RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Parketnummer: 16.179157.25
Parketnummer: 16.179157.25
[verdachte]
Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 16/179157-25 (A) en 16/219547-25 (B)
Datum uitspraak: 14 september 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2012,
wonende op het adres [adres] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op tegenspraak op de terechtzitting achter gesloten deuren van 31 augustus 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Modder en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.S. Bissumbhar, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [naam 2] , namens Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: LdH) en door de ouders van verdachte naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [benadeelde partij] door haar advocaat mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
in zaak A:
1
hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Zeewolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door
- een explosief, althans een voorwerp bestemd voor het teweegbrengen van een ontploffing, voor de deur van het restaurant [bedrijf] te plaatsen en/of
- ( vervolgens) een explosief, althans een voorwerp bestemd voor het teweegbrengen van een ontploffing, aan te steken,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het restaurant [bedrijf] gelegen aan de [adres] en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [benadeelde partij] en/of een of meerdere personen aanwezig in het pand gelegen aan de [adres] en/of een of meerdere personen aanwezig in het winkelcentrum/passage [winkelcentrum] te duchten was;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Zeewolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (een) wapen(s) van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) vloeistof brandstof combinatie (VBC) zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft/hebben gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
in zaak B:
1
hij op of omstreeks 8 juni 2025 te Soest, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
- met een explosief, althans een voorwerp bestemd voor het teweegbrengen van een ontploffing, naar Soest te gaan en/of
- een explosief, althans een voorwerp bestemd voor het teweegbrengen van een ontploffing, voor de woning aan de [adres] te plaatsen en/of
- ( vervolgens) een explosief, althans een voorwerp bestemd voor het teweegbrengen van een ontploffing, aan te steken,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning aan de [adres] en/of de woning aan de [adres] en/of een of meer omliggende woningen te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meerdere personen aanwezig in het woning gelegen aan de [adres] en/of een of meerdere personen aanwezig in de woning aan de [adres] en/of een of meerdere personen aanwezig in de omliggende woningen te duchten was;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven persoon/personen op of omstreeks 8 juni 2025 te Soest, althans in Nederland, aan een woning gelegen aan de [adres] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht immers heeft/hebben die onbekend gebleven persoon/personen een explosief bij de voordeur van voornoemde woning geplaatst en dit explosief aangestoken terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de woning aan de [adres] en/of de woning aan de [adres] en/of een of meer omliggende woningen te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meerdere personen aanwezig in de woning gelegen aan de [adres] en/of een of meerdere personen aanwezig in de woning aan de [adres] en/of een of meerdere personen aanwezig in de omliggende woningen te duchten was,
tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 8 juni 2025 te Soest, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of inlichtingen en/of middelen heeft verschaft door aan die onbekend gebleven persoon/personen
- een tas met daarin een explosief over te dragen en/of
- zijn telefoon met de route beschrijving en/of het adres over te dragen;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 8 juni 2025 te Soest, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (een) wapen(s) van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) vloeistof brandstof combinatie (VBC), zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft/hebben gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie ).
3. Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Beoordeling van het in zaak B ten laste gelegde
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in zaak B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
De raadsvrouw heeft vrijspraak van de in zaak B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten bepleit omdat – samengevat – medeplegen niet kan worden bewezen.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank overweegt dat, zelfs als wordt uitgegaan van de juistheid van de verklaring van verdachte, medeplegen kan worden bewezen. Verdachte heeft verklaard dat hij op 8 juni 2025 in Amsterdam van zijn opdrachtgevers een tas met daarin een explosief heeft aangenomen. Verdachte wist dat het de bedoeling was om het explosief tot ontploffing te brengen in Soest. Verdachte is in opdracht van de opdrachtgevers, samen met de medeverdachte, met een snorder naar Soest gereden. Voor vertrek hebben de opdrachtgevers tegen verdachte gezegd dat hij zijn telefoon aan de medeverdachte moest geven, zodat deze met behulp van de telefoon van verdachte kon navigeren naar het adres waar de medeverdachte het explosief tot ontploffing moest brengen. Verdachte heeft de tas met daarin het explosief aan zijn medeverdachte overhandigd. Verdachte is in Soest in de auto blijven wachten tot zijn medeverdachte terugkwam van de plaats waar hij het explosief tot ontploffing had gebracht. Daarna is verdachte met zijn medeverdachte met de snorder teruggegaan naar Amsterdam
Gelet op de door de rechtbank vastgestelde feiten, zoals hiervoor beschreven, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van de ontploffing bij het appartementencomplex. Hun samenwerking is zodanig intensief geweest en hun rol daarbij was van een dusdanig materieel gewicht, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij het teweegbrengen van die ontploffing. Daarbij is niet relevant wie de vuurwerkbom bij het appartementencomplex daadwerkelijk tot ontploffing heeft gebracht.
Daarom komt de rechtbank tot bewezenverklaring van het in zaak B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in zaak A:
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
op 9 juni 2025 te Zeewolde opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door
- een explosief voor de deur van het restaurant [bedrijf] te plaatsen en
- vervolgens een explosief aan te steken,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het restaurant [bedrijf] gelegen aan de [adres] en
- levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [benadeelde partij]
en personen aanwezig in het pand gelegen aan de [adres] en personen aanwezig in het winkelcentrum/passage [winkelcentrum] te duchten was;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 9 juni 2025 te Zeewolde een wapen van categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwerk brandstof combinatie (VBC), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
in zaak B:
ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:
op 8 juni 2025 te Soest tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door
- met een explosief naar Soest te gaan en
- een explosief voor de woning aan de [adres] te plaatsen en
- vervolgens een explosief aan te steken,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning aan de [adres] en de woning aan de [adres] en omliggende woningen te duchten was en
- levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een persoon aanwezig in het woning gelegen aan de [adres] en personen aanwezig in de omgeving te duchten was;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 8 juni 2025 te Soest, tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwerk brandstof combinatie (VBC), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
5. Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 83 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.
De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar het schriftelijke adviesrapport van de Raad, verzocht te volstaan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) werkstraf.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich op zeer jonge leeftijd schuldig gemaakt aan het (medeplegen van het) veroorzaken van twee explosies door middel van vuurwerk-brandstof combinaties. Explosies met geïmproviseerde explosieven komen helaas vaak voor en veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Daarbij worden die gevoelens van angst soms versterkt doordat men niet weet waarom een dergelijke explosie op de desbetreffende plek plaatsvindt. In zaak A leidt de rechtbank uit de toelichting van de benadeelde partij op haar vordering af dat zij de schrik van haar leven heeft gehad toen zij verdachte langs het restaurant zag rennen, waarna zij het explosief van dichtbij zag en hoorde exploderen. Dat zij daar nog altijd de gevolgen van draagt, neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Het is een gelukkige omstandigheid dat er bij de door verdachte (mede) veroorzaakte explosies alleen materiële schade is ontstaan en dat het niet erger is afgelopen. Er zijn gevallen bekend waarin dergelijke explosies niet alleen enorme materiële schade, maar ook letsel hebben veroorzaakt en waarbij zelfs mensen om het leven zijn gekomen. Verdachte heeft meerdere keren een volstrekt verkeerde keuze gemaakt, waar de rechtbank hem voor verantwoordelijk houdt. De rechtbank maakt zich er zorgen over dat verdachte zich zonder duidelijke aanleiding heeft laten verleiden zulke ernstige strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft op meerdere momenten de gelegenheid gehad een andere keuze te maken, maar dat heeft hij niet gedaan. Kennelijk heeft hij de feiten puur gepleegd uit financieel gewin, nu hem een beloning was beloofd.
Omdat de door verdachte gepleegde strafbare feiten zo ernstig zijn, kan niet worden volstaan met de oplegging van een (deels voorwaardelijke) werkstraf.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatievan 6 juli 2026 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
De psycholoog komt, samengevat, tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een oppositioneel opstandige stoornis met bijkomende problematiek en dat hij onvoldoende bestand is tegen jongeren die hem proberen in te zetten voor criminele activiteiten. De psycholoog adviseert de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusie en advies van de psychloog over en zal de bewezen verklaarde feiten, gelet op de persoonlijke problematiek van verdachte, in verminderde mate aan hem toerekenen.
De Raad en LdH hebben naar voren gebracht dat verdachte over het algemeen goed heeft meegewerkt met de voorwaarden die hem bij de schorsingen van zijn voorlopige hechtenis zijn opgelegd. Verdachte heeft een IFA-coach en profiteert van die coaching. De hulp, ondersteuning en structuur die de voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis bieden, zijn goed voor verdachte geweest. Daarom is het volgens de Raad en LdH in het belang van verdachte dat hij daar ook de komende tijd van kan blijven profiteren. De rechtbank is het daarmee eens, en oordeelt dat de hierna te noemen bijzondere voorwaarden daarnaast ook in het belang zijn van de maatschappij bij het terugdringen van de kans op herhaling. De rechtbank zal de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden, waaraan ter terechtzitting het hebben en houden van een zinvolle vrijetijdsbesteding is toegevoegd, opleggen bij het hierna te noemen voorwaardelijk strafdeel. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden.
Verdachte heeft in beide zaken in totaal (slechts) zeven dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Dat doet aan de ene kant onvoldoende recht aan de bewezen verklaarde feiten en de straf die verdachte daarvoor verdient. Aan de andere kant is het niet in het belang van verdachte of de maatschappij als hij nu weer vast komt te zitten. Ook was verdachte nog heel jong, pas twaalf jaar oud, toen hij de bewezen verklaarde feiten pleegde en heeft hij gedurende zijn schorsing positieve stappen gezet. Daarom zal de rechtbank naast de hierna te noemen deels voorwaardelijke jeugddetentie een werkstraf van de hierna te noemen duur aan verdachte opleggen, zodat hij nog wel consequenties ervaart van wat hij heeft gedaan.
9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 401,54 aan materiële schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.
De vordering is betwist.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding met twee facturen is onderbouwd. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat een deel van de door de benadeelde partij opgevoerde materiële schade door de ziektekostenverzekeraar van de benadeelde partij is of had moeten worden vergoed. De rechtbank zal de gevorderde materiële schadevergoeding toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW heeft de benadeelde partij ook recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade, aangezien de benadeelde partij op een andere wijze in haar persoon is aangetast. De hoogte van de vordering is door de verdediging betwist, althans verzocht is om matiging. Het bestaan van geestelijk letsel is naar het oordeel van de rechtbank door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De benadeelde partij is geconfronteerd met de explosie en de onmiddellijke gevolgen daarvan, sliep en slaapt slecht, ervaart stress en is op haar hoede. Zij is door haar huisarts voor psycho-traumatische klachten naar een psycholoog verwezen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden als gevolg van het door verdachte begane feit en rekening houdend met de bandbreedte van de Rotterdamse schaal, hoofdstuk 14.1 categorie d - minder ernstig geestelijk letsel € 2.675 tot € 4.000 - en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade billijk en toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij zal in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
De vordering van de benadeelde partij heeft betrekking op een als doen te beschouwen gedraging van de verdachte die de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt en aan wie deze gedraging in zoverre als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan. De ouders van de verdachte zijn tot vergoeding van de schade gehouden. Daarom worden de ouders van verdachte veroordeeld het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding te vergoeden.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde golden, dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.2. is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
in zaak A:
ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
in zaak B:
ten aanzien van het onder 1 onder primair bewezen verklaarde:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 60 (zestig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis (7 (zeven) dagen) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 53 (drieënvijftig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren.
Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van
€ 3.401,54 (drieduizend vierhonderdeen euro en vierenvijftig eurocent), waarvan € 401,54 (vierhonderdeen euro en vierenvijftig eurocent) voor materiële schade en € 3.000,- (drieduizend euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (9 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de ouders van verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt de ouders van verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis in de zaken A en B.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.P. Bleeker, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. A. van Luijck en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 september 2026.