RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummers: 81/286428-20 (zaak A) en 81/256433-25 (zaak B)
Datum uitspraak: 14 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in [naam] tegen:
[verdachte] , (hierna: [verdachte] )
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
domicilie kiezend bij zijn raadslieden op het adres:
[adres] .
1. Onderzoek op de zitting
De rechtbank wijst dit vonnis op tegenspraak naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 9, 10, 11 en 16 juni 2026 (inhoudelijke behandeling) en 14 september 2026 (sluiting van het onderzoek op de zitting).
Het Openbaar Ministerie is op die zittingen vertegenwoordigd door mrs. J.D. Weijer en M. Boerlage, beiden officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘officier van justitie’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat [verdachte] en zijn raadslieden, mr. M.A.W. Nillesen en mr. L.M. van Spanjen, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaken die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht op een eerdere zitting op 12 december 2025 gevoegd. Deze zaken worden hierna zaak A en zaak B genoemd.
2. Beschuldiging
[verdachte] wordt er in zaak A na wijziging van de tenlastelegging samengevat van beschuldigd dat hij:
De rechtbank leest het in de laatste vier gedachtestreepjes van de tenlastelegging in zaak A onder feit 2 vermelde ‘stuks’ als ‘kilo’s’, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De officier van justitie heeft op de zitting verzocht dit verbeterd te lezen en de raadslieden hebben zich hiertegen niet verzet. De verbetering van deze misslag schaadt [verdachte] niet in zijn verdediging.
Verder wordt [verdachte] er in zaak B samengevat van beschuldigd dat hij in de periode van 1 april 2020 tot en met 1 juli 2022 in Nederland samen met anderen cobra’s 6 en/of cobra’s 8 heeft verkocht, te koop heeft aangeboden, heeft afgeleverd of heeft uitgedeeld, wetende dat die cobra’s voor het leven of de gezondheid schadelijk waren. Daarbij is het schadelijke karakter ervan verzwegen.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De tekst van de volledige en in zaak A gewijzigde tenlastelegging(en) is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit.
3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Op grond van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering moet de rechtbank voordat zij aan de inhoudelijke beoordeling van [naam] toekomt, onder andere onderzoeken of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dat niet het geval is, omdat het gelijkheidsbeginsel is geschonden nu alleen [verdachte] voor hetgeen in zaak B aan hem is tenlastegelegd wordt vervolgd, terwijl medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) een vergelijkbare rol heeft als verdachte en hier niet voor wordt vervolgd.
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van [verdachte] , omdat er geen sprake is van gelijke gevallen en daarmee het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Zoals de officier van justitie heeft aangevoerd, is er bij medeverdachte [medeverdachte 1] op basis van het dossier sprake van een andere bewijspositie.
4. Beoordeling beschuldiging
Aanleiding en onderzoek 03Kaan
De verdachten in het onderzoek 03Kaan zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ). Het onderzoek 03Kaan is gestart op 5 oktober 2020. De aanleiding daarvoor waren onder meer de processenverbaal van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) van de politie van juli 2020. Uit andere grote onderzoeken zijn processen-verbaal overgedragen aan het onderzoeksteam van 03Kaan, zoals het onderzoek 26Lemont en onderzoek Tsunami. Hieruit kwam het beeld naar voren dat er illegale vuurwerkhandel plaatsvond door Nederlandse verdachten vanuit Duitsland waarbij er aanwijzingen waren dat het vuurwerk in oude munitiebunkers werd opgeslagen en vanuit daar naar Nederland werd geëxporteerd.
Vervolgens zijn er in het onderzoek 03Kaan telefoons aangetroffen van meerdere verdachten met daarop geëncrypte communicatiemiddelen, zoals EncroChat, Sky ECC, Wickr en Signal. Er zijn doorzoekingen geweest in verschillende vuurwerkopslagplaatsen in Wietmarschen, Dülmen, Hamminkeln en Kevelaer. Verder hebben er observaties door de politie plaatsgevonden, is afluisterapparatuur geïnstalleerd en zijn camerabeelden bekeken. Tot slot zijn veel getuigen en medeverdachten gehoord. Voorgaand onderzoek heeft geleid tot verschillende zaakdossiers die onder andere betrekking hebben op de vuurwerkhandel in Nederland en Duitsland.
Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezenverklaard. [verdachte] heeft in de hele tenlastegelegde periode als leider deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk de handel in professioneel vuurwerk (zaak A, feit 1). Daarnaast heeft hij in nauwe en bewuste samenwerking met anderen vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen in Wietmarschen (zaak A, feit 2) en in Dülmen (zaak A, feit 3). Tot slot heeft hij ook in nauwe en bewuste samenwerking met andere leden van het crimineel samenwerkingsverband cobra’s 6 en cobra’s 8 te koop aangeboden, verkocht en afgeleverd, waarvan hij het schadelijke karakter heeft verzwegen (zaak B).
Standpunt van de raadslieden
[verdachte] moet worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie (zaak A, feit 1) in de periode voor 1 april 2020 en nadat de berichtendienst EncroChat is gehackt op 12 juni 2020, omdat niet is bewezen dat verdachte zich voor en na die periode bezighield met de handel in vuurwerk. Ook is niet bewezen dat hij in de periode dat hij wel deelnam, samen heeft gewerkt met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Daarnaast moet [verdachte] worden vrijgesproken van het voorhanden hebben en opslaan van het vuurwerk in Wietmarschen (zaak A, feit 2), omdat de betrokkenheid van [verdachte] bij deze opslagplaats niet kan worden bewezen. De berichten die zien op het opstarten van deze locatie kunnen niet de conclusie rechtvaardigen dat [verdachte] het vuurwerk voorhanden heeft gehad of dat hij als medepleger daarvan kan worden aangemerkt.
[verdachte] moet ook worden vrijgesproken van het voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk in Dülmen (zaak A, feit 3), omdat niet is bewezen dat verdachte zich na de hack van de berichtendienst EncroChat heeft beziggehouden met vuurwerkhandel en ook niet met de vuurwerkopslagplaats in Dülmen.
Tot slot moet [verdachte] worden vrijgesproken van het te koop aanbieden, verkopen, afleveren of uitdelen van cobra’s 6 en cobra’s 8 (zaak B). Uit berichten blijkt dat [verdachte] heeft gecommuniceerd dat het dummies zijn en hoeveel flitspoeder er in de cobra’s 6 zou moeten komen te zitten, zodat niet kan worden bewezen dat hij daarvan het schadelijke karakter heeft verzwegen. Daarnaast kan niet worden bewezen dat de cobra’s 6 die door het Nederlands Forensisch Instituut zijn onderzocht, dezelfde zijn als die waarover [verdachte] heeft gechat. Over het aanbieden van cobra’s 8 heeft [verdachte] niet gechat, zodat hij ook daarvan moet worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] als leider en samen met anderen deelnam aan een criminele organisatie met als oogmerk de illegale handel in professioneel vuurwerk (zaak A, feit 1). Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat hij samen met anderen verschillende hoeveelheden professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen in Wietmarschen (zaak A, feit 2) en dat hij samen met anderen schadelijke goederen, te weten cobra’s 6 te koop heeft aangeboden, verkocht en afgeleverd, waarvan hij het schadelijke karakter heeft verzwegen (zaak B). Hij heeft deze feiten echter in een kortere periode gepleegd dan is tenlastegelegd. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van een deel van de ten laste gelegde periode. Ook wordt hij vrijgesproken van het te koop aanbieden van cobra’s 8. Verder spreekt de rechtbank [verdachte] vrij van het in zaak A onder 3 tenlastegelegde, te weten het voorhanden hebben en opslaan van het vuurwerk in de opslaglocatie Dülmen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De identificatie van gebruikersnamen/bijnamen
Voor zover bij het bewijs gebruik gemaakt wordt van berichten die zijn verstuurd via de applicaties EncroChat, Sky ECC, Wickr en Signal, dient allereerst te worden vastgesteld wie ten tijde van het versturen van de berichten de gebruikers waren van die accounts.
[accountnaam]
De rechtbank oordeelt op basis van de verklaring van [verdachte] dat hij de gebruiker was van het EncroChat-account ‘ [accountnaam] ’. [verdachte] heeft op de zitting van 8 juni 2026 namelijk verklaard dat hij de gebruiker was, maar heeft daarbij gezegd dat hij niet de exclusieve gebruiker was. Hij heeft zich vervolgens op zijn zwijgrecht beroepen en desgevraagd niet verder toegelicht wie de andere gebruiker zou zijn en of, en zo ja, wanneer hij het account zou hebben overgedragen. Het dossier biedt evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat er nog een ander persoon gebruik zou hebben gemaakt van het account, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat [verdachte] de enige gebruiker is van het account ‘ [accountnaam] ’. De berichten en de EncroNotes van ‘ [accountnaam] ’ schrijft de rechtbank daarom aan hem toe.
[accountnaam] , [accountnaam] , [accountnaam] en [accountnaam]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het EncroChataccount ‘ [accountnaam] ’, het Wickr-account ‘ [accountnaam] ’, het SKYID ‘ [accountnaam] ’ en de Signal gebruikersnaam ‘ [accountnaam] ’. Daarom zijn de door deze accounts verstuurde berichten aan [medeverdachte 1] toe te schrijven.
[accountnaam] , [accountnaam] , [accountnaam] en [accountnaam]
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 4] de gebruiker is van het EncroChat-account ‘ [accountnaam] ’ en de Wickr-accounts [accountnaam] en ‘ [accountnaam] ’ en de Signal-gebruikersnaam ‘ [accountnaam] ’ en oordeelt dat de berichten van deze accounts zijn toe te schrijven aan [medeverdachte 4] .
[accountnaam] en [accountnaam]
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van de Wickr-accounts van ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’. De berichten die door deze accounts zijn verzonden, zijn daarom aan [medeverdachte 2] toe te schrijven.
Voor de leesbaarheid van dit vonnis en de bewijsmiddelenbijlage worden hierna in plaats van deze accountnamen met inachtneming van het voorgaande de gebruikers van de accounts vermeld.
Professioneel vuurwerk voor particulier gebruik
[verdachte] wordt verweten dat hij handelingen heeft verricht die betrekking hebben op professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik.
Wat als professioneel vuurwerk heeft te gelden in de tenlastegelegde periode, volgt uit de artikelen 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit (oud) en de Tijdelijke regeling ex artikel 1.1.1, derde lid, Vuurwerkbesluit (oud) (hierna: Tijdelijke regeling). In deze regelgeving staat vermeld dat vuurwerk als professioneel wordt gekwalificeerd als het wordt ingedeeld in categorie F4 hetgeen betekent dat het veel gevaar oplevert en uitsluitend bestemd is voor gebruik door personen met gespecialiseerde kennis, en waarvan het geluidsniveau niet schadelijk is voor de menselijke gezondheid. Of als het wordt ingedeeld in categorie F2 en F3, hetgeen betekent dat het weinig of middelmatig gevaar oplevert en niet bij of krachtens het Vuurwerkbesluit, te weten de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk (RACT), is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Verder wordt onder professioneel vuurwerk mede verstaan vuurwerk dat niet behoort tot categorie F1, F2 of F3 maar wel behoort tot vuurwerk bestemd voor particulier gebruik als bedoeld in artikel 1.2.2, zevende lid, Vuurwerkbesluit (oud) of vuurwerk waarvan de bestemming niet kan worden vastgesteld.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat een deel van het aangetroffen en onderzochte vuurwerk is aan te merken als vuurwerk van de categorie F4 of als vuurwerk van de categorie F2 en F3 dat niet bij of krachtens het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Gelet op de hierboven genoemde regelgeving is dit vuurwerk aan te merken als professioneel vuurwerk.
Daarnaast is vuurwerk aangetroffen waarvan geen categorie kon worden vastgesteld of dat was voorzien van categorie P1 of P2. Uit de bewijsmiddelen volgt dat al het vuurwerk dat is aangetroffen bestemd was om uit te leveren aan particulieren. Daarmee is ook dit vuurwerk gelet op het bepaalde in het Vuurwerkbesluit (oud) aan te merken als professioneel vuurwerk.
Bewezenverklaring deelname criminele organisatie (zaak A, feit 1)
[verdachte] wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 als oprichter, leider en/of bestuurder heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had de illegale handel in professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik.
Het juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat onder een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en tenminste één andere persoon. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven.
Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Om van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen spreken, is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en dat hij een aandeel heeft in – of ondersteuning geeft aan – gedragingen die strekken tot óf rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verder is van belang dat voor het bewijs van deelneming niet vereist is dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht.
Beoordeling
i. Criminele organisatie
De rechtbank is van oordeel dat er in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, dat gericht was op de illegale handel in professioneel vuurwerk voor particulier gebruik, bestaande uit in ieder geval (al dan niet gedurende de gehele periode): [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .
De organisatie was vanaf het begin grootschalig en gestroomlijnd en beschikte over en handelde in grote hoeveelheden vuurwerk. Het professioneel vuurwerk werd in het buitenland ingekocht, geleverd en opgeslagen in verschillende gehuurde opslagloodsen in Duitsland, en vervolgens in delen vervoerd naar Nederland en daar gedistribueerd en uiteindelijk geleverd aan particulieren. De leden van de organisatie hielden zich, in wisselende samenstelling, bezig met het huren van verschillende opslagruimtes in Duitsland, het opzetten van een afzetmarkt, de inkoop van vuurwerk en de financiering daarvan, transport naar de opslaglocatie, de opslag zelf, het laden en lossen van vuurwerk, het verspreiden van bestellijsten en de distributie en levering aan de afnemers. Leden van de organisatie kwamen samen bij het garagebedrijf van de vader van [medeverdachte 1] in [plaats] ook wel ‘ [naam] ’ genoemd. Verder maakten zij gebruik van encrypted telefoons, verschillende moeilijk te herleiden gebruikersnamen en jammers. Ruimten en voertuigen werden regelmatig gesweept en er werd gebruikgemaakt van afhaalplekken buiten de opslaglocaties. Een veel gebruikte werkwijze was dat het voertuig van de klant werd afgegeven aan laders die in opdracht van de andere leden van de criminele organisatie het vuurwerk van de opslaglocatie overlaadden in het voertuig van de klant. Alles was erop gericht om zo veel mogelijk buiten het zicht van de politie te blijven.De handel in vuurwerk is seizoensgebonden. Daardoor vonden in bepaalde perioden meer activiteiten binnen de organisatie plaats dan in andere. Binnen de organisatie was een duidelijke taakverdeling en werkwijze aanwezig.
Deelname aan criminele organisatie
[verdachte] was in de periode maart tot en met juni 2020 de gebruiker van het EncroChat-account ‘ [accountnaam] ’. Uit de berichten blijkt dat [verdachte] in die periode met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en anderen spreekt over het inkopen van vuurwerk, het regelen van telefoons, het in gereedheid brengen van vuurwerkopslagplaatsen, het ophalen van geld bij klanten, bestellingen van vuurwerk, de productie van imitatie-cobra’s 6, het gebruik van encrypted telefoons en het nemen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast zijn notities (‘Encronotes van het account ‘ [accountnaam] ’) aangetroffen over prijzen, opslaglocaties, telefoonnummers en vuurwerkfabrieken. Deze gegevens zijn te linken aan de opslagplaatsen Wietmarschen en Kevelaer. Daaruit blijkt dat [verdachte] , als leider, vanaf het begin betrokken was bij het opzetten en uitvoeren van belangrijke processen binnen de organisatie en dat hij daarbij anderen aanstuurde.
[verdachte] heeft aangevoerd dat hij in juni 2020 is gestopt met zijn activiteiten rondom het vuurwerk. Desgevraagd heeft hij niet toegelicht of, en zo ja, op welke wijze hij zijn activiteiten heeft overgedragen. Gelet op de omvang van de organisatie en zijn prominente rol daarin, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat hij – na de hack van EncroChat – van de ene op de andere dag eruit is gestapt. De rechtbank gaat ervan uit dat hij nog een aantal maanden na juni heeft deelgenomen aan de organisatie onder meer om zaken over te dragen. De rechtbank ziet daarvoor ook aanknopingspunten in het dossier. Zo heeft hij in september 2020 nog verschillende reisbewegingen gemaakt naar Duitsland en is hij in de buurt van verschillende opslaglocaties in Duitsland geweest. Dat verdachte daar is geweest voor de botenhandel is niet aannemelijk gemaakt. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier voor deelname gedurende de gehele tenlastegelegde periode. De rechtbank gaat er vanuit dat [verdachte] niet de gebruiker was van het [accountnaam] -account na september 2020.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is bewezen dat [verdachte] van 1 januari 2020 tot en met 1 oktober 2020 als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dat als oogmerk had de handel in professioneel vuurwerk samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . Ten aanzien van [medeverdachte 3] geldt dat hij in een gelijktijdig gewezen vonnis in zijn zaak wordt veroordeeld voor deelname in een andere periode.
Voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk (zaak A, feit 2 en feit 3)
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het voorhanden hebben van voorwerpen vereist is dat de verdachte bewust moet zijn van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder bijvoorbeeld de omvang) of tot exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat verdachte al dan niet samen met zijn mededaders feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken.
Vuurwerkopslaglocatie Wietmarschen (zaak A, feit 2)
Zoals hiervoor is overwogen maakte [verdachte] ten tijde van het aantreffen van het vuurwerk in Wietmarschen nog deel uit van de criminele organisatie. Als leider van de organisatie wist [verdachte] van de opslagplaats in Wietmarschen en had hij er ook feitelijke macht over. De opslag van het vuurwerk vormde immers een essentieel onderdeel van de organisatie die nodig was voor latere verkoop. De aangetroffen voorraad van ongeveer 50.000 kg professioneel vuurwerk op die locatie behoorde aan de organisatie toe. Als leider van de organisatie hield [verdachte] zich onder meer ook bezig met de huur van deze opslagplaats. Daarnaast heeft hij met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] gecommuniceerd over onder andere het in gereedheid brengen van de opslaglocatie en heeft hij met anderen, potentiële afnemers, gecommuniceerd over het aanbieden van vuurwerk dat in september kon worden geleverd. Daarmee heeft hij een bijdrage van voldoende gewicht geleverd bij het voorhanden hebben en opslaan van het vuurwerk in Wietmarschen. Als hij deze processen niet had opgestart en uitgevoerd, zou er ook geen vuurwerk kunnen worden opgeslagen en worden verhandeld vanuit de opslaglocatie in september van dat jaar.
Vuurwerkopslaglocatie Dülmen (zaak A, feit 3)
Op 28 december 2021 is in de opslagplaats in Dülmen ongeveer 14.000 kg professioneel vuurwerk aangetroffen. Ook deze opslaglocatie behoorde toe aan het crimineel samenwerkingsverband. Het vuurwerk in Dülmen is eind 2021 aangetroffen, op het moment dat [verdachte] al meer dan een jaar geen deel meer uitmaakte van de organisatie. Nu er ook geen andere feiten en omstandigheden zijn gebleken waaruit enige betrokkenheid van [verdachte] bij deze hoeveelheid aangetroffen vuurwerk kan worden afgeleid en de rechtbank ervan uitgaat dat de vuurwerkhandel alleen in het herfst- en winterseizoen plaatsvindt, dient hij hiervan te worden vrijgesproken.
Conclusie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is bewezen dat [verdachte] het in Wietmarschen aangetroffen professionele vuurwerk samen met anderen, en in ieder geval met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen.
[verdachte] wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben en opslaan van vuurwerk in Dülmen.
Bewezenverklaring cobra 6 en vrijspraak cobra 8 (zaak B)
Cobra 6
Uit de EncroChat-berichten van ‘ [accountnaam] ’ blijkt dat [verdachte] in 2020 bezig was met het vervaardigen van een eigen merk cobra 6 en dat hij deze in mei 2020 aan verschillende EncroChat-accounts te koop heeft aangeboden. In april 2020 bericht hij dat de cobra’s 6 in januari klaar waren en dat ze vanaf mei te leveren zijn. Hij wacht nog even met de levering, omdat de grenzen nog bewaakt zijn. Eind mei stuurt hij vervolgens naar 35 contacten dat de cobra’s 6 binnen zijn. Uit de berichten blijkt verder dat het [verdachte] veel geld en moeite heeft gekost om ze te laten vervaardigen, zodat er alles aan moet zijn gelegen om die cobra’s 6 ook daadwerkelijk op de markt te brengen en te verkopen.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, volgt uit de bewijsmiddelen dat die cobra’s 6 ook daadwerkelijk aan particulieren zijn verkocht en afgeleverd. Halverwege 2020 werden immers meerdere partijen cobra’s 6 bij particulieren in Nederland aangetroffen met duidelijk andere opschriften en verpakt in een andere (transport)verpakking dan in eerdere jaren in Nederland werden aangetroffen. Dit komt ook overeen met de berichten van [verdachte] , waaruit blijkt dat vanaf eind mei zijn eigen merk cobra 6 binnen is en dat hij die te koop aanbiedt aan klanten. Bovendien heeft [verdachte] foto’s van cobra’s 6 naar [medeverdachte 1] gestuurd waarop dezelfde kenmerken zichtbaar zijn als van de in 2020 op de markt gebrachte cobra’s 6.
De politie heeft deze ‘nieuwe’ cobra’s 6 onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat ze niet voldeden aan de gestelde voorschriften. De cobra’s waren voorzien van een onjuist CEkenmerk, niet onderworpen aan een conformiteitsbeoordeling en niet voorzien van de juiste etikettering. Daarnaast werd de juiste transportgevarenklasse verhuld.
[verdachte] en zijn mededaders moeten van het schadelijke karakter hebben geweten. Het betreft immers nagemaakte cobra’s die vanwege het schadelijke karakter verboden zijn op de Nederlandse consumentenmarkt. Weliswaar is de verkoop van cobra’s 6 aan consumenten in sommige andere landen buiten Nederland niet verboden, maar de consument kan erop vertrouwen dat die cobra’s voldoen aan de normen die in die landen gelden. In dit geval weet de consument in Nederland niet dat zij een ‘nieuwe’ cobra 6 koopt die niet aan die standaarden voldoet. [verdachte] en zijn tussenhandelaren hebben de kopers daar niet van op de hoogte gebracht. Daarmee hebben ze het schadelijke karakter verzwegen.
Van betrokkenheid van verdachte bij de verkoop van deze cobra’s 6 na het vuurwerkseizoen 2020 is niet gebleken. Dat betekent dat alleen de periode van 1 april 2020 tot en met 31 december 2020 kan worden bewezen. De rechtbank gaat er namelijk vanuit dat het vuurwerkseizoen tot eind december loopt, vlak voor de jaarwisseling.
Cobra 8
Nu niet is gebleken van enige betrokkenheid van [verdachte] bij het vervaardigen van cobra’s 8 die in 2021 zijn aangetroffen in de opslaglocatie in Dülmen, wordt [verdachte] daarvan vrijgesproken.
5. Bewezenverklaring
Op basis van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen is bewezen dat [verdachte] :
Zaak A
1.
in de periode van 1 januari 2020 tot en met 1 oktober 2020 in Nederland en/of in Duitsland als leider heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere:
[medeverdachte 1] , en/of
[medeverdachte 2] , en/of
[medeverdachte 4] , en/of
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en opslaan en voorhanden hebben en aan anderen ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik;
2
in de periode van 1 maart 2020 tot en met 24 september 2020 in Nederland en/of in Wietmarschen in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
in een voertuig met kenteken [kenteken]
- meer stuks knalvuurwerk (Cobra 6) en
- meer stuks batterij enkelshotsbuizen (flowerbeds) en
- 70 kg knalvuurwerk (TP2) en
- 32 kg knalvuurwerk (Mad BULL DOG) en
op/nabij de locatie gelegen aan de [adres]
- 9.954 stuks shells en
- 697 stuks batterij enkelshotsbuizen (flowerbeds) en
- 13.050 stuks knalvuurwerk (cobra 6) en
- 1.296 stuks knalvuurwerk (Black widow) en
- 150 stuks knalvuurwerk (Big Thunder) en
- 2 stuks knalvuurwerk (No. 1) en
- 240 stuks knalvuurwerk ( [accountnaam] , why so serious?) en
- 120 stuks knalvuurwerk (SUPER ESPLOSIONE) en
- 8.316 kilo knalvuurwerk (TP2) en
- 364 kilo knalvuurwerk (Exploder 5) en
- 384 kilo knalvuurwerk (Mad Bull Dog) en
- 308 kilo knalvuurwerk (Crazy Robot 1),
zijnde professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen;
Zaak B
in de periode van 1 april 2020 tot en met 31 december 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, waren, te weten cobra‘s 6, heeft verkocht, te koop heeft aangeboden en heeft afgeleverd, wetende dat die cobra’s voor het leven of de gezondheid schadelijk waren, terwijl hij en/of zijn mededader(s) dat schadelijk karakter ervan heeft/hebben verzwegen, immers heeft/hebben hij/zij dat vuurwerk naar/in Nederland doen/laten vervoeren en/of verkocht en/of te koop aangeboden en/of afgeleverd terwijl die cobra’s
- voorzien waren van een onjuist/vals CE-kenmerk en
- niet onderworpen waren aan een conformiteitsbeoordeling en
- niet voorzien waren van een Nederlandse gebruiksaanwijzing en
- de opschriften en gevarenaanduiding op de bij deze cobra 6 behorende transportverpakkingen niet voorzien waren van aanduidingen die de werkelijke aard en gevaarzetting van deze Cobra 6 aanduidden en
- niet voorzien waren van juiste etikettering en een juiste transportgevarenklasseaanduiding en aldus de werkelijke gevarenklasse (1.1G massa-explosief) werd verhuld.
6. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
Gevorderd is dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 72 maanden.
Standpunt van de raadslieden
Bij het bepalen van een straf moet rekening gehouden worden met de overschrijding van de redelijke termijn. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat [verdachte] zich al meer dan zes jaar niet meer met strafbare feiten heeft beziggehouden.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] , zoals daarvan op de zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
[verdachte] en zijn medeverdachten hebben samen een criminele organisatie gevormd die zich bezighield met de grootschalige en winstgevende illegale handel in professioneel vuurwerk. Het vuurwerk werd ingekocht in het buitenland en opgeslagen in Duitsland in bunkers en schuren op een boerenerf. Vanuit deze opslaglocaties werd het vuurwerk via laders en lossers op geheime afspreeklocaties verkocht aan voornamelijk Nederlandse particulieren en Nederland binnengebracht. Daarnaast heeft de organisatie gebruikgemaakt van kwetsbare personen als katvangers voor de aankoop van het vuurwerk en het huren van loodsen, en als laders en lossers. Deze personen, die veelal kampten met problemen zoals verslavingen of financiële moeilijkheden, werden ingezet om de risicovolle werkzaamheden uit te voeren, terwijl de organisatoren zelf zoveel mogelijk buiten beeld bleven.
[verdachte] heeft gedurende ongeveer negen maanden deel uitgemaakt van de criminele organisatie en vervulde daarin een leidende rol. Samen met anderen heeft hij daarbij een grote hoeveelheid aan professioneel vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen in Wietmarschen. Uit het dossier blijkt dat hij met name in de periode van januari tot en met juni 2020 een belangrijke en sturende bijdrage heeft geleverd aan de activiteiten van de organisatie. Dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat hij daarna nog in dezelfde mate actief is geweest, doet aan de ernst van zijn eerdere betrokkenheid niet af. De rechtbank rekent hem aan dat hij zijn handel, ondanks veroordelingen, in 2020 heeft voortgezet. Hij hield zich in die periode bezig met het afschermen van de organisatie, de inkoop van het vuurwerk en het regelen van opslaglocaties.
Bovendien heeft hij zelf cobra’s 6 laten vervaardigen en op de markt gebracht. Deze waren voorzien van een onjuist CE-kenmerk, niet onderworpen aan een conformiteitsbeoordeling en niet voorzien van de juiste etikettering en een juiste transportgevarenklasse werd verhuld. Daarmee was dit vuurwerk – dat al uit zichzelf gevaarlijk is – extra gevaarlijk voor de consument die dit vuurwerk in handen kreeg.
De criminele organisatie waarvan hij de leider was, verhandelde zeer grote hoeveelheden professioneel vuurwerk, waaronder cobra’s, shells, en flowerbeds. Op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving mag dergelijk vuurwerk uitsluitend in handen zijn van personen met gespecialiseerde kennis. Het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden professioneel vuurwerk onder andere in schuren brengt aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich, zoals gevaar op brand en explosies waarmee de veiligheid van omwonenden ernstig in gevaar is gebracht. Dat geldt ook voor het beschikbaar stellen van het vuurwerk aan afnemers, die het vervolgens vervoerden en opsloegen. Daarnaast veroorzaakt het afsteken van zwaar vuurwerk rond de jaarwisseling jaarlijks veel overlast, leidt het tot gewonden en bemoeilijkt het regelmatig de inzet van hulpverleners, die in die periode niet zelden met vuurwerk worden bekogeld.
Persoonlijke omstandigheden
Voorgaande heeft [verdachte] gepleegd terwijl uit zijn strafblad van 31 maart 2026 blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor vuurwerkfeiten. Daarna heeft hij de lucratieve illegale handel in en de opslag van professioneel vuurwerk voortgezet. Zelfs terwijl zijn hoger beroep in de strafzaak Tsunami nog liep, was [verdachte] al begonnen met het in gereedheid brengen van de loods in [plaats] en het laten vervaardigen van cobra’s 6. Kennelijk zag hij de ernst van deze feiten niet in en heeft een veroordeling door de rechtbank hem daarvan niet weerhouden. Inmiddels lijkt [verdachte] dit leven geruime tijd achter zich te hebben gelaten.
Redelijke termijn
Bij het bepalen van de straf is ook bekeken of [naam] van [verdachte] tijdig is afgedaan. De rechtbank beschouwt de inverzekeringstelling van [verdachte] op 17 oktober 2022 als eerste daad van vervolging. [naam] had in beginsel uiterlijk twee jaar later, op 17 oktober 2024, afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. Op de datum van de uitspraak op 14 september 2026 is de redelijke termijn daarom met ongeveer twee jaar overschreden. Dat is een forse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank weegt dit als strafverlagende omstandigheid mee.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande alleen een oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de straf gekeken naar de verschillende rollen van de verdachten binnen de criminele organisatie en naar de duur van de deelname aan die organisatie. [verdachte] heeft een aanzienlijke en bepalende bijdrage geleverd aan het opzetten van de organisatie. Hij was het brein erachter. Op het moment dat hij de organisatie verliet was deze al zo professioneel dat deze kon worden overgedragen aan de anderen. Met name gelet op die rol, past alleen een langdurige gevangenisstraf.
Aan [verdachte] wordt een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan [verdachte] voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de volgende artikelen:
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A onder 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde:
- als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde:
- medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde:
- medeplegen van waren verkopen, te koop aanbieden en afleveren, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijke karakter verzwijgende.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Bruil, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en J.M. van Hall, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 september 2026.