RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/789027 / KG ZA 26-482 MK/EvK
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak in kort geding van 12 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats],
eisende partij bij dagvaarding op verkorte termijn van 9 juni 2026,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M. de Boorder,
tegen
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ING,
mr. D.J. Posthuma.
Het kort geding wordt gehouden in de rechtbank Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser],
- mr. De Boorder,
- [naam], medewerker bijzonder beheer bij ING,
- mr. Posthuma.
1. De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling op 12 juni 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. ING heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en [eiser] ook een pleitnota. De behandeling van de zaak is gesloten en de voorzieningenrechter heeft na een schorsing vervolgens in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 12 juni 2026 aan partijen is afgegeven.
2. Inleiding
[eiser] had schulden. De opgelopen schuld bij ING heeft geleid tot een registratie bij het BKR met (negatieve) bijzonderheidscode A2. Op 28 maart 2023 heeft zij een einddatum verkregen in het CKI (Centraal Krediet Informatiesysteem), waarvoor een bewaartermijn van vijf jaar geldt, en die dus loopt tot 28 maart 2028. [eiser] heeft ING verzocht de BKR-registratie te verwijderen. De ING heeft na heroverweging besloten de BKR-registratie niet te verwijderen. [eiser] heeft samen met haar partner op 5 mei 2026 een koopovereenkomst getekend voor de koop van een woning in [plaats]. De koopovereenkomst bevat een financieringsvoorbehoud dat (na uitstel) tot 19 juni 2026 kan worden ingeroepen.
[eiser] vordert in dit kort geding verwijdering van de BKR-registratie, dan wel van alle (bijzonderheids)codering(en) op naam van [eiser] in het CKI, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van ING in de proceskosten.
3. De beoordeling
Het gaat hier om een BKR-registratie waarvoor een vijfjaarstermijn is gaan lopen vanaf maart 2023. Als verzocht wordt een dergelijke registratie eerder te verwijderen vindt een belangenafweging plaats. Het gaat dan om het belang van de partij ten nadele van wie de BKR-registratie is gemaakt, in dit geval [eiser], en het belang van ING, die als financiële instelling dient te waarborgen dat de BKR-registratie een signaalfunctie afgeeft. Voor die belangenafweging is in dit geval doorslaggevend of sprake is van een voldoende financieel stabiele situatie bij [eiser]. Is dat het geval, dan kan de bank worden verplicht tot vroegtijdige verwijdering van de BKR-registratie over te gaan.
Daar is op dit moment nog geen sprake van en dat betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen. Daartoe geldt het volgende. Ten eerste de schulden van de CJIB (de twee boetes). [eiser] heeft toegelicht dat de boetes van de CJIB zijn blijven liggen op advies van haar vader om mogelijk bezwaar aan te tekenen. Het feit dat dit echter tot aan een incasso van de deurwaarder heeft geleid maakt dat dit een signaal is dat nog geen sprake is van een financieel stabiele situatie. Ten tweede bestaat er onduidelijkheid ten aanzien van de aflossing van de opgelopen schuld voor de ziektekosten. Het standpunt van [eiser] wordt in zoverre gevolgd dat dit iets anders is dan een nieuw opkomende schuld. Wel speelt deze schuld al langere tijd. En ING heeft hierover terecht aangevoerd dat op het moment dat [eiser] daarover is bevraagd er ten onrechte is verklaard dat alles voldaan was, wat later niet zo bleek te zijn. Aldus bestond op dit onderdeel geen helderheid over hoe die schuld precies in elkaar stak. Deze schuld is ook pas heel recent afgelost (juni 2026). Deze twee punten tezamen maken dat op dit moment, in juni 2026, nog geen sprake is van een voldoende financieel stabiele situatie.
Daarbij wordt opgemerkt dat [eiser] wel al ruim drie jaar op weg is, dat zij van waar zij vandaan kwam grote stappen heeft gemaakt en dat niet gezegd is of zij de volle vijf jaar van de BKR-registratie zal moeten volmaken. Ook is het belang van [eiser] om van de BKR-registratie af te komen evident. De functie van BKR-registratie is echter een signaalfunctie en dat wordt te veel aangetast als nu wordt besloten om de BKR-registratie er in dit geval af te halen.
Tot slot geeft de voorzieningenrechter partijen mee dat de oplossing voor de zaak mogelijk ligt in een nader overleg tussen [eiser] (en haar partner) en ING. Een eerste oplossing zou kunnen zijn dat, zoals ING ter zitting heeft toegelicht, het ook mogelijk moet zijn voor de partner van [eiser] om alleen op zijn naam een financiering voor de woning te krijgen, zonder blokkade van de BKR-registratie van [eiser]. Een tweede oplossing zou kunnen zijn, en dat heeft de voorzieningenrechter ING ook voorgehouden, dat ING bij het bekijken van dit totale dossier door de BKR-registratie van [eiser] heen kijkt: ING kent het dossier van [eiser] immers in detail en kan dus afwegen wat mogelijk is om tot een oplossing voor de financiering voor deze woning te komen. Het is de moeite waarde om deze twee oplossingen te bekijken voordat de termijn van het financieringsvoorbehoud verloopt.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
4. De beslissing
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M.L.S. Kalff en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.