RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/789218 / KG ZA 26-501 MK/EvK
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak in kort geding van 11 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats],
eisende partij bij dagvaarding van 10 juni 2026,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M. Kumar,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bank,
mr. M.W.G. Koopmans.
Het kort geding wordt gehouden in de rechtbank Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser],
- mr. Kumar,
- mr. Koopmans.
1. De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling op 11 juni 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. De bank heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en de bank ook een pleitnota. De behandeling van de zaak is gesloten en de voorzieningenrechter heeft na een schorsing vervolgens in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 11 juni 2026 aan partijen is afgegeven.
2. Inleiding
[eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Op de woning rust een eerste recht van hypotheek ten gunste van de bank, gevestigd bij akte van 6 september 2001. De bank heeft bij brief van 15 januari 2026 de volledige hypothecaire geldlening opgeëist vanwege een betalingsachterstand (van op dat moment € 3.246,39) en verhuur van de woning zonder toestemming van de bank. Het restant van de hypothecaire geldlening bedroeg op dat moment € 224.455,99. De bank heeft [eiser] tot en met 29 januari 2026 gegeven om deze gehele lening en de achterstand te betalen. Dat is niet gebeurd. De waarde van de woning is volgens een taxatierapport van 22 januari 2026 in onverhuurde staat € 450.000,00 (marktwaarde) en € 380.000,00 (executiewaarde) en in verhuurde staat € 415.000,00 en € 360.000,00 (executiewaarde). Op 8 april 2026 heeft de bank de executieveiling van de woning aangezegd tegen 11 juni 2026 om 11.30 uur.
[eiser] vordert in deze zaak (samengevat) primair dat het de bank wordt verboden de executieveiling vandaag doorgang te laten vinden, subsidiair om de tenuitvoerlegging van het recht van parate executie van de woning te schorsen voor een periode van zes maanden, onder de voorwaarde dat [eiser] deze gehele periode de lopende maandelijkse hypotheektermijnen stipt en volledig voldoet, zowel primair als subsidiair op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van de bank in de proceskosten.
De bank voert verweer. Er is al sinds 2023 sprake van ongeoorloofde verhuur en sinds 2021 sprake van betalingsachterstand, die op enig moment is opgelopen tot tien maanden. [eiser] heeft ook al circa anderhalf jaar van de bank de gelegenheid gekregen tot onderhandse verkoop over te gaan, zonder resultaat. De bank heeft voldoende belang nu van haar executiebevoegdheid gebruik te maken.
3. De beoordeling
Het eerste uitgangspunt is dat de executiebevoegdheid van de bank vaststaat. De hypothecaire geldlening is opgeëist, wat op zichzelf niet betwist wordt, en de hoofdsom is niet voldaan. Daarom heeft de bank het recht van parate executie en dus het recht om tot openbare verkoop van de woning over te gaan. Ten tweede is het daarbij niet relevant dat de betalingsachterstand van de lopende verplichtingen bij is (wat [eiser] heeft gesteld en wat de bank nog niet heeft kunnen controleren gelet op de betaling van [eiser] van afgelopen nacht), omdat de executie van de woning ziet op de totale hoofdsom van de hypothecaire geldlening en niet op lopende termijnen. Ten derde blijkt uit het dossier en uit de toelichting van (de advocaat van) de bank ter zitting voldoende dat het vertrouwen tussen [eiser] en de bank weg is. Het uitgangspunt is dus niet een voortzetting van de relatie, maar het einde van de relatie.
Dit maakt dat de vraag die moet worden beantwoord is of de veiling van de woning vandaag door mag gaan of dat een belangenafweging meebrengt dat de bank die zou moeten uitstellen. In die belangenafweging weegt het belang van [eiser] om nog kort tijd te krijgen om orde op zaken te stellen zwaarder dan het belang van de bank om (per se) vandaag tot executie van de woning over te gaan. Dat heeft er vooral mee te maken dat het belang van de bank, gezien de ruime overwaarde van de woning, onvoldoende zwaar weegt tegenover het belang van [eiser] voor nog een laatste kans.
De subsidiaire vordering van [eiser], tot schorsing van de executie, wordt daarom toegewezen met een termijn van drie maanden. In de periode heeft [eiser] dus de gelegenheid om orde op zaken te stellen en te kijken hoe hij het verschuldigde aan de bank kan betalen.
Bij de subsidiaire vordering zit ook de voorwaarde dat de lopende maandelijkse hypotheektermijnen stipt en volledig worden voldaan. Dat wordt in de beslissing meegenomen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, gelet op de toezegging van de bank dat zij aan het vonnis zal voldoen.
De kosten van de veiling van vandaag, die niet doorgaat, zullen voor [eiser] zijn, zoals zijn advocaat als meer subsidiaire standpunt ook heeft aangeboden.
Het is de vraag of deze route uiteindelijk in het belang van [eiser] zal blijken te zijn, want het heeft ook een kostenverhogend effect door de afgezegde veiling. Dit zal de komende drie maanden moeten blijken. Als het niet lukt binnen drie maanden de bank af te betalen zal op basis van de stand van vandaag de bank de veiling kunnen voortzetten.
De proceskosten zullen, gelet op de uitkomst, gecompenseerd worden in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
schorst de tenuitvoerlegging van het recht van parate executie door de bank ten aanzien van de woning aan de [adres] voor een periode van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis, onder de voorwaarde dat [eiser] de lopende maandelijkse hypotheektermijnen stipt en volledig voldoet tijdens de gehele schorsingsperiode,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M.L.S. Kalff en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.