RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 81/315083-20
Datum uitspraak: 14 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in [naam 1] tegen:
[verdachte] , (hierna: [verdachte] )
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .
1. Onderzoek op de zitting
De rechtbank wijst dit vonnis op tegenspraak naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 9, 10, 11 en 17 juni 2026 (inhoudelijke behandeling) en 14 september 2026 (sluiting van het onderzoek op de zitting).
Het Openbaar Ministerie is op die zittingen vertegenwoordigd door mrs. J.D. Weijer en M. Boerlage, beiden officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘officier van justitie’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat [verdachte] en zijn raadsvrouw, mr. S.J. van der Aart, naar voren hebben gebracht.
2. Beschuldiging
3. Beoordeling beschuldiging
Aanleiding en onderzoek 03Kaan
[verdachte] wordt er na wijziging van de tenlastelegging samengevat van beschuldigd dat hij:
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tekst van de gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit.
De verdachten in het onderzoek 03Kaan zijn [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) en [verdachte] . Het onderzoek 03Kaan is op 5 oktober 2020 gestart. De aanleiding daarvoor was onder meer de processenverbaal van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) van de politie van juli 2020. Uit andere grote onderzoeken zijn processen-verbaal overgedragen aan het onderzoeksteam van 03Kaan zoals het onderzoek 26Lemont en onderzoek Tsunami. Hieruit kwam het beeld naar voren dat er illegale vuurwerkhandel plaatsvond door Nederlandse verdachten vanuit Duitsland waarbij er aanwijzingen waren dat het vuurwerk in oude munitiebunkers werd opgeslagen en vanuit daar naar Nederland werd geëxporteerd.
Vervolgens zijn er in het onderzoek 03Kaan telefoons aangetroffen van meerdere verdachten met daarop geëncrypte communicatiemiddelen, zoals EncroChat, Sky ECC, Wickr en Signal. Er zijn doorzoekingen geweest in verschillende vuurwerkopslagplaatsen in Wietmarschen, Dülmen, Hamminkeln en Kevelaer. Verder hebben er observaties door de politie plaatsgevonden, is afluisterapparatuur geïnstalleerd en zijn camerabeelden bekeken. Tot slot zijn veel getuigen en medeverdachten gehoord. Voorgaand onderzoek heeft geleid tot verschillende zaakdossiers die onder andere betrekking hebben op de vuurwerkhandel in Nederland en Duitsland.
Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De ten laste gelegde feiten kunnen bewezen worden verklaard. [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk de handel in professioneel vuurwerk (feit 1). Daarnaast heeft hij in nauwe en bewuste samenwerking met anderen vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen in Dülmen (feit 2) en Hamminkeln (feit 3).
Standpunt van de raadsvrouw
[verdachte] had een uitvoerende en ondergeschikte rol binnen de criminele organisatie (feit 1). Hij moet worden vrijgesproken van het met anderen voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk in Dülmen (feit 2) en Hamminkeln (feit 3). Niet is bewezen dat [verdachte] bewust was van de aanwezigheid van het vuurwerk of daarover handelingsbevoegdheid had.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] samen met anderen deelnam aan een criminele organisatie met als oogmerk illegale handel in professioneel vuurwerk (feit 1). Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat hij samen met anderen verschillende hoeveelheden professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen in Dülmen (feit 2) en Hamminkeln (feit 3).
De identificatie van gebruikersnamen/bijnamen
Voor zover bij het bewijs gebruik gemaakt wordt van berichten die zijn verstuurd via de applicaties EncroChat, Sky ECC, Wickr en Signal, dient allereerst te worden vastgesteld wie ten tijde van het versturen van de berichten de gebruikers waren van die accounts.
[accountnaam]
De rechtbank oordeelt op basis van de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het EncroChat-account ‘ [accountnaam] ’. De berichten en de EncroNotes van ‘ [accountnaam] ’ schrijft de rechtbank daarom aan hem toe.
[accountnaam] , [accountnaam] , [accountnaam] en [accountnaam]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van het EncroChataccount ‘ [accountnaam] ’, het Wickr-account ‘ [accountnaam] ’, het SKYID ‘ [accountnaam] ’ en de Signal gebruikersnaam ‘ [accountnaam] ’. Daarom zijn de door dit account verstuurde berichten aan [medeverdachte 2] toe te schrijven.
[accountnaam]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat meerdere personen binnen de criminele organisatie, waaronder [medeverdachte 2] , van het Wickr-account ‘ [accountnaam] ’ gebruikmaakten.
[accountnaam] , [accountnaam] , [accountnaam] en [accountnaam]
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] de gebruiker is van het EncroChat-account ‘ [accountnaam] ’, de Wickr-accounts [accountnaam] en ‘ [accountnaam] ’ en de Signal-gebruikersnaam ‘ [accountnaam] ’ en dat de berichten van deze accounts zijn toe te schrijven aan [verdachte] .
[accountnaam] en [accountnaam]
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat [medeverdachte 3] de gebruiker is van de Wickr-accounts van ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’. De berichten die door deze accounts zijn verzonden, zijn daarom aan [medeverdachte 3] toe te schrijven.
[accountnaam]
Uit het dossier blijkt dat meerdere personen binnen de criminele organisatie, waaronder [medeverdachte 4] het Wickr-account ‘ [accountnaam] ’ gebruiken.
Voor de leesbaarheid van dit vonnis en de bewijsmiddelenbijlage worden hierna in plaats van deze accountnamen met inachtneming van het voorgaande de gebruikers van de accounts vermeld.
Professioneel vuurwerk voor particulier gebruik
[verdachte] wordt verweten dat hij handelingen heeft verricht die betrekking hebben op professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik.
Wat als professioneel vuurwerk heeft te gelden in de tenlastegelegde periode, volgt uit de artikelen 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit (oud) en de Tijdelijke regeling ex artikel 1.1.1, derde lid, Vuurwerkbesluit (oud) (hierna: Tijdelijke regeling). In deze regelgeving staat vermeld dat vuurwerk als professioneel wordt gekwalificeerd als het wordt ingedeeld in categorie F4 hetgeen betekent dat het veel gevaar oplevert en uitsluitend bestemd is voor gebruik door personen met gespecialiseerde kennis, en waarvan het geluidsniveau niet schadelijk is voor de menselijke gezondheid, of als het wordt ingedeeld in categorie F 2 en F3, hetgeen betekent dat het weinig of middelmatig gevaar oplevert en niet bij of krachtens het Vuurwerkbesluit, te weten de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk (RACT), is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Verder wordt onder professioneel vuurwerk mede verstaan vuurwerk dat niet behoort tot categorie F1, F2 of F3 maar wel behoort tot vuurwerk bestemd voor particulier gebruik als bedoeld in artikel 1.2.2, zevende lid, Vuurwerkbesluit (oud) of vuurwerk waarvan de bestemming niet kan worden vastgesteld.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat een deel van het aangetroffen en onderzochte vuurwerk is aan te merken als vuurwerk van de categorie F4 of als vuurwerk van de categorie F2 en F3 dat niet bij of krachtens het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Gelet op de hierboven genoemde regelgeving is dit vuurwerk aan te merken als professioneel vuurwerk.
Ten aanzien van de in Dülmen aangetroffen tien batterij enkelschotsbuizen zoals vermeld op pagina B9334, is niet aangevinkt tot welke categorie dit vuurwerk behoort. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de overige enkelschotbuizen die wel zijn ingedeeld in categorie F4, per abuis geen vink is gezet bij categorie F4. De rechtbank stelt daarom vast dat ook deze aangetroffen enkelschotsbuizen professioneel vuurwerk betreft.
Daarnaast is vuurwerk aangetroffen waarvan geen categorie kon worden vastgesteld of dat was voorzien van categorie P1 of P2. Uit de bewijsmiddelen volgt dat al het vuurwerk dat is aangetroffen bestemd was om uit te leveren aan particulieren. Daarmee is ook dit vuurwerk gelet op het bepaalde in het Vuurwerkbesluit (oud) aan te merken als professioneel vuurwerk.
Bewezenverklaring deelname criminele organisatie (feit 1)
[verdachte] wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als oogmerk had de illegale handel in professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik.
Het juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat onder een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en tenminste één andere persoon. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven.
Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Om van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen spreken, is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en dat hij een aandeel heeft in – of ondersteuning geeft aan – gedragingen die strekken tot óf rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verder is van belang dat voor het bewijs van deelneming niet vereist is dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht.
Beoordeling
i. Criminele organisatie
De rechtbank is van oordeel dat er in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval (al dan niet gedurende de gehele periode): [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [verdachte] , dat gericht was op de illegale handel in professioneel vuurwerk voor particulier gebruik.
De organisatie was vanaf het begin grootschalig en gestroomlijnd en beschikte over en handelde in grote hoeveelheden vuurwerk. Het professioneel vuurwerk werd in het buitenland ingekocht, geleverd en opgeslagen in verschillende gehuurde opslagloodsen in Duitsland, en vervolgens in delen vervoerd naar Nederland en daar gedistribueerd en uiteindelijk geleverd aan particulieren. De leden van de organisatie hielden zich, in wisselende samenstelling, bezig met het huren van verschillende opslagruimtes in Duitsland, het opzetten van een afzetmarkt, de inkoop van vuurwerk en de financiering daarvan, transport naar de opslaglocatie, de opslag zelf, het laden en lossen van vuurwerk, het verspreiden van bestellijsten en de distributie en levering aan de afnemers. Leden van de organisatie kwamen samen bij het garagebedrijf van de vader van [medeverdachte 2] in [plaats] ook wel ‘ [naam 1] ’ genoemd. Verder maakten zij gebruik van encrypted telefoons, verschillende moeilijk te herleiden gebruikersnamen en jammers. Ruimten en voertuigen werden regelmatig gesweept en er werd gebruikgemaakt van afhaalplekken buiten de opslaglocaties. Een veel gebruikte werkwijze was dat het voertuig van de klant werd afgegeven aan laders die in opdracht van de andere leden van de criminele organisatie het vuurwerk van de opslaglocatie overlaadden in het voertuig van de klant. Alles was erop gericht om zo veel mogelijk buiten het zicht van de politie te blijven. De handel in vuurwerk is seizoensgebonden. Daardoor vonden binnen de organisatie in bepaalde perioden meer activiteiten plaats dan in andere. Binnen de organisatie was een duidelijke taakverdeling en werkwijze aanwezig.
Deelname aan criminele organisatie
[verdachte] was de gehele periode de gebruiker van vier verschillende Encro-,Wickr- en Signal-accounts. Vanaf begin 2020 tot medio 2022 heeft hij via deze accounts meerdere berichten gestuurd aan leden van de organisatie die uitsluitend zien op de activiteiten van die criminele organisatie. In 2020 gaat het met name om berichten met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over het verrichten van werkzaamheden op de opslaglocatie’ [plaats] ’. [verdachte] wordt op 24 september 2020 ook aangehouden als hij die opslaglocatie verlaat met de sleutel van de loods, 24 pakketten vuurwerk en een jammer. In 2021 gaat het onder meer om contacten met [naam contact] die is aangehouden op de opslaglocatie ‘ [plaats] ” en in 2022 gaat het om berichten tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] over het lossen van vuurwerk van een vrachtwagen bij de locatie [plaats] en het organiseren van wie er dan aanwezig zal zijn. Ook is hij vaker gezien bij ‘ [naam 1] ’.
Hieruit blijkt dat [verdachte] vanaf het begin betrokken was bij belangrijke processen binnen de organisatie. Hij had direct contact met de leiders van die organisatie. In Wietmarschen deed hij veel werkzaamheden op de opslaglocatie zelf en bij Dülmen en Hamminkeln was hij meer betrokken bij de organisatie van opslag en levering in de opslagplaatsen. In september 2020 werd hij zelf nog aangehouden met vuurwerk, daarna bleef hij meer uit het zicht van de politie. [verdachte] had een uitvoerende, maar geen ondergeschikte rol binnen de criminele organisatie. Dat volgt alleen al uit het feit dat hij direct contact had met de leiders.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is bewezen dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dat als oogmerk had de handel in professioneel vuurwerk samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .
Voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk (feit 2 en feit 3)
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het voorhanden hebben van voorwerpen vereist is dat de verdachte bewust moet zijn van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder bijvoorbeeld de omvang) of tot exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat verdachte al dan niet samen met zijn mededaders feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken.
Ten tijde van het aantreffen van de grote hoeveelheden professioneel vuurwerk op 28 december 2021 in Dülmen en op 14 juli 2022 in Hamminkeln, maakte [verdachte] deel uit van de criminele organisatie. Als deelnemer van de organisatie wist hij van beide opslagplaatsen en had hij er ook feitelijke macht over. De opslagplaatsen vormden immers een essentieel onderdeel van de organisatie en de aangetroffen voorraad op die locaties behoorde ook toe aan de organisatie. Verder geldt ten aanzien van de specifieke locaties nog het volgende.
Vuurwerkopslaglocatie Dülmen (feit 2)
In de periode van september 2021 tot en met december 2021 zijn in Nederland verschillende personen aangehouden met vuurwerk. Bij het uitlezen van hun telefoons blijkt dat er meerdere berichten zijn over de vuurwerkhandel vanuit Dülmen met de accounts die in gebruik zijn bij leden van de criminele organisatie.
Op 28 december 2021 werden in een loods in Dülmen twee mannen aangehouden. Zij zijn bij hun aanhouding in het bezit van een zogenaamde werktelefoon. Eén van hen ( [naam contact] ) heeft contact met klanten van de organisatie en de ander ( [naam 2] ) is een lader van het vuurwerk. Hun opdrachtgever is [accountnaam] . [verdachte] was vanuit de organisatie betrokken bij de verschillende opslagplaatsen. Bij de doorzoeking in Dülmen is ook een sigarettenpeuk aangetroffen met daarop onder andere het DNA van [verdachte] . Uit de telefoongegevens van de mannen die zijn aangehouden in de loods in Dülmen blijkt dat [verdachte] is opgeslagen als een contact van hen. [verdachte] is op 24 december 2021 (dus vlak voor zijn aanhouding) gezien met [naam contact] en heeft [verdachte] contact met [naam contact] over de politie. Als [naam contact] in Dülmen is aangehouden en wordt heengezonden, gaat hij naar de ‘Zaak’ waar meerdere leden van de criminele organisatie samenkomen, waaronder ook [verdachte] .
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] een bijdrage van voldoende gewicht geleverd bij het voorhanden hebben en opslag van het vuurwerk in Dülmen. In zijn rol was hij een onmisbare schakel in de logistieke keten van de illegale vuurwerkhandel en daarmee ook bij het voorhanden hebben en opslaan van het vuurwerk in Dülmen. Daarmee is er sprake van medeplegen.
Vuurwerkopslaglocatie Hamminkeln (feit 3)
Uit de berichten die [verdachte] en [medeverdachte 2] sturen blijkt dat zij contact hebben over het lossen van een vrachtwagen op 8 juni 2022 in de buurt van Hamminkeln. Op 7 juni 2022 is [verdachte] betrokken geweest bij het regelen van personen die het vuurwerk in Hamminkeln konden lossen op 8 juni 2022. Op 8 juni 2022 is een vrachtwagen gezien op camerabeelden van de loods in Hamminkeln. Dan is [naam contact] wederom aanwezig.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] daarmee een bijdrage van voldoende gewicht geleverd bij het voorhanden hebben en opslaan van het vuurwerk in Hamminkeln.
Conclusie
De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat [verdachte] het in Dülmen en Hamminkeln aangetroffen professionele vuurwerk samen met anderen voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen.
4. Bewezenverklaring
Op basis van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen is bewezen dat [verdachte] :
1.
in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 in Nederland en/of in Duitsland heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder
andere:
[medeverdachte 1] ; en/of
[medeverdachte 2] ; en/of
[medeverdachte 3] ; en/of
[medeverdachte 4] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en opslaan en voorhanden hebben en aan anderen ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik;
2.
in de periode van 1 september 2021 tot en met 28 december 2021 in Nederland en/of in Dülmen in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
op/nabij de locatie gelegen aan de [adres]
- 3.302 stuks knalvuurwerk (Cobra 8) en
- 760 stuks knalvuurwerk (CARAMELLA 16g) en
- 880 stuks knalvuurwerk (MAD BULL DOG) en
- 52.000 stuks knalvuurwerk (PETRARDO DMG, TP2 BIG) en
- 6.000 stuks knalvuurwerk (Boss) en
- 585 stuks knalvuurwerk (BLACK THUNDER) en
- 53 stuks knalstrengen (T809) en
- 3.776 stuks shells en
- 308 stuks batterij enkelshotsbuizen (flowerbeds),
zijnde professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen;
3.
in de periode van 1 september 2021 tot en met 14 juli 2022 in Nederland en/of Hamminkeln in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk
(op/nabij de locatie gelegen aan de [adres] )
- 4.580 stuks shells en
- 260 stuks flowerbeds en
- 2.266,20 kg batterij enkelshotsbuizen (flowerbeds) en
- ongeveer 3.724,10 kg batterij enkelshotsbuizen (flowerbeds) en
- 86 stuks batterij enkelshotsbuizen (flowerbeds) en
- 675 stuks shells en
- 1.331 kg BABY MAGNUM (knalvuurwerk) en
- 164 stuks knalvuurwerk (Black Thunder) en
- 13.980 stuks knalvuurwerk (TP2, PETARDO DMG) en
- 262,45 kg knalstreng(en) en
- 265 stuks knalstrengen,
zijnde professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
Gevorderd is dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden.
Standpunt van de raadsman
Bij het bepalen van een straf moet rekening worden gehouden met de ondergeschikte rol van [verdachte] binnen de criminele organisatie. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is gaan lopen op het moment van aanhouding bij de opslaglocatie van Wietmarschen. Tot slot moet gelet op de veroordeling voor het voorhanden hebben van het vuurwerk in Wietmarschen rekening worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr. Gelet hierop wordt verzocht geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht dan wel de eis aanzienlijk te beperken.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] zoals daarvan op de zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
[verdachte] en zijn medeverdachten hebben samen een criminele organisatie gevormd die zich bezighield met de grootschalige en winstgevende illegale handel in professioneel vuurwerk. Het vuurwerk werd ingekocht in het buitenland en opgeslagen in Duitsland in bunkers en schuren op een boerenerf. Vanuit deze opslaglocaties werd het via laders en lossers op geheime afspreeklocaties verkocht aan voornamelijk Nederlandse particulieren en Nederland binnengebracht. Daarnaast heeft de organisatie gebruikgemaakt van kwetsbare personen als katvangers voor de aankoop van het vuurwerk en het huren van loodsen, en als laders en lossers. Deze personen, die veelal kampten met problemen zoals verslavingen of financiële moeilijkheden, werden ingezet om de risicovolle werkzaamheden uit te voeren, terwijl de organisatoren zelf zoveel mogelijk buiten beeld bleven.
[verdachte] heeft gedurende tweeënhalf jaar deel uitgemaakt van de criminele organisatie. Samen met anderen heeft hij grote hoeveelheden professioneel vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen in Dülmen en Hamminkeln. De rechtbank rekent hem aan dat hij bij veel opslaglocaties betrokken was en betrokken was bij het proces van laden en lossen. Daarmee was hij een belangrijke schakel bij het op de Nederlandse markt brengen van het vuurwerk.
De criminele organisatie verhandelde zeer grote hoeveelheden professioneel vuurwerk, waaronder cobra’s, shells, en flowerbeds. Op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving mag dergelijk vuurwerk uitsluitend in handen zijn van personen met gespecialiseerde kennis. Het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden professioneel vuurwerk onder andere in schuren brengt aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich, zoals gevaar op brand en explosies waarmee de veiligheid van omwonenden ernstig in gevaar is gebracht. Dat geldt ook voor het beschikbaar stellen van het vuurwerk aan afnemers, die het vervolgens vervoerden en opsloegen. Daarnaast veroorzaakt het afsteken van zwaar vuurwerk rond de jaarwisseling jaarlijks veel overlast, leidt het tot gewonden en bemoeilijkt het regelmatig de inzet van hulpverleners, die in die periode niet zelden met vuurwerk worden bekogeld.
Artikel 63 Sr
Uit het strafblad van 1 maart 2026 blijkt dat [verdachte] op 30 oktober 2025 is veroordeeld voor het voorhanden hebben van vuurwerk dat is aangetroffen bij zijn aanhouding op 24 september 2020 in Wietmarschen tot onder meer een gevangenisstraf van 18 maanden en een taakstraf van 240 uren. Dit vonnis is niet onherroepelijk. Op de zitting hebben de officier van justitie en de raadsvrouw te kennen gegeven dat zij in hoger beroep zijn tegen dit vonnis, omdat de straf niet in overeenstemming is met de wet.
Op 1 juli 2026 is de tekst van artikel 63 Sr gewijzigd. De rechtbank gaat uit van de tekst van de wet zoals die gold ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank heeft met artikel 63 sr (oud) rekening gehouden door in aanmerking te nemen welke straf zij passend zou hebben gevonden als het zaaksdossier Wietmarschen gelijktijdig zou zijn aangebracht. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het zwaartepunt bij de criminele organisatie en de rol van verdachte daarin. De straf per opslaglocatie vormt daarmee een beperkt onderdeel van de totale straf die de rechtbank passend en geboden acht.
Redelijke termijn
Bij het bepalen van de straf is ook bekeken of [naam 1] van [verdachte] tijdig is afgedaan. De rechtbank beschouwt de inverzekeringstelling van [verdachte] op 17 oktober 2022 als eerste daad van vervolging. Anders dan de raadsvrouw van [verdachte] heeft aangevoerd, kon [verdachte] bij zijn aanhouding in Wietmarschen nog niet in redelijkheid verwachten dat hij zou worden vervolgd voor de feiten waarvoor hij nu wordt veroordeeld.
[naam 1] had uiterlijk twee jaar na de inverzekeringstelling, op 17 oktober 2024, afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. Op de datum van de uitspraak op 14 september 2026 is de redelijke termijn daarom met ongeveer twee jaar overschreden. Dat is een forse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank weegt dit als strafverlagende omstandigheid mee.
Straf
De rechtbank is van oordeel het voorgaande alleen een oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de straf gekeken naar de verschillende rollen van de verdachten binnen de criminele organisatie en naar de duur van de deelname aan die organisatie. [verdachte] heeft een uitvoerende rol gehad en was gedurende lange periode actief betrokken bij de organisatie. Gelet op de aard en omvang van zijn rol en de duur van zijn deelname past een gevangenisstraf van tweeëntwintig maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan [verdachte] voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
8. Beslag
Onder [verdachte] is munitie in beslag genomen. Het in bezit hebben van munitie is strafbaar gesteld in de Wet wapens en munitie. Munitie moet, voor zover het bezit ervan niet is gecontroleerd, uit het maatschappelijk verkeer worden verwijderd. De officier van justitie heeft onttrekking aan het verkeer van de munitie gevorderd. De munitie heeft echter geen relatie met de ten laste gelegde feiten (één en ander zoals bedoeld in artikel 36c Sr). Ook staat de munitie niet in relatie met soortgelijke feiten (één en ander zoals bedoeld in artikel 36d Sr). Onttrekking aan het verkeer is om die reden als beslissing in dit vonnis niet mogelijk.
Aan de andere kant kan de rechtbank deze verboden voorwerpen niet aan [verdachte] teruggeven, alleen al omdat hij daardoor direct een strafbaar feit begaat. De enige rechtens toegestane en verantwoorde beslissing die de rechtbank kan nemen, is bewaring ten behoeve van de rechthebbende (artikel 353, tweede lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering). Het openbaar ministerie kan dan te zijner tijd, wanneer de daarvoor geldende bewaartermijn is verstreken, alsnog een beslissing nemen met betrekking tot de munitie, die erop neerkomt dat de munitie alsnog aan het verkeer worden onttrokken.
Met betrekking tot de in beslag genomen bestelbus Citroen Berlingo geldt dat niet is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp hiervan zijn gepleegd. Nu er geen grondslag is voor verbeurdverklaring, zal de bestelbus teruggaan naar [verdachte] .
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de volgende artikelen:
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde:
- telkens: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 22 (tweeëntwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp, te weten:
- Nr. 13: 1 STK munitie (goednr.: 726242).
Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslaggenomen voorwerp, te weten:
- Nr. 1: 1 STK Bestelauto (goednr.: 726204).
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Bruil, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en J.M. van Hall, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 september 2026.