt hij impulsievere beslissingen. Verdachte heeft verklaard dat hij voor het ongeval onstabieler was. Hij had een bruiloft gehad in Duitsland en hierdoor had hij minder geslapen en was hij drukker en extra opgewonden. Dat hij deze verschijnselen niet heeft onderkend en na thuiskomst ervoor heeft gekozen om te gaan werken als taxichauffeur in plaats van (verder) te gaan slapen, valt hem aan te rekenen. Het verweer van de raadsvrouw dat het ongeval verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend vanwege zijn bipolaire stoornis en manische ontregeling wordt dan ook verworpen.
Gelet op de onnauwkeurigheid in de snelheidsberekening spreekt de rechtbank verdachte partieel vrij van het onderdeel dat hij minimaal 73 km/u heeft gereden. Gelet op de (beschrijving) van de camerabeelden, de getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte zelf, zoals hiervoor is overwogen, kan wel worden bewezen dat hij aanzienlijk harder heeft gereden dan de maximale toegestane snelheid van 30 km/u en dat de snelheid van verdachte veel te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse.
Mate van schuld
Vaststaat dat verdachte kort voor de aanrijding een scooter heeft afgesneden om in te voegen op de [adres 1] , een drukke straat in Amsterdam vooral ten tijde van de ochtendspits, en dat hij daarna - zonder te beschikken over een ontheffing - de trambaan is opgereden om het verkeer te omzeilen. Verdachte heeft zijn snelheid vervolgens verhoogd en reed hierbij aanzienlijk harder dan de toegestane maximale snelheid van 30 km/u en hij reed ook veel harder dan voor een veilige verkeerssituatie ter plaatse verantwoord en geboden was. Verdachte heeft dusdanig hard gereden dat hij niet meer in staat was adequaat te reageren op gedragingen van andere verkeersdeelnemers. Daar komt nog bij dat verdachte ter plaatse bekend was en had moeten weten dat zich ter hoogte van het ongeval een bijzondere verkeerssituatie met een fietsoversteekplaats bevond. Dit had voor verdachte te meer reden moeten zijn om zich aan de maximumsnelheid te houden om te kunnen anticiperen op eventueel overstekend verkeer. Gelet op het voorgaande is verdachte naar het oordeel van de rechtbank ernstig tekortgeschoten in de voorzichtigheid en oplettendheid die van hem als bestuurder van een personenauto mag worden verwacht.
Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval - zoals hiervoor overwogen - is de rechtbank van oordeel dat het ongeval aan verdachte zijn schuld te wijten is, omdat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Dat betekent dat de rechtbank verdachte vrij spreekt van het onderdeel ‘roekeloos’ in de tenlastelegging.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt vast dat het hiervoor omschreven letsel van [slachtoffer] , dat is veroorzaakt door het ongeval, van dien aard was dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. Ook houdt [slachtoffer] blijvend letsel over aan het ongeval; er zijn twee lymfeklieren verwijderd bij haar lies en zij zal een blijvend litteken overhouden aan de wond bij haar lies. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in de voetnoten, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, bewezen dat verdachte:
Op 21 oktober 2024 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de [adres 1] , zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor aan een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten fracturen in het schaambeen en/of het bekken en een wond aan de lies,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft met zijn auto gereden op [adres 1] , komende vanaf de [adres 2] en gaande in de richting van het [adres 3] ,
verdachte heeft, in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) niet zoveel mogelijk rechts gehouden, immers heeft hij – zonder daartoe een ontheffing te hebben – op de lijnbusbaan gereden, en
verdachte heeft gereden met een aanzienlijke snelheid waar de toegestane maximumsnelheid 30 km/uur betrof, in elk geval een snelheid die veel te hoog was voor veilig verkeer ter plaatse, en
verdachte heeft zich er (vervolgens) niet tijdig en voldoende van vergewist dat voornoemde weg vrij was van enig (kruisend) verkeer, en
verdachte heeft de snelheid van de door hem bestuurde auto niet zodanig geregeld dat hij in staat was dat deze tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en
verdachte heeft [slachtoffer] niet tijdig opgemerkt die ter hoogte van de [adres 4] met haar fiets de [adres 1] aan het oversteken was en
verdachte is vervolgens tegen die [slachtoffer] aangereden, ten gevolge waarvan vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
5. De strafbaarheid van het feit en van verdachte
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
6. Motivering van de straffen
Vordering van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 200 uren (subsidiair 100 dagen hechtenis) en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren zal worden opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaar zal worden opgelegd.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit in het kader van de strafoplegging aansluiting te zoeken bij het oriëntatiepunt dat rechtbanken hebben vastgesteld in het geval van het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld (in plaats van zeer hoge mate van schuld), geen middelengebruik en zwaar lichamelijk letsel. Verder heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat het feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, vanwege zijn bipolaire stoornis en het feit dat hij ondanks zijn medicatie ten tijde van het bewezenverklaarde een manische periode had. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen deels voorwaardelijk op te leggen. Hoewel verdachte formeel geen rijontzegging is opgelegd, is zijn rijbewijs wel ruim drie maanden ingevorderd geweest en mocht hij niet rijden.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft op 21 oktober 2024 zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam rijgedrag vertoond. Hij was werkzaam als taxichauffeur en toen hij onderweg was naar huis heeft hij op de [adres 1] , een drukke straat in Amsterdam, tijdens de ochtendspits het verkeer omzeild door - zonder ontheffing - op de trambaan te rijden en daarbij heeft hij ook nog eens veel harder gereden dan de toegestane maximum snelheid en dan veilig was voor het overige verkeer ter plaatse. Dit blijkt ook wel uit het feit dat verdachte het destijds 12-jarige slachtoffer, die op de fiets de weg aan het oversteken was via een fietsoversteekplaats, niet tijdig heeft opgemerkt en hij door zijn veel te hoge snelheid niet meer in staat was om de auto tot stilstand brengen en een aanrijding met het slachtoffer te voorkomen. Verdachte is met zijn auto tegen de linker achterzijde van de fiets van het slachtoffer aangereden, waardoor zij door de lucht is gevlogen en een harde klap heeft gemaakt. Ten gevolge van het ongeluk heeft het jonge slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit fracturen in het schaambeen en/of het bekken en een wond aan de lies. Na het ongeval is verdachte in eerste instantie doorgereden, waarna hij later is teruggekeerd en is aangehouden. Het slachtoffer is geopereerd en heeft een aantal dagen in het ziekenhuis gelegen. Op haar been heeft zij een groot blijvend litteken. Zij kon een tijd niet naar school en heeft een aantal maanden niet kunnen fietsen en haar passie voor ballet kunnen uitoefenen. Ook was het slachtoffer angstig om weer te fietsen en heeft zij tot aan de dag van vandaag last van schrikreacties als er iets onverwachts (in het verkeer) gebeurt. Hiervoor heeft zij ondersteuning gehad van een psycholoog. Verdachte heeft zowel het slachtoffer als ook haar ouders veel leed toegebracht. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 6 september 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 12 januari 2026, opgemaakt door mevrouw [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven - dat verdachte enkele justitiecontacten heeft gehad maar er geen sprake is van een delictpatroon. De kans op recidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld. Het psychosociaal functioneren van verdachte is een risicoverhogende factor. Hij is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis. Verdachte is ervan overtuigd dat hij geen hulp nodig heeft bij praktische problemen, hetgeen wel van belang zou kunnen zijn. Zo ondersteunt de zus van verdachte hem momenteel met zijn financiën. Een beschermende factor is dat verdachte zich houdt aan de afspraken omtrent de toediening van zijn depot met Arkin/Mentrum. Hij krijgt maandelijks een depot toegediend en hij beseft dat dit nodig is. Daarnaast maakt verdachte deel uit van een steunend (familie)netwerk. Een reclasseringstraject is derhalve niet geïndiceerd, ook omdat verdachte veel aversie heeft tegen hulpverlening en dit een averechtse werking zou kunnen hebben. Verdachte is in staat om een taakstraf uit te voeren. Hierbij kan rekening gehouden worden met zijn psychische problemen. Ook is verdachte in staat om een geldboete te betalen (al dan niet met een betalingsregeling).
Straffen
Bij het bepalen van de (hoogte van) de straf neemt de rechtbank gelet het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt als uitgangspunt het oriëntatiepunt dat rechtbanken hebben vastgesteld in het geval van het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld, zwaar lichamelijk letsel en geen gebruik van alcohol, te weten een taakstraf van 160 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar. De rechtbank ziet geen reden om van dit oriëntatiepunt af te wijken, dan wel aanleiding om - gelet op het reclasseringsadvies - een deel van de straf(fen) voorwaardelijk op te leggen. Voor wat betreft het beroep van de raadsvrouw op de verminderde toerekeningsvatbaarheid verwijst de rechtbank naar hetgeen onder 4.3.2. is overwogen.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 160 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een duur van één jaar, zonder aftrek van de periode waarin het rijbewijs reeds was ingevorderd, passend en geboden.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
8. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 primair
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 (honderdzestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 (tachtig) dagen.
Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 (één) jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en A.A. Spoel, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. A.L. Köhler en L.J. Bekker, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2026.
[...]