RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10398534 \ CV EXPL 23-3920
Vonnis van 1 september 2026
in de zaak van
STICHTING VAM, OPLEIDINGSINSTITUUT VOOR HET MOTORVOERTUIG-, TWEEWIELER- EN AANVERWANT BEDRIJF,
gevestigd te Nieuwegein,
eisende partij,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juni 2026- de akte van eisende partij van 28 juli 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 30 juni 2026 is eisende partij in de gelegenheid gesteld om het bestaan van een overeenkomst tussen partijen nader toe te lichten. Ook is eisende partij in de gelegenheid gesteld de toepasselijke informatieplichten nader toe te lichten en gemotiveerd te stellen op welke wijze is voldaan hieraan. Daarnaast mocht eisende partij zich uitlaten over de (on)eerlijkheid van bedingen waarop zij een beroep doet of zou kunnen doen. Eisende partij heeft bij akte van 28 juli 2026 een en ander nader toegelicht en zich uitgelaten. Daarbij heeft zij bewijs overgelegd dat zij deze akte ook aan gedaagde partij heeft gestuurd.
Met haar toelichting en de overgelegde stukken heeft eisende partij voldoende onderbouwd dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Via haar school is gedaagde partij bij eisende partij aangemeld voor een examen. Dit leidde ertoe dat eisende partij haar heeft uitgenodigd voor het examen, waarmee een aanbod tot stand is gekomen. Dit aanbod heeft gedaagde partij vervolgens aanvaard, waarna eisende partij een bevestiging van de inschrijving heeft gestuurd. Haar deelname blijkt uit de eerder door eisende partij overgelegde presentielijst, waarop een handtekening van de deelnemer staat. Op dat moment is de overeenkomst tot stand gekomen.
Omdat vast is komen te staan dat er een overeenkomst bestaat tussen partijen, moet deze getoetst worden aan de toepasselijke informatieplichten. Gelet op de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, blijft de kantonrechter bij het oordeel dat sprake is van een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte. Dit betekent dat voldaan moet zijn aan de informatieplichten van artikel 6:230m BW. Deze informatie moet worden verschaft voordat de overeenkomst tot stand is gekomen of voordat de consument gebonden is aan een aanbod. Hiervoor is geoordeeld dat de overeenkomst tot stand is gekomen op het moment dat gedaagde partij het examen heeft afgelegd.
In haar akte heeft eisende partij nader toegelicht op welke wijze zij aan de informatieplichten heeft voldaan. Eisende partij erkent dat het herroepingsrecht niet is vermeld, maar voert aan dat dit niet verplicht was gelet op artikel 6:230p sub e BW. Maar van de uitzondering die in dat artikel staat vermeld (een overeenkomst tot het verrichten van diensten die strekt tot de terbeschikkingstelling van accommodatie anders dan voor woondoeleinden) is in dit geval geen sprake. Het gaat hier immers om het afnemen van een examen, en niet over de toeristische of recreatieve diensten waarop deze uitzonderingsbepaling ziet. Ook van een andere uitzondering is geen sprake, zodat gedaagde partij een herroepingsrecht had en eisende partij haar hierop had moeten wijzen.
Verder moeten de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden getoetst worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen. De prijs van het examen is voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst meegedeeld aan gedaagde partij met de factuur van 12 januari 2022. De prijs die daarop vermeld staat is ook transparant, zodat dit beding niet verder op oneerlijkheid hoeft te worden getoetst (zie artikel 4 lid 2 van de Richtlijn oneerlijke bedingen).
Op de overeenkomst zijn de ‘Inschrijfvoorwaarden voor individuele deelname aan Contactlensexamens’ (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Hierin staat, voor zover hier van belang:
Eisende partij geeft in haar akte aan dat dit artikel oneerlijk is op het gebied van de buitengerechtelijke incassokosten. Hier is de kantonrechter het mee eens. Het beding wijkt namelijk ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling omtrent incassokosten, die zonder dit beding zou gelden. Op grond van het beding is gedaagde partij alle kosten verschuldigd die een incassobureau aan eisende partij in rekening brengt, terwijl gedaagde partij in de wettelijke regeling uitsluitend buitengerechtelijke kosten is verschuldigd die worden berekend aan de hand van een wettelijke staffel. Bovendien moet eisende partij ook hebben voldaan aan artikel 6:96 lid 6 BW, waarbij de aanmaning als bedoeld in dat artikellid ook nog moet voldoen aan de eisen die de Hoge Raad heeft gesteld. Deze eisen stelt het beding niet.
Maar ook ten aanzien van de rentebepaling is het beding oneerlijk. In het beding is namelijk bepaald dat de aanvrager de wettelijke handelsrente verschuldigd is als een bedrag te laat wordt betaald. Maar op grond van de wet is gedaagde partij alleen de wettelijke rente en niet de wettelijke handelsrente verschuldigd, omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst. Aangezien de wettelijke handelsrente aanzienlijk hoger is dan de wettelijke rente, geeft dit beding eisende partij de mogelijkheid om meer kosten in rekening te brengen dan gedaagde partij verschuldigd zou zijn op grond van de wet. Hiermee is het beding oneerlijk.
Tot slot bepaalt het beding dat ingeval van gerechtelijke incasso de aanvrager gehouden is om de in redelijkheid gemaakte werkelijke gerechtelijke kosten, waaronder die van juridische bijstand, volledig te voldoen voor zover de werkelijke kosten het bedrag van een proceskostenveroordeling te boven gaan. Een dergelijk beding, waarbij alle gerechtelijke kosten voor rekening van gedaagde partij komen, is oneerlijk, zoals ook al is bepaald door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:820). Het neemt namelijk de begrenzing weg die besloten ligt in het wettelijk stelsel van de proceskostenveroordeling.
Het beding van artikel 4 lid 5 van de algemene voorwaarden is oneerlijk en bindt gedaagde partij daarom niet.
Hiervoor is vastgesteld dat eisende partij gedaagde partij niet heeft gewezen op haar ontbindingsrecht. Deze informatieplicht betreft een essentiële informatieplicht. Op grond van de Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten leidt één schending van een essentiële informatieplicht tot een vermindering van de betalingsverplichting van gedaagde partij van 20%. Toegepast op de gevorderde hoofdsom betekent dit dat een bedrag van € 285,56 toewijsbaar is. Hierop strekt in mindering een bedrag van € 69,09 dat gedaagde partij al heeft voldaan, zodat een bedrag van € 216,47 zal worden toegewezen.
De gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, omdat deze vorderingen gebaseerd zijn op oneerlijke bedingen (zie overweging 2.7. en verder). Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie volgt namelijk dat eisende partij geen aanspraak meer kan maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder de oneerlijke bedingen.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld. In beginsel betekent dit dat zij wordt veroordeeld in de proceskosten. Maar eisende partij hanteert een oneerlijk beding dat gaat over de proceskosten (gerechtelijke kosten). Ondanks dat de Hoge Raad de vraag over de gevolgen van een oneerlijk proceskostenbeding op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden de proceskosten vooralsnog afgewezen, gelet op artikel 6 lid 1 van de Richtlijn oneerlijke bedingen en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 216,47,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
57327