RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11125161 \ CV EXPL 24-5399
Vonnis van 3 september 2026
in de zaak van
DE ONDERWIJSSTICHTING [eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: All-Round Incasso,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2026- de akte van eisende partij van 6 augustus 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 2 juli 2026 is eisende partij in de gelegenheid gesteld om de toepasselijke informatieplichten nader toe te lichten en gemotiveerd te stellen en zo nodig met bewijsstukken te onderbouwen op welke wijze is voldaan hieraan. Ook heeft eisende partij de mogelijkheid gekregen zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van bedingen waarop zij een beroep doet of zou kunnen doen. Verder is gevraagd om nader toe te lichten welke voorwaarden de ‘all the terms and conditions’ zijn waarover in de inschrijvingsformulieren wordt gesproken en deze te overleggen. Tot slot is eisende partij in de gelegenheid gesteld om haar stelling nader toe te lichten dat gedaagde partijen hun kinderen op 8 september 2023 hebben ingeschreven en deze inschrijving hebben ondertekend, terwijl uit de overgelegde stukken blijkt dat deze op 6 april 2020 en op 24 oktober 2022 zijn ondertekend. Eisende partij heeft zich bij akte van 6 augustus 2026 nader uitgelaten. Daarbij heeft zij bewijs overgelegd dat zij deze akte ook aan gedaagde partijen heeft gestuurd.
In haar akte licht eisende partij toe dat de inschrijvingsformulieren die zij hanteert voor akkoord dienen te worden ondertekend, hetgeen digitaal heeft plaatsgevonden. Verder stelt zij dat zij volledig aan haar informatieverplichting heeft voldaan: de inschrijvingsformulieren geven zonneklaar weer wat de rechten en plichten voor de ouders zijn en wat de kosten voor het onderwijs zijn. Wat betreft de Richtlijn oneerlijke bedingen merkt eisende partij op dat zij voldaan heeft aan de toepasselijke informatieplichten.
Zoals overwogen in het tussenvonnis, stelt eisende partij dat gedaagde partijen hun kinderen op 8 september 2023 hebben ingeschreven en deze inschrijving hebben ondertekend. Uit de overgelegde inschrijvingsformulieren blijkt echter dat deze op 6 april 2020 (inschrijving van [naam 1] ) en op 24 oktober 2022 (inschrijving van [naam 2] ) zijn ondertekend. De kantonrechter constateert dat eisende partij, ondanks dat zij hiernaar uitdrukkelijk in het tussenvonnis is gevraagd, niet nader heeft toegelicht hoe haar stelling zich verhoudt tot de overgelegde inschrijvingsformulieren. Hierdoor kan de kantonrechter niet vaststellen dat de stukken die ter onderbouwing van de vordering zijn overgelegd, het gevorderde kunnen dragen. Zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, is niet vast te stellen of de overgelegde inschrijvingsformulieren een grondslag vormen voor de vordering die eisende partij op gedaagde partijen stelt te hebben.
Daar komt bij dat eisende partij ook niet is ingegaan op de vraag van de kantonrechter waarnaar ‘all the terms and conditions’ verwijst. Niet uit te sluiten valt dat er algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn, die niet in deze procedure zijn overgelegd. Daarmee is toetsing van bedingen in die algemene voorwaarden niet mogelijk. Door de voor de beoordeling van belang zijnde feiten niet volledig aan te voeren heeft eisende partij de taak van de kantonrechter, te weten ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden, onmogelijk gemaakt.
Eisende partij heeft in zoverre niet voldaan aan de stelplicht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vordering wordt daarom afgewezen.
Eisende partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen, die aan de kant van gedaagde partijen op nihil worden begroot.
3. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van eisende partij af,
veroordeelt eisende partij in de proceskosten van gedaagde partijen, die op nihil worden begroot.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
5732