ECLI:NL:RBAMS:2026:9171

ECLI:NL:RBAMS:2026:9171

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 14-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer AMS 26 / 604 ea
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 3 juni 2026 geconstateerd dat de besluitvorming van de dienst om ouders voor hun werkelijke schade te compenseren volledig is vastgelopen en dat de alternatieve hersteltrajecten, die bedoeld zijn als versnelling, op gespannen voet staan met het doel en de strekking van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank onderschrijft dit in de kern, maar vindt niet dat er sprake is van een noodsituatie waardoor in het geheel geen beslistermijn kan worden vastgesteld. Uit de toelichting van de dienst blijkt dat er met name sprake is van een capaciteitsprobleem. Dit kan, wat daar ook van zij, niet voor rekening van de ouders komen. De rechtbank is van oordeel dat de dwangsommen nodig zijn om de wettelijk voorgeschreven rechtsbescherming af te dwingen. De rechtbank sluit aan bij de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland en bepaalt dat in beroepen waar niet tijdig is beslist op aanvragen om de werkelijke schade vast te stellen een nadere termijn geldt van 66 weken na afloop van de beslistermijn. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom sluit de rechtbank aan bij door de rechtspraak ontwikkelde (basis-)richtlijn van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank bepaalt dat deze dwangsom ook wordt opgelegd bij opvolgende beroepen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 september 2026 in de zaken tussen

[eiser 1], uit [woonplaats 1],

[eiser 2], uit [woonplaats 1],

[eiser 3], uit [woonplaats 2],

[eiser 4], uit [woonplaats 1],

[eiser 5], uit [woonplaats 1],

[eiser 6], uit [woonplaats 1],

[eiser 7], uit [woonplaats 1],

[eiser 8], uit [woonplaats 1],

[eiser 9], uit [woonplaats 1],

[eiser 10], uit [woonplaats 1],

[eiser 11], uit [woonplaats 1],

[eiser 12], uit [woonplaats 1],

[eiser 13], uit [woonplaats 1],

[eiser 15], uit [woonplaats 1],

[eiser 16], uit [woonplaats 1],

[eiser 17], uit [woonplaats 1],

[eiser 18], uit [woonplaats 1],

[eiser 19], uit [woonplaats 1],

[eiser 20], uit [woonplaats 1],

[eiser 21], uit [woonplaats 1],

[eiser 22], uit,

[eiser 23], uit [woonplaats 1],

[eiser 24], uit [woonplaats 1],

[eiser 25], uit [woonplaats 1],

[eiser 26], uit [woonplaats 1],

[eiser 27], uit [woonplaats 3],

[eiser 28], uit [woonplaats 1],

[eiser 30], uit [woonplaats 1],

[eiser 31], uit [woonplaats 1],

[eiser 32], uit [woonplaats 3],

[eiser 33], uit [woonplaats 1],

[eiser 34], uit [woonplaats 1],

Dienst Toeslagen, verweerder (de dienst)

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 26/604, 26/23, 26/29, 26/266, 26/352, 26/390, 26/410, 26/424, 26/426, 26/430, 26/813, 26/1003, 26/1109, 26/1110, 26/1114, 26/1395, 26/1440, 26/1478, 26/1483, 26/1631, 26/1673, 26/1730, 26/1808, 26/1856, 26/1966, 26/2045, 26/2086, 26/2100, 26/2246, 26/2576, 26/2591, 26/3276, 26/3341 en 26/3355.

(gemachtigde: mr. A. Frederiksen),

(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer, waarnemer mr. S. Lopez-Zondervan),

(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer, waarnemer mr. S. Lopez-Zondervan),

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),

(gemachtigde: mr. M. Kartal, waarnemer mr. A. Frederiksen),

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),

(gemachtigde: mr. T. van Uden),

(gemachtigde: mr. J. van den Ende, waarnemer mr. C.H. Bijvank),

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),

(gemachtigde: mr. M. Kartal, waarnemer mr. A. Frederiksen),

[eiser 14] , uit [woonplaats 1],

(gemachtigde: mr. M. Kartal, waarnemer mr. A. Frederiksen),

(gemachtigde: F.R.G. Keijzer, waarnemers mr. Van den Boogaard en mr. J.S. Vlieger),

(gemachtigde: mr. S.C. Peeters, waarnemer mr. A. Laghmouchi),

(gemachtigde: mr. T. van Uden),

(gemachtigde: mr. C.H. Bijvank),

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),

(gemachtigde: mr. J. van den Ende, waarnemer mr. C.H. Bijvank),

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra, waarnemer mr. A. Frederiksen),

(gemachtigde: mr. F. Boukich, waarnemer mr. A. Laghmouchi),

(gemachtigde: mr. W.H. Boomstra, waarnemer mr. De Jong),

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),

(gemachtigde: mr. S.C. Peeters, waarnemer mr. A. Laghmouchi),

(gemachtigde: mr. A. Frederiksen),

(gemachtigde: mr. J.F. Cheung, waarnemer mr. C.H. Bijvank),

(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak, waarnemer mr. A. Laghmouchi),

[eiser 29] , uit [woonplaats 1],

(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi),

(gemachtigde: mr. J.F. Cheung, waarnemer mr. C.H. Bijvank),

(gemachtigde: mr. J. van den Ende, waarnemer mr. C.H. Bijvank),

(gemachtigde: mr. A. Frederiksen),

(gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib),

(gemachtigde: mr. A. Frederiksen),

hierna tezamen: eisers

en

(gemachtigden: mr. Q. Overeijnder en mr. E.R. Darantinao).

1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 3 juni 2026 geconstateerd dat de besluitvorming van de dienst om ouders voor hun werkelijke schade te compenseren volledig is vastgelopen en dat de alternatieve hersteltrajecten, die bedoeld zijn als versnelling, op gespannen voet staan met het doel en de strekking van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank onderschrijft dit in de kern, maar vindt niet dat er sprake is van een noodsituatie waardoor in het geheel geen beslistermijn kan worden vastgesteld. Uit de toelichting van de dienst blijkt dat er met name sprake is van een capaciteitsprobleem. Dit kan, wat daar ook van zij, niet voor rekening van de ouders komen. De rechtbank is van oordeel dat de dwangsommen nodig zijn om de wettelijk voorgeschreven rechtsbescherming af te dwingen. De rechtbank sluit aan bij de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland en bepaalt dat in beroepen waar niet tijdig is beslist op aanvragen om de werkelijke schade vast te stellen een nadere termijn geldt van 66 weken na afloop van de beslistermijn. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom sluit de rechtbank aan bij door de rechtspraak ontwikkelde (basis-)richtlijn van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank streeft naar zoveel mogelijke uniformiteit en bepaalt daarom dat deze dwangsom ook wordt opgelegd bij opvolgende beroepen.

Procesverloop

In de periode januari tot en met juni 2026 hebben eisers ieder afzonderlijk beroepen niet tijdig beslissen ingediend bij de rechtbank. De dienst heeft op deze beroepen gereageerd met verweerschriften.

De rechtbank heeft op 24 juni en 2 juli 2026 eisers in de gelegenheid gesteld om te reageren op de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2026.

Eisers hebben hierop gereageerd. De rechtbank heeft aanleiding gezien om alle beroepen gelijktijdig op een zitting van de meervoudige kamer te behandelen. Op 25 augustus 2026 heeft de rechtbank een regiebrief verzonden naar partijen. Daarin is ook verwezen naar de uitspraken van rechtbank Midden-Nederland van 27 juli 2026.

De dienst heeft tegen een van de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland inmiddels hoger beroep ingesteld waarvan de mondelinge behandeling zal plaatvinden op 16 september 2026. De dienst heeft de laatste stand van zaken in een pleitnota toegelicht en op verzoek van de rechtbank het hoger beroepschrift tegen de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland ingebracht. De dienst heeft op 25 augustus 2026 ook om aanhouding van de zaken verzocht. De rechtbank heeft eisers in de gelegenheid gesteld om op dit verzoek te reageren. Een aantal eisers heeft gereageerd, waarna de rechtbank het aanhoudingsverzoek op 26 augustus 2026 heeft afgewezen.

De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1], [eiser 23] (via videoverbinding). De gemachtigden van eisers, mr. A. Frederiksen, mr. J.S. Vlieger, mr. C.H. Bijvank en mr. A. Laghmouchi. Bij de partijstelling staat aangegeven voor welke gemachtigden zij tevens waarnemen. Mr. S. Lopez-Zondervan, mr. De Jong en mr. Van den Boogaard zijn als waarnemer verschenen. In partijstelling staat aangegeven voor welke zaken. De gemachtigden van de dienst hebben eveneens deelgenomen.

De rechtbank heeft de zaken na afloop van de zitting gevoegd en doet met deze uitspraak in alle beroepen uitspraak. Beoordeling door de rechtbank

Overwegingen

Aanvragen vaststelling werkelijke schade

3. Eisers zijn allen gedupeerden van de toeslagenaffaire. Zij hebben de dienst verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wht moet door de dienst op de aanvraag aanvullende compensatie worden beslist binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. De dienst heeft in alle zaken gebruik gemaakt van de verlengingsmogelijkheid. In geen van de zaken heeft de dienst een besluit op de aanvraag genomen.

4. Omdat de dienst nog geen besluiten heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de dienst dit alsnog moet doen. De dienst moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.

Eerdere nadere beslistermijn

5. Met uitspraken op 23 augustus 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) al geconstateerd dat de afhandeling van zowel de compensatie als de aanvullende schade vast dreigt te lopen. De Afdeling heeft toen geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden waarbij een langere nadere termijn nodig is. De Afdeling heeft daarom een nadere algemene beslistermijn vastgesteld op twaalf weken na het verweerschrift ofwel zes weken na de verzending van de uitspraak, onder oplegging van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De Afdeling heeft ook de wetgever opgeroepen om een structurele oplossing te bieden voor de huidige en voorziene toekomstige problemen met de beslistermijnen van de Wht en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat dit de taak van de bestuursrechter te buiten gaat.

Versnellingsmaatregelen

6. Om de hersteloperatie toeslagen te verbeteren en te versnellen, heeft het kabinet op basis van de aanbevelingen van de Commissie van Dam de praktijk van aanvullende schadecompensatie ingrijpend herzien met de introductie van twee alternatieve hersteltrajecten; Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) en MijnHerstel. In beide routes wordt gewerkt met een uniform forfaitair schadekader en beide routes eindigen met een vaststellingsovereenkomst (vso). Aan ouders die een aanvraag voor de vaststelling van de aanvullende schade hebben gedaan en in de wachtrij zijn geplaatst voor afhandeling door de commissie werkelijke schade, is gecommuniceerd dat zij dienen over te stappen op een van deze (civiele) alternatieve hersteltrajecten. Bestuursrechtelijke afdoening via de commissie werkelijke schade wordt ontmoedigd.

Nieuwe lijn van de Afdeling

7. Met de uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling opnieuw geoordeeld over de afhandeling van de werkelijke schade. De Afdeling stelt in deze uitspraak vast dat de besluitvorming om ouders voor hun werkelijke schade te compenseren volledig is vastgelopen en dat de alternatieve hersteltrajecten, die bedoeld zijn als versnelling, op gespannen voet staan met het doel en de strekking van de Wht (die niet is aangepast aan die trajecten). De rechtbank onderschrijft dit oordeel alsook het oordeel dat het sturen van ouders naar deze alternatieve hersteltrajecten onder opschorting van de bestuursrechtelijke afdoening, in strijd is met de (bestuursrechtelijke) grondslag van de Wht. Dit is tussen partijen overigens ook niet in geschil.

8. De rechtbank volgt de Afdeling echter niet in de conclusie dat het onmogelijk is om een beslistermijn vast te stellen die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Het gaat niet om een exacte berekening, maar om een inschatting. Deze conclusie van de Afdeling ontneemt ouders de mogelijkheid om op laagdrempelige wijze rechtsbescherming af te dwingen juist op het moment waar zij dit het hardst nodig hebben. De rechtbank sluit zich daarbij aan bij zowel de rechtbank Midden-Nederland als de rechtbank Gelderland.

Deze rechtbanken hebben nadere beslistermijnen van 66 weken na afloop van de beslistermijn vastgesteld onder oplegging van dwangsommen.

Vaststelling nadere beslistermijn

9. Uit de informatie van de dienst blijkt dat van de ongeveer 20.551 aanvragen, er ongeveer 4.400 met een beschikking of een vaststellingovereenkomst zijn afgerond. Voor ongeveer 16.000 ouders loopt nog een traject. De rechtbank ziet hierin op zichzelf niet een zodanig groot aantal dat er geen realistische termijn kan worden vastgesteld voor een bestuursrechtelijke afdoening. Ter vergelijking, voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) waar ook grote achterstanden zijn en het gaat om complexe beoordelingen bij een gebrek aan uitvoeringscapaciteit, is de prognose dat de achterstanden oplopen tot 100.000 tot 150.000 wachtenden in 2030, terwijl bij deze beroepen nog altijd een nadere termijn wordt bepaald onder oplegging van een dwangsom. De rechtbank deelt dan ook niet het standpunt van de Afdeling dat artikel 8:55d van de Awb haar werking heeft verloren. Dit zou neerkomen op een (overigens door de dienst ook niet bepleite) nood- of uitzonderingssituatie. Uit de toelichting van de dienst op de zitting blijkt dat er sprake is van een capaciteitsprobleem. Dat is iets anders en hoort, wat daar ook verder van zij, niet op de schouders van eisers te rusten.

10. In haar uitspraken van 27 juli 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland gewezen op de gemiddelde doorlooptijd in het jaar 2025 van ruim 118 weken. Omdat de wettelijke beslistermijn 52 weken bedraagt, heeft die rechtbank een nadere beslistermijn van 66 weken bepaald. Die termijn is niet onnodig lang en niet onrealistisch kort geacht. Op de zitting in de hier voorliggende zaken heeft de dienst desgevraagd expliciet verklaard dat een nadere beslistermijn van 66 weken niet bij voorbaat onhaalbaar is. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat dit niet met zekerheid is te zeggen, kan in het vorenstaande wel een aanknopingspunt worden gezien voor een niet onrealistisch korte beslistermijn. Dat gegevens ontbreken over de effecten van bestaande maatregelen, maakt nog niet dat 66 weken onrealistisch kort is. Bovendien is niet gebleken dat eventueel nieuwe maatregelen om de bestaande capaciteit te vergroten zijn uitgesloten.

11. Volgens de dienst wordt met een generieke nadere beslistermijn ten onrechte geen rekening gehouden met de verschillende trajecten of fasen waarin de aanvragen zich bevinden. Dit laatste brengt met zich dat elk afzonderlijke zaak een andere resterende behandeltijd kan hebben. Ter illustratie heeft de dienst gewezen op een zogenoemde "schaakklok" op de website waarmee de dienst en ouders kunnen bijhouden wie van hen aan zet is. De rechtbank ziet echter niet in waarom daardoor op voorhand geen generieke nadere beslistermijn kan worden bepaald. Indien volgens de dienst sprake is van een situatie waarin de beslistermijn in het bestuursrechtelijk traject is opgeschort, zodat de beslistermijn niet is verstreken, kan dat eventueel in een procedure over een beroep niet tijdig beslissen worden aangevoerd.

12. De rechtbank onderschrijft de conclusie van de Afdeling in de uitspraken van 23 augustus 2023 dat het niet de taak is van de bestuursrechter om een structurele oplossing te bieden voor de (uitvoerings-)problemen waarmee de dienst kampt. De rechtbank wijst erop dat als het huidige systeem van beslistermijn en dwangsommen niet langer geschikt is voor de hersteloperatie toeslagen, het aan de wetgever is om daarin te voorzien door middel van wetgeving. De rechtbank roept daarbij in herinnering dat toenmalig minister-president Rutte op 15 januari 2021 (onder aanhaling van een voorganger, Cort van der Linden) bij het aftreden van het kabinet Rutte III wegens de toeslagenaffaire onder meer het volgende verklaarde:

De rechtsstaat moet burgers beschermen tegen een almachtige overheid en dat is hier op een verschrikkelijke manier mis gegaan. (…)

De kabinetsreactie gaat natuurlijk over financiële compensatie aan de getroffen ouders – dat is nu het eerste dat goed geregeld moet worden. En daar gaan we hoe dan ook mee door. Maar natuurlijk is voor de toekomst meer nodig.

Want het kan en mag niet nog een keer zo verschrikkelijk misgaan.

Dat van de zijde van eisers het begrip "ereschuld" voor de staat is gebruikt, past hierbij.

Vaststelling van de nadere termijn van ouders in de SGH-route

13. De dienst heeft in een aantal beroepen het standpunt ingenomen dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat die ouders (inmiddels) voor de SGH-route hebben gekozen en daarbij hebben aangegeven akkoord te zijn met de opschorting van de beslistermijn gedurende de tijd dat de aanvraag in behandeling is bij SGH.

14. Ouders hebben gemotiveerd betwist dat zij actief hebben gekozen voor de SGH-route en voeren gemotiveerd aan dat zij daar dwingend naartoe zijn gestuurd.

15. De rechtbank stelt voorop dat individuele keuzevrijheid een groot goed is. Die vrijheid krijgt extra juridisch gezicht in het grondwettelijk adagium dat niemand tegen zijn of haar wil van de rechter kan worden afgehouden die de wet hem/haar toekent.

16. Anders dan in de gevallen in het verleden waarin ouders op eigen instigatie kozen voor een traject bij de SGH, staat het (volledige) bestuursrechtelijke traject niet meer als alternatieve optie open, terwijl de wet dat traject wel voorschrijft. Wanneer de dienst dan toch probeert ouders te bewegen alsnog over te stappen naar de SGH (tot elke overstap zij in het verleden kennelijk zelf onvoldoende grond zagen), roept dat op zijn minst vragen op bij de vrijwilligheid van de keuze, en is het aan verweerder om bij betwisting daarvan, de vrijwilligheid van de keuze aannemelijk te maken. Dat is niet gebeurd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het beroep in deze zaken niet-ontvankelijk te verklaren.

Conclusie beslistermijn

17. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande en in het belang van rechtseenheid, aanleiding om aan te sluiten bij de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland en te bepalen dat in alle zaken de nadere termijn van 66 weken na afloop van de beslistermijn geldt. In de zaken waarin deze termijn al is overschreden, heeft een termijn te gelden van twee weken na de verzending van deze uitspraak.

Legt de rechtbank een dwangsom op?

18. In artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb is bepaald dat bij een gegrond beroep een dwangsom wordt opgelegd. Bij de bepaling daarvan staat voor de ouders voorop dat zij de afwikkeling van de schade willen bespoedigen, omdat de trage besluitvorming nieuwe plannen in hun leven en de verwerking van al hetgeen waaraan zij zijn onderworpen in de weg staat. Juist die vertraging ondermijnt het vertrouwen in de overheid. Nu de rechtbank van oordeel is dat een nadere beslistermijn kan worden bepaald, kan niet worden gezegd dat een dwangsom zijn prikkel om sneller te beslissen volledig heeft verloren of voor een ander doel wordt ingezet dan het bespoedigen van de besluitvorming. Voor de toeslagenouders is van belang dat een duidelijke termijn wordt opgelegd en daaraan een dwangsom wordt verbonden. Het is immers het enige rechtsmiddel dat ouders nog resteert om besluitvorming af te dwingen.

19. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom sluit de rechtbank aan bij door de rechtspraak ontwikkelde richtlijn van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank bepaalt dat deze dwangsom ook wordt opgelegd bij opvolgende beroepen.

Vaststelling van de bestuurlijke dwangsom

20. Voor zover eisers hebben verzocht om de al verschuldigde dwangsom vast te stellen stelt de rechtbank in overeenstemming met artikel 4:17 van de Awb vast dat de dienst de maximale dwangsom van € 1.442,- verschuldigd is.

Conclusie en gevolgen

21. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de dienst de onder 17. genoemde termijn krijgt om alsnog besluiten te nemen en aan de dienst de onder 19. genoemde dwangsom in elke zaak wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook, voor zover daarom is gevraagd, de door de dienst al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast.

22. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de dienst het griffierecht aan eisers vergoeden. Daarbij krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Alle gemachtigden hebben een beroepschrift ingediend (ter waarde van 1 punt, met wegingsfactor 0,5 omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de dienst de beslistermijn heeft overschreden). Deze vergoeding bedraagt daarom in totaal € 467,- voor alle gemachtigden. Voor gemachtigden die op de zitting zijn verschenen of voor wie op de zitting is waargenomen wordt een punt voor de zitting toegekend met wegingsfactor 0,5. Voor die gemachtigden geldt een totale vergoeding van € 934,-.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. K.S. Man, leden, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand