RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-189287-24
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 14 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 februari 2024 door de Pécs Regional Court, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1973,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Ook is mr. Th. Boumans, haar raadsman, advocaat in Heerlen, in overleg met de rechtbank niet op de zitting verschenen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Hongaarse nationaliteit heeft.
3. Ontvankelijkheid officier van justitie
Het Hongaarse ministerie van justitie heeft per brief van 25 augustus 2026 meegedeeld dat de opgeëiste persoon op 22 augustus 2026 in Duitsland is aangehouden op grond van het EAB. De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat zij om die reden niet-ontvankelijk wordt verklaard. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu vaststaat dat de opgeëiste persoon zich niet meer in Nederland bevindt, waarmee de grondslag aan de vordering van de officier van justitie is komen te vervallen.
4. Beslissing
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB;
Stelt vast dat de – geschorste – overleveringsdetentie is beëindigd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 augustus 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.