ECLI:NL:RBAMS:2026:9182

ECLI:NL:RBAMS:2026:9182

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 14-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 81/200684-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Uitspraak in de mega 03Kaan. Verdachte en zijn medeverdachten hebben samen een criminele organisatie gevormd die zich bezighield met de grootschalige en winstgevende illegale handel in professioneel vuurwerk. Verdachte heeft gedurende tweeënhalf jaar als leider deelgenomen. Daarnaast heeft hij samen met anderen grote hoeveelheden professioneel vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen op verschillende opslaglocaties. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest op.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Team Strafrecht

Parketnummer: 81/200684-21

Parketnummer vordering tul: 23/002271-18

Datum uitspraak: 14 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] , (hierna: [verdachte] )

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

domicilie kiezen bij zijn raadsman op het adres:

[adres] .

1. Onderzoek op de zitting

De rechtbank wijst dit vonnis op tegenspraak naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 9, 10, 11 en 16 juni 2026 (inhoudelijke behandeling) en 14 september 2026 (sluiting van het onderzoek op de zitting).

Het Openbaar Ministerie is op die zittingen vertegenwoordigd door mrs. J.D. Weijer en M. Boerlage, beiden officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘officier van justitie’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat [verdachte] en (namens) zijn raadsman, mr. D. Vlielander, naar voren hebben/is gebracht.

2. Beschuldiging

[verdachte] wordt er na wijziging van de tenlastelegging samengevat van beschuldigd dat hij:

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De volledige tekst van de gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit.

3. Beoordeling beschuldiging

Aanleiding en onderzoek 03Kaan

De verdachten in het onderzoek 03Kaan zijn [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [verdachte] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ). Het onderzoek 03Kaan is op 5 oktober 2020 gestart. De aanleiding daarvoor was onder meer de processenverbaal van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) van de politie van juli 2020. Uit andere grote onderzoeken zijn processen-verbaal overgedragen aan het onderzoeksteam van 03Kaan zoals het onderzoek 26Lemont en onderzoek Tsunami. Hieruit kwam het beeld naar voren dat er illegale vuurwerkhandel plaatsvond door Nederlandse verdachten vanuit Duitsland waarbij er aanwijzingen waren dat het vuurwerk in oude munitiebunkers werd opgeslagen en vanuit daar naar Nederland werd geëxporteerd.

Vervolgens zijn er in het onderzoek 03Kaan telefoons aangetroffen van meerdere verdachten met daarop geëncrypte communicatiemiddelen, zoals EncroChat, Sky ECC, Wickr en Signal. Er zijn doorzoekingen geweest in verschillende vuurwerkopslagplaatsen in Wietmarschen, Dülmen, Hamminkeln en Kevelaer. Verder hebben er observaties door de politie plaatsgevonden, is afluisterapparatuur (OVC) geïnstalleerd en zijn camerabeelden bekeken. Tot slot zijn veel getuigen en medeverdachten gehoord. Voorgaand onderzoek heeft geleid tot verschillende zaakdossiers die onder andere betrekking hebben op de vuurwerkhandel in Nederland en Duitsland.

Waardering van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezenverklaard. [verdachte] heeft als leider deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk de handel in professioneel vuurwerk (feit 1). Daarnaast heeft hij in nauwe en bewuste samenwerking met anderen vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen in Dülmen (feit 2) en Kevelaer (feit 3).

Standpunt van de raadsman

[verdachte] moet worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie (feit 1) en het met anderen voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk in Dülmen (feit 2) en Kevelaer (feit 3). Niet is bewezen dat [verdachte] de gebruiker is van het Wickr-account [accountnaam] en [accountnaam] .

Ten aanzien van deelname aan de criminele organisatie zeggen de OVC-gesprekken primair niets over de rol van [verdachte] . Subsidiair kan uit de OVC-gesprekken alleen betrokkenheid voor een kortere periode worden afgeleid en kan op basis daarvan geen samenwerking met alle in de tenlastelegging genoemde verdachten worden vastgesteld. Verder zijn er verschillende contra-indicaties voor deelname aan het crimineel samenwerkingsverband.

Primair is er ten aanzien van het voorhanden hebben en opslaan van vuurwerk in Dülmen en Kevelaer geen bewijs voor de betrokkenheid van [verdachte] . Subsidiair kan niet méér worden bewezen dan betrokkenheid in december 2021.

Oordeel van de rechtbank

Op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] als leider deelnam aan een criminele organisatie met als oogmerk de illegale handel in professioneel vuurwerk (feit 1). Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat hij samen met anderen verschillende hoeveelheden professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen in Dülmen (feit 2) en Kevelaer (feit 3). De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De identificatie van gebruikersnamen/bijnamen

Voor zover bij het bewijs gebruik gemaakt wordt van berichten die zijn verstuurd via de applicaties EncroChat, Sky ECC, Wickr en Signal, dient allereerst te worden vastgesteld wie ten tijde van het versturen van de berichten de gebruikers waren van die accounts.

[accountnaam]

De rechtbank oordeelt op basis van de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het EncroChat-account ‘ [accountnaam] ’. De berichten en de EncroNotes van ‘ [accountnaam] ’ schrijft de rechtbank daarom aan hem toe.

[accountnaam] , [accountnaam], en [accountnaam]

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van het EncroChataccount ‘ [accountnaam] ’, het Wickr-account ‘ [accountnaam] ’, het SKYID ‘ [accountnaam] ’ en de Signal gebruikersnaam ‘ [accountnaam] ’. Daarom zijn de door deze accounts verstuurde berichten aan [medeverdachte 2] toe te schrijven.

[accountnaam] , [accountnaam] , [accountnaam] en [accountnaam]

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 4] de gebruiker is van het EncroChat-account ‘ [accountnaam] ’, de Wickr-accounts ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’ en de Signal-gebruikersnaam ‘ [accountnaam] ’ en oordeelt dat de berichten van deze accounts zijn toe te schrijven aan [medeverdachte 4] .

[accountnaam]

Uit het dossier blijkt dat meerdere personen binnen de criminele organisatie, waaronder [medeverdachte 3] van het Wickr-account ‘ [accountnaam] ’ gebruik maakten. Voor zover voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van berichten van dit account zal steeds moeten worden vastgesteld wie de betreffende berichten verstuurde.

[accountnaam]

Er zijn meerdere berichten van eind 2021 aangetroffen tussen de Wickr-accounts ‘ [accountnaam] ’, ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’ die betrekking hebben op de handel in vuurwerk. Gebleken is dat [naam 1] op dat moment de gebruiker was van het account ‘ [accountnaam] ’ en dat het Wickr-account ‘ [accountnaam] ’ op dat moment (ook) door [medeverdachte 3] werd gebruikt.

Uit berichten tussen ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’ enerzijds en tussen ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’ anderzijds volgt dat ‘ [accountnaam] ’ voor beide accounts klanten bedient. Uit die berichten kan verder worden afgeleid dat ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’ op dat moment met elkaar samenwerken. Op 1 december 2021 vraagt ‘ [accountnaam] ’ aan ‘ [accountnaam] ’ of ze met z’n drieën kunnen afspreken en dan wordt diezelfde dag afgesproken op de Kobaltweg in Den Bosch om 22.00 uur. Uit OVC-gesprekken blijkt dan dat [verdachte] op 1 december 2021 naar de DHL rijdt die is gevestigd in een zijstraat van de Kobaltweg in Den Bosch en dat hij om 21.55 uur laat weten dat hij er over een paar minuutjes is. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de accounts ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’ in die periode door twee verschillende personen werden gebruikt en dat [verdachte] op 1 december 2021 één van de drie personen is waarmee is afgesproken.

Verder zijn in de telefoon van [naam 2] chatgesprekken aangetroffen waaruit blijkt dat volgens hem onder andere de gebruiker van ‘ [accountnaam] ’ is aangehouden voor vuurwerkhandel. [naam 2] zegt daarbij dat in die zaak ‘ [accountnaam] ’ zes maanden in voorarrest zou hebben gezeten en dat er twintig maanden tegen hem is geëist. Dit komt overeen met de strafzaak van [verdachte] in het onderzoek Tsunami. Ook geeft hij aan dat ‘ [accountnaam] ’ de 26-jarige en jongere is, hetgeen eveneens overeenkomt met de gegevens van [verdachte] .

Op basis van het voorgaande en gelet ook op het feit dat niet is gebleken dat het account ‘ [accountnaam] ’ door meerdere personen werd gebruikt, is [verdachte] de enige gebruiker geweest van het Wickr-account van ‘ [accountnaam] ’. De berichten die door dit account zijn verzonden zijn daarom aan [verdachte] toe te schrijven.

[accountnaam]

Op 27 juni 2022 is in de woning gelegen aan de [adres] , het adres waarop [verdachte] en [medeverdachte 1] stonden ingeschreven, een telefoon aangetroffen. Op deze telefoon zijn gesprekken aangetroffen van meerdere accounts, waaronder ‘ [accountnaam] ’ met daarachter ‘owner’. Hieruit blijkt dat de gebruiker van de telefoon de Wickr gebruikersnaam ‘ [accountnaam] ’ gebruikt. Er zijn geen aanwijzingen dat het account door meerdere gebruikers werd gebruikt.

Daarnaast zijn op de telefoon andere accounts aangetroffen, zoals ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’, die met [verdachte] in verband kunnen worden gebracht. Achter die accounts stond eveneens ‘owner’. Daarnaast is het account in gebruik vanaf mei 2022. [medeverdachte 1] zat op dat moment in detentie.

Op basis van voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van ‘ [accountnaam] ’, zodat de door dit account verstuurde berichten aan hem zijn toe te schrijven.

Voor de leesbaarheid van dit vonnis en de bewijsmiddelenbijlage worden hierna in plaats van de hiervoor genoemde accountnamen met inachtneming van het voorgaande gebruikers van de accounts vermeld.

Professioneel vuurwerk voor particulier gebruik

[verdachte] wordt verweten dat hij handelingen heeft verricht die betrekking hebben op professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik.

Wat als professioneel vuurwerk heeft te gelden in de tenlastegelegde periode, volgt uit de artikelen 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit (oud) en de Tijdelijke regeling ex artikel 1.1.1, derde lid, Vuurwerkbesluit (oud) (hierna: Tijdelijke regeling). In deze regelgeving staat vermeld dat vuurwerk als professioneel wordt gekwalificeerd als het wordt ingedeeld in categorie F4 hetgeen betekent dat het veel gevaar oplevert en uitsluitend bestemd is voor gebruik door personen met gespecialiseerde kennis, en waarvan het geluidsniveau niet schadelijk is voor de menselijke gezondheid, of als het wordt ingedeeld in categorie F2 en F3, hetgeen betekent dat het weinig of middelmatig gevaar oplevert en niet bij of krachtens het Vuurwerkbesluit, te weten de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk (RACT), is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Verder wordt onder professioneel vuurwerk mede verstaan vuurwerk dat niet behoort tot categorie F1, F2 of F3 maar wel behoort tot vuurwerk bestemd voor particulier gebruik als bedoeld in artikel 1.2.2, zevende lid, Vuurwerkbesluit (oud) of vuurwerk waarvan de bestemming niet kan worden vastgesteld.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat een deel van het aangetroffen en onderzochte vuurwerk is aan te merken als vuurwerk van de categorie F4 of als vuurwerk van de categorie F2 en F3 dat niet bij of krachtens het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Gelet op de hierboven genoemde regelgeving is dit vuurwerk aan te merken als professioneel vuurwerk.

Ten aanzien van de in Dülmen aangetroffen tien batterij enkelschotsbuizen zoals vermeld op pagina B9334, is niet aangevinkt tot welke categorie dit vuurwerk behoort. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de overige enkelschotbuizen die wel zijn ingedeeld in categorie F4, per abuis geen vink is gezet bij categorie F4. De rechtbank stelt daarom vast dat ook deze aangetroffen enkelschotsbuizen professioneel vuurwerk betreft.

Daarnaast is vuurwerk aangetroffen waarvan geen categorie kon worden vastgesteld of dat was voorzien van categorie P1 of P2. Uit de bewijsmiddelen volgt dat al het vuurwerk dat is aangetroffen bestemd was om uit te leveren aan particulieren. Daarmee is ook dit vuurwerk gelet op het bepaalde in het Vuurwerkbesluit (oud) aan te merken als professioneel vuurwerk.

Bewezenverklaring deelname criminele organisatie (feit 1)

[verdachte] wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 als oprichter, leider en/of bestuurder heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als oogmerk had de illegale handel in professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik.

Het juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat onder een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en tenminste één andere persoon. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven.

Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Om van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen spreken, is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en dat hij een aandeel heeft in – of ondersteuning geeft aan – gedragingen die strekken tot óf rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verder is van belang dat voor het bewijs van deelneming niet vereist is dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht.

Beoordeling

i. Criminele organisatie

De rechtbank is van oordeel dat er in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, dat gericht was op de illegale handel in professioneel vuurwerk voor particulier gebruik, bestaande uit in ieder geval (al dan niet gedurende de gehele periode): [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .

De organisatie was vanaf het begin grootschalig en gestroomlijnd en beschikte over en handelde in grote hoeveelheden vuurwerk. Het professioneel vuurwerk werd in het buitenland ingekocht, geleverd en opgeslagen in verschillende gehuurde opslagloodsen in Duitsland, en vervolgens in delen vervoerd naar Nederland en daar gedistribueerd en uiteindelijk geleverd aan particulieren. De leden van de organisatie hielden zich, in wisselende samenstelling, bezig met het huren van verschillende opslagruimtes in Duitsland, het opzetten van een afzetmarkt, de inkoop van vuurwerk en de financiering daarvan, transport naar de opslaglocatie, de opslag zelf, het laden en lossen van vuurwerk, het verspreiden van bestellijsten en de distributie en levering aan de afnemers. Leden van de organisatie kwamen samen bij het garagebedrijf van de vader van [medeverdachte 2] in [plaats] ook wel ‘ [naam 3] ’ genoemd. Verder maakten zij gebruik van encrypted telefoons, verschillende moeilijk te herleiden gebruikersnamen en jammers. Ruimten en voertuigen werden regelmatig gesweept en er werd gebruikgemaakt van afhaalplekken buiten de opslaglocaties. Een veel gebruikte werkwijze was dat het voertuig van de klant werd afgegeven aan laders die in opdracht van de andere leden van de criminele organisatie het vuurwerk van de opslaglocatie overlaadden in het voertuig van de klant. Alles was erop gericht om zo veel mogelijk buiten het zicht van de politie te blijven. De handel in vuurwerk is seizoensgebonden. Daardoor vonden binnen de organisatie in bepaalde perioden meer activiteiten plaats dan in andere. Binnen de organisatie was een duidelijke taakverdeling en werkwijze aanwezig.

Deelname aan criminele organisatie

[verdachte] was vanaf oktober 2020 de gebruiker van het account ‘ [accountnaam] ’ en vanaf 2021 ook van het account [accountnaam] . In 2021 gebruikte hij beide accounts. Eind 2021 zijn er ook meerdere OVC-gesprekken opgenomen in de bus van [verdachte] . Uit de inhoud van de berichten en gesprekken blijkt dat [verdachte] afnemers bediende van vuurwerk en dat hij laders en lossers aanstuurde om vuurwerk uit opslagplaatsen in Dülmen en Kevelaer af te leveren. Hij regelde daarmee belangrijke processen binnen de organisatie en had een aansturende rol. Zo noemde hij [medeverdachte 4] zijn chauffeur (‘ [bijnaam] ’) en stuurde [verdachte] hem aan om het vuurwerk uit de vuurwerkopslagplaatsen in Dülmen en Kevelaer af te leveren. [verdachte] kan daarmee worden aangemerkt als leider binnen de organisatie.

De rechtbank acht, mede gelet op het voorgaande en de aard en omvang van de organisatie, bewezen dat [verdachte] de gehele tenlastegelegde periode als leider heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Uit de inhoud van de gesprekken die eind oktober 2020 tussen [naam 4] en [verdachte] hebben plaatsgevonden, blijkt namelijk dat [verdachte] al in het vuurwerkseizoen van 2020 volop actief was. [naam 4] vraagt immers op 28 oktober 2020 aan [verdachte] of de opslag is gelukt, waarop [verdachte] zegt van niet, maar dat hij nog ergens anders een hal heeft. Daarnaast bestelt [naam 4] vuurwerk bij [verdachte] , waarbij [verdachte] aangeeft dat hij een minimum hoeveelheid hanteert. Het opzetten van een hal, het zorgen dat daar ook vuurwerk ligt en de aanzienlijke en minimale hoeveelheden die bij [verdachte] op dat moment al kunnen worden besteld vergen een aanloopperiode. In het vuurwerkseizoen van 2021 is [verdachte] zeer actief via de accounts ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’. Op 27 juni 2022 wordt een grote hoeveelheid opgeslagen vuurwerk aangetroffen in [adres] . Op basis van berichten en OVC-gesprekken is [verdachte] betrokken bij deze opslagplaats.

Het seizoensgebonden patroon van de vuurwerkhandel is zichtbaar in de communicatie van [verdachte] . De meeste berichten dateren van eind 2020 en eind 2021, waarbij wordt opgemerkt dat op 3 februari 2022 de afluisterapparatuur uit de bus van [verdachte] is verwijderd. Dat betekent echter niet dat [verdachte] daarna, op het moment dat geen activiteiten zijn waargenomen, niet meer aan de criminele organisatie deelnam. Uit het dossier en tijdens de zitting is niet gebleken dat hij op enig moment uit de organisatie is gestapt.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is bewezen dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dat als oogmerk had de handel in professioneel vuurwerk samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .

Voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk (feit 2 en feit 3)

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het voorhanden hebben van voorwerpen vereist is dat de verdachte bewust moet zijn van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder bijvoorbeeld de omvang) of tot exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat verdachte al dan niet samen met zijn mededaders feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken.

Ten tijde van het aantreffen van de grote hoeveelheden professioneel vuurwerk op 28 december 2021 in Dülmen en op 17 juli 2022 in Kevelaer maakte [verdachte] deel uit van de criminele organisatie. Als leider van de organisatie wist hij van beide opslagplaatsen en had hij er ook feitelijke macht over. De opslagplaatsen vormden immers een essentieel onderdeel van de organisatie, die nodig waren voor latere verkoop. De aangetroffen voorraad op die locaties behoorde toe aan de organisatie. Verder geldt ten aanzien van de specifieke locaties nog het volgende.

Vuurwerkopslaglocatie Dülmen (feit 2)

In de periode van september 2021 tot en met december 2021 zijn in Nederland verschillende personen aangehouden met vuurwerk. Bij het uitlezen van hun telefoons blijkt dat er meerdere berichten zijn uitgewisseld over de vuurwerkhandel vanuit Dülmen met de accounts die in gebruik zijn bij [verdachte] en andere leden van de criminele organisatie. Daaruit volgt de betrokkenheid van [verdachte] bij de opslaglocatie in Dülmen. [verdachte] is daarbij degene die beslist over wie vuurwerk vanuit die opslagplaats kon laden en lossen voor klanten en vraagt [medeverdachte 3] dit verder voor hem te regelen. Verder blijkt dat [naam 5] , nadat hij in Dülmen is aangehouden en weer is heengezonden, diezelfde avond nog naar de ‘ [naam 3] ’ gaat en dat daar ontmoetingen plaatsvinden tussen leden van de criminele organisatie waaronder ook [verdachte] .

Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij daarmee een bijdrage van voldoende gewicht geleverd bij het voorhanden hebben en de opslag van het vuurwerk in Dülmen. In die rol was hij een onmisbare schakel in de logistieke keten van de illegale vuurwerkhandel en daarmee ook bij het voorhanden hebben en opslaan van het vuurwerk in Dülmen. Daarmee is er sprake van medeplegen.

Vuurwerkopslaglocatie Kevelaer (feit 3)

Uit de telefoonberichten volgt dat [verdachte] eind december 2021 contact heeft gehad met [naam 6] over bestellingen van vuurwerk in Kevelaer. De raadsman van [verdachte] heeft aangevoerd dat dat mogelijk om vuurwerk uit een andere bunker in Kevelaer ging. [adres] behoorde echter toe aan de criminele organisatie. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier dat de organisatie nog andere bunkers in Kevelaer had of dat [verdachte] betrokken was bij andere bunkers in Kevelaer. Daarnaast is het aangetroffen vuurwerk in [adres] vergeleken met door [verdachte] op 28 december 2021 naar [naam 6] verstuurde bestellijsten met de tekst ‘op te halen Kevelaer’. Daaruit blijkt dat er overeenkomsten zijn tussen de door [verdachte] opgesomde artikelen en het vuurwerk dat in [adres] is aangetroffen. De rechtbank gaat er dus vanuit dat het door [verdachte] uitgeleverde vuurwerk uit [adres] kwam.

Daarmee heeft hij een bijdrage van voldoende gewicht geleverd bij het voorhanden hebben en opslaan van vuurwerk in Kevelaer en is er sprake van medeplegen.

Gelet op het feit dat het om seizoensgebonden werk gaat, is het niet ongebruikelijk dat in juli nog vuurwerk is aangetroffen in de bunker. Dit kan bijvoorbeeld resterende voorraad van het vorige seizoen zijn of nieuw vuurwerk voor de verkoop in het volgende vuurwerkseizoen eind 2022.

Conclusie

De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat [verdachte] het in Dülmen en Kevelaer aangetroffen professionele vuurwerk samen met anderen voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen.

4. Bewezenverklaring

Op basis van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen is bewezen dat [verdachte] :

1.

in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 in Nederland en/of in Duitsland, als leider, heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder

andere:

[medeverdachte 1] ; en/of

[medeverdachte 2] ; en/of

[medeverdachte 4] ; en/of

[medeverdachte 3] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en opslaan en voorhanden hebben en aan anderen ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik;

2.

in de periode van 1 september 2021 tot en met 28 december 2021 in Nederland en/of in Dülmen in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

op/nabij de locatie gelegen aan de [adres]

- 3.302 stuks knalvuurwerk (Cobra 8) en

- 760 stuks knalvuurwerk (CARAMELLA 16g) en

- 880 stuks knalvuurwerk (MAD BULL DOG) en

- 52.000 stuks knalvuurwerk (PETRARDO DMG, TP2 BIG) en

- 6.000 stuks knalvuurwerk (Boss) en

- 585 stuks knalvuurwerk (BLACK THUNDER) en

- 53 stuks knalstrengen (T809) en

- 3.776 stuks shells en

- 308 stuks batterij enkelshotsbuizen (flowerbeds),

zijnde professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen;

3.

in de periode van 1 december 2021 tot en met 27 juni 2022 in Nederland en/of te Kevelaer in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

in [adres] op het [adres]

- 1.458 stuks shells en

- 4.800 stuks knalvuurwerk (cobra 6) en

- 3.400 stuks knalvuurwerk (DIF Thunder 450 Shising) en

- 900 stuks knalvuurwerk (GOLD THUNDER) en

- 1.010 stuks knalvuurwerk (PETARDO DMG) en

- 500 stuks knalvuurwerk (TITAN 5) en

- 1.200 stuks knalvuurwerk (BIG THUNDER) en

- 1.050 stuks knalvuurwerk (cobra 6) en

- 120 stuks knalvuurwerk (cobra 8) en

- 8.800 stuks knalvuurwerk (MEGA BLACK DEVIL) en

- ( ongeveer) 1.085 kg knalvuurwerk (BABY MAGNUM),

zijnde professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen.

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

Eis van de officier van justitie

Gevorderd is dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 38 maanden.

Standpunt van de raadsman

Bij het bepalen van een straf moet rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de procesafspraken die met [medeverdachte 2] zijn gemaakt. Verzocht is de modaliteit van een taakstraf als uitgangspunt te nemen en bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf deze de duur van de periode in voorarrest niet te laten overstijgen.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] zoals daarvan op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

[verdachte] en zijn medeverdachten hebben samen een criminele organisatie gevormd die zich bezighield met de grootschalige en winstgevende illegale handel in professioneel vuurwerk. Het vuurwerk werd ingekocht in het buitenland en opgeslagen in Duitsland in bunkers en schuren op een boerenerf. Vanuit deze opslaglocaties werd het via laders en lossers op geheime afspreeklocaties verkocht aan voornamelijk Nederlandse particulieren en Nederland binnengebracht. Daarnaast heeft de organisatie gebruikgemaakt van kwetsbare personen als katvangers voor de aankoop van het vuurwerk en het huren van loodsen, en als laders en lossers. Deze personen, die veelal kampten met problemen zoals verslavingen of financiële moeilijkheden, werden ingezet om de risicovolle werkzaamheden uit te voeren, terwijl de organisatoren zelf zoveel mogelijk buiten beeld bleven.

[verdachte] heeft gedurende tweeënhalf jaar deel uitgemaakt van de criminele organisatie en vervulde daarin een leidende rol. Samen met anderen heeft hij grote hoeveelheden professioneel vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen in Dülmen en Kevelaer. Uit het dossier blijkt dat hij een belangrijke en sturende bijdrage heeft geleverd. De rechtbank rekent hem aan dat hij zich als leider bezighield met een van de belangrijkste onderdelen van de vuurwerkhandel, namelijk de verkoop ervan aan klanten in Nederland.

De criminele organisatie waarvan hij leider was, verhandelde zeer grote hoeveelheden professioneel vuurwerk, waaronder cobra’s, shells, en flowerbeds. Op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving mag dergelijk vuurwerk uitsluitend in handen zijn van personen met gespecialiseerde kennis. Het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden professioneel vuurwerk onder andere in schuren brengt aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich, zoals gevaar op brand en explosies waarmee de veiligheid van omwonenden ernstig in gevaar is gebracht. Dat geldt ook voor het beschikbaar stellen van het vuurwerk aan afnemers, die het vervolgens vervoerden en opsloegen. Daarnaast veroorzaakt het afsteken van zwaar vuurwerk rond de jaarwisseling jaarlijks veel overlast, leidt het tot gewonden en bemoeilijkt het regelmatig de inzet van hulpverleners, die in die periode niet zelden met vuurwerk worden bekogeld.

Persoonlijke omstandigheden

Voorgaande heeft [verdachte] gepleegd terwijl uit zijn strafblad van 1 april 2026 blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor vuurwerkfeiten. Hij heeft daarna de lucratieve illegale handel in en de opslag van professioneel vuurwerk voortgezet. Kennelijk zag hij de ernst van dit soort feiten niet in. Na zijn aanhouding op 17 oktober 2022 is [verdachte] niet meer met justitie in aanraking gekomen.

Redelijke termijn

Bij het bepalen van de straf is ook bekeken of de zaak van [verdachte] tijdig is afgedaan. De rechtbank beschouwt de inverzekeringstelling van [verdachte] op 17 oktober 2022 als eerste daad van vervolging. De zaak had in beginsel uiterlijk twee jaar later, op 17 oktober 2024, afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. Op de datum van de uitspraak op 14 september 2026 is de redelijke termijn daarom met ongeveer twee jaar overschreden. Dat is een forse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank weegt dit als strafverlagende omstandigheid mee.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande alleen een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de straf gekeken naar de verschillende rollen van de verdachten binnen de criminele organisatie en naar de duur van de deelname aan die organisatie. [verdachte] heeft een leidende rol gehad en was actief betrokken bij een deel van de organisatie namelijk de verkoop van het vuurwerk. Gelet op de aard en omvang van zijn rol en de duur van zijn deelname past een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan [verdachte] voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

8. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 23/002271-18. Dit betreft het onherroepelijk geworden arrest van 21 mei 2021 van het hof van Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. Bevolen is dat van deze straf een gedeelte van zeven maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De proeftijd liep van 29 maart 2022 tot 29 maart 2024.

Daarnaast blijkt dat deze voorwaardelijk veroordeling aan verdachte per post is toegezonden.

[verdachte] heeft zich voor het einde van de proeftijd wederom schuldig gemaakt aan het handelen in professioneel vuurwerk. Nu de proeftijd in de laatste twee maanden van de bewezenverklaarde periode is gestart en de proeftijd inmiddels al ruim twee jaar is verstreken en [verdachte] niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen, ziet de rechtbank aanleiding niet de gehele, maar een gedeelte van de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel te gelasten, te weten drie maanden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de volgende artikelen:

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

- als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde:

- telkens: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van de niet ten uitvoer gelegde straf in de zaak met parketnummer 23/002271-18, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Bruil, voorzitter,

mrs. A.H.E. van der Pol en J.M. van Hall, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C. Bruil

Griffier

  • mr. G. Brokkelkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand