RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/5231
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. A.S. Schollaardt),
en
de burgemeester van Aalsmeer, de burgemeester
(gemachtigden: mr. J.P. Hoppe en mr. L. John).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in verband met de dreigende sluiting van de winkel en het sorteercentrum van verzoekster aan de [adres] .
Met het bestreden besluit van 1 september 2026 heeft de burgemeester besloten het voor publiek toegankelijke pand te sluiten op grond van artikel 2:49a, eerste lid, onder d en e van de APV voor de duur van drie maanden. Het pand wordt gesloten van 7 september 2026 tot 7 december 2026. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen zodat het pand open kan blijven gedurende de bezwaarprocedure.
Op 3 september 2026 heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit bij wijze van ordemaatregel geschorst tot aan de uitspraak in de onderhavige procedure.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (directeur-grootaandeelhouder van verzoekster), de gemachtigde van verzoekster, [naam 2] (bedrijfsleider van verzoekster), de gemachtigden van de burgemeester en [naam 3] (hoofd van de afdeling Openbare Orde en Veiligheid).
De zaak is op zitting geschorst om partijen de mogelijk te bieden nader uit te zoeken of het sorteercentrum, gevestigd op [adres] , buiten de sluiting gehouden kan worden. Na bericht hierover van partijen op 8 september 2026, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
2. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst waar deze zaak over gaat. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen.
Waar gaat deze zaak over?
3. De burgemeester heeft de sluiting gebaseerd op de bevindingen uit de bestuurlijke rapportage van 20 augustus 2026 en onderliggende processen-verbaal. Hieruit blijkt het volgende. Verzoekster exploiteert een tweedehandswinkel in een gehuurd bedrijfspand op de [adres], te weten [bedrijf] (hierna: het bedrijf). Het bedrijf houdt zich bezig met inkoop en verkoop van goederen en koopt met name restpartijen en partijen uit veilingen op. Op de zitting heeft verzoekster toegelicht dat in de vestiging in Aalsmeer goederen worden gekocht uit opgekocht private inboedels en private opslagboxen. In de vestigingen in Amsterdam worden nieuwe producten verkocht, voornamelijk afkomstig van veilingen en restpartijen. In 2026 heeft de politie meerdere anonieme meldingen over het bedrijf ontvangen over onder andere illegale werknemers, slapen in het bedrijf, namaak merkartikelen en de aanwezigheid van en handel in wapens zoals messen en tasers. In het bedrijf zijn tevens in 2026 meerdere gestolen fotocamera’s van het merk Hema aangetroffen en in 2025 meerdere boksbeugels die verboden zijn op grond van de Wet wapens en munitie (Wwm). Naar aanleiding hiervan is besloten tot een integrale controle van het bedrijf op 10 augustus 2026. Hierbij waren aanwezig: de politie, de Douane, toezichthouders en buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente Aalsmeer, toezichthouders van de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en medewerkers van React.
Het volgende is door de politie aangetroffen. In het magazijn, een gedeelte van het bedrijf afgeschermd door een hek, zijn meerdere goederen aangetroffen die verboden zijn onder de Wwm:
- 5 stroomstootwapens, 2 stiletto’, 1 valmes, 2 busjes pepperspray, 4 dolken, 1 katapult, 1 als slagwapen ingerichte zaklamp, 9 op vuurwapen gelijkende voorwerpen (aanstekers) en 1 patroon kaliber 9x19 mm in een oud sieraden doosje.
In het magazijn zijn tevens meerdere goederen aangetroffen, die volgens de politie gebruikt kunnen worden voor het opzetten en exploiteren van een hennepkwekerij en strafbaar zijn op grond van de Opiumwet:
- 1 schakelbord, 16 assimilatielampen, 4 transformatoren, afzuigmateriaal, 7 plastic en 1 metalen ventilatoren, 2 armaturen, 1 henneptent, droognetten, 1 dompelpomp, temperatuurmeters en bekabeling en CO2-apperatuur.
Ook zijn in het winkelgedeelte van het bedrijf vervalste merkartikelen aangetroffen. Het ging om kledingstukken van onder andere Hugo Boss, Lacoste en Louis Vuitton en dozen met voetbalshirts van het merk FIFA. In een aparte ruimte op de eerste verdieping zijn namaak horloges van de merken Rolex en Tag Heuer aangetroffen. De deskundigen van React hebben vastgesteld dat het om vervalste goederen ging en zullen daarvan aangifte doen.
De toezichthouders van de Nederlandse Arbeidsinspectie stelden bij de controle vast dat één medewerker geen rechtmatig verblijf in Nederland had en dat ten aanzien van een andere medewerker twijfels bestonden over zijn verblijfstatus. Uit nadere informatie blijkt dat twee overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) zijn geconstateerd omdat twee werknemers niet gerechtigd waren om in Nederland arbeid te verrichten. Verder zijn er door de NVWA 400 vapes aangetroffen. De vapes zijn niet in beslag genomen, omdat onvoldoende duidelijk was of deze bestemd waren voor verkoop.
4. Naar aanleiding van de bevindingen heeft de burgemeester besloten om het bedrijf voor de duur van drie maanden te sluiten op grond van artikel 2:49a, eerste lid, onder d en e van de APV. Verzoekster is voorafgaand in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven. Volgens de burgemeester is hij bevoegd om het bedrijf van verzoekster te sluiten gelet op het aantreffen van meerdere verboden wapens, goederen gerelateerd aan beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, vervalste merkartikelen en meldingen over wapens en (handel in) illegale goederen. Het betreft een opeenstapeling van ernstige overtredingen binnen een en dezelfde inrichting en juist vanwege de samenloop bestaat de vrees dat het openblijven van het bedrijf een ernstig gevaar oplevert. Hierbij betrekt de burgemeester dat in 2025 tevens verboden goederen zijn aangetroffen, te weten 91 boksbeugels, waar verzoekster een bestuurlijke waarschuwing voor heeft gekregen. Er is sprake van recidive en de eerdere waarschuwing heeft niet geholpen. De burgemeester acht de sluiting evenredig. Het is een geschikt en noodzakelijk middel met als doel de gevolgen van de geconstateerde feiten voor de openbare orde weg te nemen en het vertrouwen in de naleving van de geldende regelgeving te herstellen. Het belang van de openbare orde weegt zwaarder dan het individuele belang van verzoekster. Het is daarmee een evenwichtig besluit volgens de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang en omvang van het geschil
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Een voorlopige voorziening is een maatregel waarmee wordt voorkomen dat onomkeerbare gevolgen van een bestreden besluit zich voordoen voordat een beslissing op bezwaar is genomen. Bij een louter financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, kan worden aangenomen dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat de voorzieningenrechter alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
De voorzieningenrechter ziet in de sluiting van het bedrijf van verzoekster, te weten de winkel en het magazijn gevestigd op [adres] , en het sorteercentrum gevestigd op [adres] , een spoedeisend belang om het verzoek te behandelen. Verzoekster heeft toegelicht dat door de sluiting van het bedrijf én het sorteercentrum de bedrijfsvoering van al haar vestigingen komt stil te liggen, omdat de vestigingen in Amsterdam worden bevoorraad vanuit het sorteercentrum gevestigd op [adres] . Zij heeft dit onderbouwd met financiële stukken en een verklaring van de boekhouder. Op basis van deze stukken is het aannemelijk dat verzoekster in liquiditeitsproblemen komt bij een sluiting van haar bedrijfspanden voor een periode van drie maanden.
Op de zitting is door verzoekster toegelicht dat de verboden goederen alleen zijn aangetroffen in de winkel en het magazijn van de winkel gevestigd op [adres] . In het sorteercentrum gevestigd op [adres] is ook een controle uitgevoerd, maar niets aangetroffen. De burgemeester heeft desondanks vastgehouden aan sluiting omdat de panden feitelijk één pand vormen nu er geen afscheiding bestaat tussen de verschillende panden. Op de zitting is gebleken dat sinds de controle op 10 augustus 2026 de feitelijke situatie in het bedrijf gewijzigd is. Op grond van opgelegde brandveiligheidsmaatregelen is er inmiddels een afsluitbare deur geplaatst tussen de winkel en het magazijn en het sorteercentrum. Na bezichtiging op locatie op 8 september 2026 heeft de burgemeester de voorzieningenrechter na de zitting laten weten dat het sorteercentrum gevestigd op [adres] buiten de sluiting gelaten wordt, omdat daar geen verboden goederen zijn aangetroffen. Hoewel dit gevolgen heeft voor de beoordeling van de financiële noodsituatie, acht de voorzieningenrechter het niet redelijk om daarmee het spoedeisend belang te laten vervallen na de zitting. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om alsnog te beoordelen of er reden bestaat de sluiting van het bedrijf te schorsen tot na de beslissing op bezwaar.
Bevoegdheid van de burgemeester
6. Artikel 2:49a, eerste lid van de APV bepaalt dat de burgemeester een sluiting kan bevelen voor een publiek toegankelijk pand als daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wwm aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend (sub d), of zich andere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het pand een ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde (sub e). Deze bevoegdheid is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken, waarvan de uitoefening door de rechter terughoudend moet worden getoetst. Zeker in een spoedprocedure, die zich niet leent voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten en omstandigheden, past terughoudendheid.
In het pand van verzoekster zijn meerdere verboden wapens aangetroffen zoals onder overweging 3.1.1. opgesomd. Verzoekster stelt dat niet deugdelijk en controleerbaar is vastgesteld dat het inderdaad om verboden wapens gaat. De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. Het proces-verbaal waaruit blijkt dat het gaat om wapens die verboden zijn gesteld in de Wwm is op ambtseed opgemaakt door een verbalisant die bevoegd is om in beslag genomen wapens, niet zijnde vuurwapens, te benoemen, beschrijven en te categoriseren. De burgemeester mag uitgaan van dit op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Verzoekster heeft ook geen concrete aanwijzingen aangedragen om te twijfelen aan de bevindingen van deze verbalisant. De gevaarzetting van deze wapens is nader omschreven in de bestuurlijke rapportage. Gelet op het aantreffen van de wapens is de burgemeester in beginsel al bevoegd tot sluiting op grond van artikel 2.49a, eerste lid, onder d van de APV. De burgemeester heeft zich verder ook op het standpunt kunnen stellen dat het openblijven van het bedrijf een gevaar oplevert voor de openbare orde. Naast de wapens zijn ook andere verboden goederen aangetroffen, zoals aan hennepteelt gerelateerde goederen en illegale vapes. Dat de goederen niet voor verkoop bedoeld waren en in het magazijn, ook wel de uitpakruimte, lagen maakt niet dat er geen sprake is van een gegronde vrees. De burgemeester heeft voldoende toegelicht de winkel en het magazijn als één ruimte te beschouwen; het magazijn is immers niet zodanig afgesloten dat klanten er geen toegang toe hebben. De anonieme meldingen bevatten aanwijzingen dat er gehandeld wordt in verboden goederen. Hoewel de voorzieningenrechter, anders dan de burgemeester, niet aannemelijk acht dat de verboden goederen bestemd zijn voor verkoop en daarin bewust wordt gehandeld, is de vrees voor openbare orde schendingen alsnog gegrond. De voorzieningenrechter komt tot dit oordeel omdat verzoekster op de zitting niet kon toelichten wat voor maatregelen er zijn getroffen om te zorgen dat dergelijke verboden goederen niet in handen van klanten terecht komen. Ook kon niet worden toegelicht of onderbouwd of er instructies zijn voor medewerkers hoe met het vinden van verboden goederen wordt omgegaan, hoe lang deze in het magazijn liggen en hoe er toezicht wordt gehouden. In combinatie met het feit dat al eerder verboden goederen zijn aangetroffen, er dus sprake is van recidive, en ook de overige overtredingen die zijn geconstateerd, levert dit een gegronde vrees op in de zin van artikel 2.49a, eerste lid, onder e van de APV.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster terecht naar voren brengt dat de bestuurlijke rapportage op veel punten onduidelijk is. Met name ten aanzien van de indeling van de bedrijfspanden en de locatie van de aangetroffen goederen. Hierin ziet de voorziengingenrechter vooralsnog geen reden voor de conclusie dat de rapportage niet aan het besluit ten grondslag gelegd mag worden dan wel dat het bevel evident onrechtmatig is. Veel onzorgvuldigheden kunnen in bezwaar worden hersteld en verzoekster betwist ook niet dat de verboden goederen zijn gevonden in de bedrijfspanden van [adres] .
Mocht de burgemeester gebruik maken van zijn bevoegdheid?
7. Als de burgemeester bevoegd is om een pand te sluiten, is vervolgens de vraag of dit middel ook geschikt is en of het noodzakelijk is om het pand te sluiten. De burgemeester dient zich ervan te vergewissen dat de sluiting redelijkerwijs zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Verder is aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan. Aan de hand van de ernst en de omvang van het incident moet worden beoordeeld of sluiting van het pand noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand geschikt en noodzakelijk is, dient hij zich ervan te vergewissen dat (de duur van) de sluiting evenwichtig is. Verschillende omstandigheden zijn bij de evenwichtigheid van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester heeft kunnen oordelen dat de sluiting een geschikt middel is voor het doel dat de burgemeester voor ogen heeft. Dat de verboden goederen in beslag zijn genomen, maakt dit niet anders. De sluiting is immers niet enkel bedoeld om een overtreding te beëindigen, maar is juist bedoeld tot herstel van de openbare orde, het wegnemen van de bekendheid van het pand als locatie waar illegale activiteiten hebben plaatsgevonden en het voorkomen van herhaling. Met de sluiting kan het vertrouwen in de naleving van de geldende regelgeving door verzoekster worden hersteld.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de burgemeester het middel noodzakelijk heeft mogen vinden. Verzoekster is van oordeel dat de burgemeester had kunnen volstaan met minder vergaande maatregelen, zoals de oplegging van een waarschuwing of een last onder dwangsom. De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. Verzoekster erkent zelf dat inherent is aan haar bedrijfsvoering dat er verboden goederen kunnen worden aangetroffen in de opgekochte private inboedels en opslagboxen. Daarover is ter zitting toegelicht dat deze opslagboxen van wanbetalers afkomstig zijn, waaronder ook criminelen. De bedrijfsvoering brengt daarom risico’s met zich mee. Hoewel de voorzieningenrechter, anders dan de burgemeester, niet aannemelijk vindt dat er (bewust) gehandeld wordt in verboden goederen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de risico’s van het aanwezig hebben van de verboden goederen onvoldoende onderkend en ondervangen worden door verzoekster. Uit de eerdere waarschuwing ten aanzien van de aangetroffen boksbeugels blijkt dat verzoekster niet altijd op de hoogte is van welke goederen verboden zijn.
Bovendien is gebleken dat er geen duidelijke afspraken zijn in het bedrijf hoe met deze ongewenste ‘bijvangst’ wordt omgegaan, ook niet nadat al eerder verboden goederen zijn aangetroffen in de winkel en in beslag zijn genomen. Er is daarom een reëel risico dat de verboden goederen die verband houden met veiligheidsrisico’s en ondermijnende criminaliteit in de samenleving in verkeerde handen terecht komen. Ook is gebleken dat eerdere bestuurlijke maatregelen niet tot aanpassing van de bedrijfsvoering hebben geleid en zijn er ook andere overtredingen van overige wet- en regelgeving geconstateerd, zoals bijvoorbeeld het te werk stellen van vreemdelingen die hiertoe niet gerechtigd zijn. Verzoekster heeft ter zitting betwist de bestuurlijke waarschuwing te hebben ontvangen. Dit is een punt dat verder kan worden uitgezocht in bezwaar maar doet niet af aan voorgaande. Verzoekster is er immers van op de hoogte dat verboden goederen kunnen worden aangetroffen en gaat met de daaraan verbonden risico’s te nonchalant om. Ook op andere punten is de bedrijfsvoering niet op orde. Zo blijkt op de zitting dat verzoekster zich pas recent heeft ingeschreven bij het digitale opkoopregister, terwijl dit een wettelijke verplichting is voor verzoekster om heling te voorkomen. Nu ook daadwerkelijk eerder gestolen camera’s zijn aangetroffen, had van verzoekster verwacht mogen worden dat zij eerder dit soort maatregelen eerder had genomen. In samenhang met de overige geconstateerde overtredingen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester niet hoefde te volstaan met minder vergaande middelen en sluiting nodig is om herhaling te voorkomen en het vertrouwen in verzoekster in de naleving van geldende regelgeving te herstellen.
Evenwichtigheid
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting vooralsnog evenwichtig is, nu het slechts nog gaat om sluiting van het bedrijf op [adres] . Omdat het sorteercentrum voor de overige vier vestigingen in Amsterdam openblijft, is de financiële impact minder groot. Verzoekster heeft op de zitting verder naar voren gebracht dat de gevolgen voor hem alsnog groot zijn nu de verhuurder heeft laten weten dat de huurovereenkomst al bij één dag sluiting buitengerechtelijk wordt ontbonden. De voorzieningenrechter overweegt dat dit in eerste instantie een civiele aangelegenheid is en verzoekster deze stelling ook niet heeft onderbouwd. De mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst is door de burgemeester meegewogen en de burgemeester heeft het algemeen belang bij herstel en behoud van de openbare orde zwaarder mogen wegen. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat zij op basis van het dossier niet aannemelijk acht dat verzoekster (bewust) handelt in wapens en hennepgerelateerde goederen. Dit kan worden meegewogen in een eventuele civiele procedure tegen de verhuurder.
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester geen beleid heeft over de duur van sluiting van een bedrijfspand. Verzoekster heeft geen gronden gericht tegen de duur van drie maanden en deze termijn wordt niet onredelijke geacht in de jurisprudentie in soortgelijke zaken. De voorzieningenrechter overweegt ten slotte dat in het geval van verzoekster de noodzaak van de sluiting eerder zou kunnen vervallen omdat zij niet aannemelijk acht dat verzoekster (bewust) handelt in wapens en hennepgerelateerde goederen. In het geval verzoekster orde op zaken stelt met een concreet plan van aanpak om verdere overtredingen te voorkomen en afspraken maakt in overleg met de burgemeester en de politie over hoe om te gaan met het aantreffen van verboden goederen en hoe hier toezicht op wordt gehouden, kan de voorzieningenrechter voorstellen dat er een grond is voor heropening. De burgemeester heeft ook aangegeven dat een verzoek om heropening kan worden gedaan en dat hij bereid is om mee te werken aan het maken van afspraken. Dat de burgemeester van mening is dat verzoekster nu eerst aan zet is om met concrete maatregelen te komen, kan de voorzieningenrechter volgen.
Conclusie
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de bevoegdheid heeft om het voor publiek toegankelijke pand van verzoekster aan de [adres] te sluiten voor een periode van drie maanden en van deze bevoegdheid ook gebruik mocht maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dan ook af. Dat betekent dat met deze uitspraak het besluit van 1 september 2026 niet meer is opgeschort en de burgemeester per direct tot sluiting mag overgaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.