RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 81/136991-22
Parketnummer vordering tul: 08/994546-18
Datum uitspraak: 14 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in [naam 1] tegen:
[verdachte] , (hierna: [verdachte] )
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .
1. Onderzoek op de zitting
De rechtbank wijst dit vonnis op tegenspraak naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 9, 10, 11 en 17 juni 2026 (inhoudelijke behandeling) en 14 september 2026 (sluiting van het onderzoek op de zitting).
Het Openbaar Ministerie is op die zittingen vertegenwoordigd door mrs. J.D. Weijer en M. Boerlage, beiden officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘officier van justitie’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat [verdachte] en zijn raadslieden, mrs. R.P.A. Kint en K. Zech, naar voren hebben gebracht.
2. Beschuldiging
[verdachte] wordt er na wijziging van de tenlastelegging samengevat van beschuldigd dat hij:
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tekst van de gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit.
3. Beoordeling beschuldiging
Aanleiding en onderzoek 03Kaan
De verdachten in het onderzoek 03Kaan zijn [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [verdachte] en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ). Het onderzoek 03Kaan is op 5 oktober 2020 gestart. De aanleiding daarvoor waren onder meer de processenverbaal van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) van de politie van juli 2020. Uit andere grote onderzoeken zijn processen-verbaal overgedragen aan het onderzoeksteam van 03Kaan, zoals het onderzoek 26Lemont en onderzoek Tsunami. Hieruit kwam het beeld naar voren dat er illegale vuurwerkhandel plaatsvond door Nederlandse verdachten vanuit Duitsland waarbij er aanwijzingen waren dat het vuurwerk in oude munitiebunkers werd opgeslagen en vanuit daar naar Nederland werd geëxporteerd.
Vervolgens zijn er in het onderzoek 03Kaan telefoons aangetroffen van meerdere verdachten met daarop geëncrypte communicatiemiddelen, zoals EncroChat, Sky ECC, Wickr en Signal. Er zijn doorzoekingen geweest in verschillende vuurwerkopslagplaatsen in Wietmarschen, Dülmen, Hamminkeln en Kevelaer. Verder hebben er observaties door de politie plaatsgevonden, is afluisterapparatuur (OVC) geïnstalleerd en zijn camerabeelden bekeken. Tot slot zijn veel getuigen en medeverdachten gehoord. Voorgaand onderzoek heeft geleid tot verschillende zaakdossiers die onder andere betrekking hebben op de vuurwerkhandel in Nederland en Duitsland.
Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De ten laste gelegde feiten kunnen bewezen worden verklaard. [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk de handel in professioneel vuurwerk (feit 1). Daarnaast heeft hij in nauwe en bewuste samenwerking met anderen vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen in Dülmen (feit 2).
Standpunt van de raadslieden
Primair is het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie (feit 1) en het met anderen voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk in Dülmen (feit 2), omdat niet is bewezen dat [verdachte] de gebruiker is van het Wickr-account ‘ [accountnaam] ’. Subsidiair staat op basis van het dossier onvoldoende vast wie wanneer achter die gebruikersnaam zat en wie welke bijdrage op welk moment zou hebben geleverd. Meer subsidiair moet de ten laste gelegde periode worden beperkt van 28 september 2021 tot en met 30 november 2021. Voor de periode daarvoor en daarna is geen bewijs in het dossier aanwezig.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] , samen met anderen, deelnam aan een criminele organisatie met als oogmerk illegale handel in professioneel vuurwerk (feit 1). Hij heeft dit echter wel in een kortere periode gepleegd dan is tenlastegelegd. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van een deel van de ten laste gelegde periode. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat hij samen met anderen verschillende hoeveelheden professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen in Dülmen (feit 2). De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De identificatie van gebruikersnamen/bijnamen
Voor zover bij het bewijs gebruik gemaakt wordt van berichten die zijn verstuurd via de applicaties EncroChat, Sky ECC, Wickr en Signal, dient allereerst te worden vastgesteld wie ten tijde van het versturen van de berichten de gebruikers waren van die accounts.
[accountnaam]
De rechtbank oordeelt op basis de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het EncroChat-account ‘ [accountnaam] ’. De berichten en de EncroNotes van ‘ [accountnaam] ’ schrijft de rechtbank daarom aan hem toe.
[accountnaam] , [accountnaam] , [accountnaam] en [accountnaam]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van het EncroChataccount ‘ [accountnaam] ’, de Wickr-account ‘ [accountnaam] ’, het SKYID ‘ [accountnaam] ’ en de Signal gebruikersnaam ‘ [accountnaam] ’. Daarom zijn de door deze accounts verstuurde berichten aan [medeverdachte 2] toe te schrijven.
[accountnaam] , [accountnaam] , [accountnaam] en [accountnaam]
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 4] de gebruiker is van het EncroChat-account ‘ [accountnaam] ’ en de Wickr-accounts [accountnaam] en ‘ [accountnaam] ’ en de Signal gebruikersnaam ‘ [accountnaam] ’ en dat de berichten van deze accounts zijn toe te schrijven aan [medeverdachte 4] .
[accountnaam] en [accountnaam]
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat [medeverdachte 3] de gebruiker is van de Wickr-accounts ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’. De berichten die door deze accounts zijn verzonden, zijn daarom aan [medeverdachte 3] toe te schrijven.
[accountnaam]
Uit het dossier blijkt dat meerdere personen waaronder [verdachte] van het Wickr-account ‘ [accountnaam] ’ gebruik maakte. Voor zover voor het bewijs gebruik gemaakt wordt van berichten van dit account zal steeds moeten worden vastgesteld wie die betreffende berichten verstuurde.
Voor de leesbaarheid van dit vonnis en de bewijsmiddelenbijlage worden hierna in plaats van de accountnamen met inachtneming van het voorgaande de gebruikers van de account vermeld.
Professioneel vuurwerk voor particulier gebruik
[verdachte] wordt verweten dat hij handelingen heeft verricht die betrekking hebben op professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik.
Wat als professioneel vuurwerk heeft te gelden in de tenlastegelegde periode, volgt uit de artikelen 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit (oud) en de Tijdelijke regeling ex artikel 1.1.1, derde lid, Vuurwerkbesluit (oud) (hierna: Tijdelijke regeling). In deze regelgeving staat vermeld dat vuurwerk als professioneel wordt gekwalificeerd als het wordt ingedeeld in categorie F4 hetgeen betekent dat het veel gevaar oplevert en uitsluitend bestemd is voor gebruik door personen met gespecialiseerde kennis, en waarvan het geluidsniveau niet schadelijk is voor de menselijke gezondheid, of als het wordt ingedeeld in categorie F 2 en F3, hetgeen betekent dat het weinig of middelmatig gevaar oplevert en niet bij of krachtens het Vuurwerkbesluit, te weten de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk (RACT), is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Verder wordt onder professioneel vuurwerk mede verstaan vuurwerk dat niet behoort tot categorie F1, F2 of F3 maar wel behoort tot vuurwerk bestemd voor particulier gebruik als bedoeld in artikel 1.2.2, zevende lid, Vuurwerkbesluit (oud) of vuurwerk waarvan de bestemming niet kan worden vastgesteld.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat een deel van het aangetroffen en onderzochte vuurwerk is aan te merken als vuurwerk van de categorie F4 of als vuurwerk van de categorie F2 en F3 dat niet bij of krachtens het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Gelet op de hierboven genoemde regelgeving is dit vuurwerk aan te merken als professioneel vuurwerk.
Ten aanzien van de in Dülmen aangetroffen tien batterij enkelschotsbuizen zoals vermeld op pagina B9334, is niet aangevinkt tot welke categorie dit vuurwerk behoort. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de overige enkelschotbuizen die wel zijn ingedeeld in categorie F4, per abuis geen vink is gezet bij categorie F4. De rechtbank stelt daarom vast dat ook deze aangetroffen enkelschotsbuizen professioneel vuurwerk betreft.
Daarnaast is vuurwerk aangetroffen waarvan geen categorie kon worden vastgesteld of dat was voorzien van categorie P1 of P2. Uit de bewijsmiddelen volgt dat al het vuurwerk dat is aangetroffen bestemd was om uit te leveren aan particulieren. Daarmee is ook dit vuurwerk gelet op het bepaalde in het Vuurwerkbesluit (oud) aan te merken als professioneel vuurwerk.
Bewezenverklaring deelname criminele organisatie (feit 1)
[verdachte] wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als oogmerk had de illegale handel in professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik.
Het juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat onder een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en tenminste één andere persoon. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven.
Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Om van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen spreken, is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en dat hij een aandeel heeft in – of ondersteuning geeft aan – gedragingen die strekken tot óf rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verder is van belang dat voor het bewijs van deelneming niet vereist is dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht.
Beoordeling
i. Criminele organisatie
De rechtbank is van oordeel dat er in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 juli 2022 sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, dat gericht was op de illegale handel in professioneel vuurwerk voor particulier gebruik, bestaande uit in ieder geval (al dan niet gedurende de gehele periode): [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] .
De organisatie was vanaf het begin grootschalig en gestroomlijnd en beschikte over en handelde in grote hoeveelheden vuurwerk. Het professioneel vuurwerk werd in het buitenland ingekocht, geleverd en opgeslagen in verschillende gehuurde opslagloodsen in Duitsland, en vervolgens in delen vervoerd naar Nederland en daar gedistribueerd en uiteindelijk geleverd aan particulieren. De leden van de organisatie hielden zich, in wisselende samenstelling, bezig met het huren van verschillende opslagruimtes in Duitsland, het opzetten van een afzetmarkt, de inkoop van vuurwerk en de financiering daarvan, transport naar de opslaglocatie, de opslag zelf, het laden en lossen van vuurwerk, het verspreiden van bestellijsten en de distributie en levering aan de afnemers. Leden van de organisatie kwamen samen bij het garagebedrijf van de vader van [medeverdachte 2] in [plaats] ook wel ‘ [naam 1] ’ genoemd. Verder maakten zij gebruik van encrypted telefoons, verschillende moeilijk te herleiden gebruikersnamen en jammers. Ruimten en voertuigen werden regelmatig gesweept en er werd gebruikgemaakt van afhaalplekken buiten de opslaglocaties. Een veel gebruikte werkwijze was dat het voertuig van de klant werd afgegeven aan laders die in opdracht van de andere leden van de criminele organisatie het vuurwerk van de opslaglocatie overlaadden in het voertuig van de klant. Alles was erop gericht om zo veel mogelijk buiten het zicht van de politie te blijven. De handel in vuurwerk is seizoensgebonden. Daardoor vonden binnen de organisatie in bepaalde perioden meer activiteiten plaats dan in andere. Binnen de organisatie was een duidelijke taakverdeling en werkwijze aanwezig.
Deelname aan criminele organisatie
De rechtbank heeft bij de identificaties van de verschillende accounts al overwogen dat het account ‘ [accountnaam] ’ bij verschillende personen, waaronder [verdachte] in gebruik was. De berichten die door dit account worden verstuurd, gaan allemaal over de vuurwerkhandel en het account is naar het oordeel van de rechtbank een werkaccount van de organisatie. In de bus op naam van [medeverdachte 3] is halverwege november 2021 afluisterapparatuur geplaatst. De stemmen van [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn op opnames herkend en uit de inhoud van de afgeluisterde gesprekken volgt dat op 30 november 2021 om 19.05 uur [medeverdachte 3] tegen [verdachte] zegt dat [verdachte] het moet regelen met ‘hem’ en moet zeggen dat ‘wij’ ervoor zorgen dat de spullen aankomen en dat ‘zij’ lossen en de klanten doen. Op diezelfde datum stuurt ‘ [accountnaam] ’ dan om 19.14 uur een bericht via Wickr naar [naam 2] (‘ [accountnaam] ’) dat alleen gelost hoeft te worden en klanten moeten worden gedaan. Even later vindt er weer een gesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] waarin [medeverdachte 3] zegt dat hij, [verdachte] , het even moet kortsluiten met [accountnaam] . De opdracht die [verdachte] over lossen en klanten van [medeverdachte 3] opgedragen krijgt, stuurt ‘ [accountnaam] ’ door via Wickr aan [naam 2] (‘ [accountnaam] ’). Daaruit leidt de rechtbank af dat [verdachte] op dat moment de berichten aan ‘ [accountnaam] ’ via het account ‘ [accountnaam] ’ verstuurde. Er zijn verder eind 2021 meerdere berichten aangetroffen tussen ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’ ( [medeverdachte 3] ) enerzijds en tussen ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’ anderzijds die betrekking hebben op de handel in vuurwerk en waaruit blijkt dat deze accounts door twee verschillende personen werden gebruikt. Zo stuurt op 1 december 2021 ‘ [accountnaam] ’ aan ‘ [accountnaam] ’ of ze met z’n drieën kunnen afspreken. Uit de berichten blijkt ook dat ‘ [accountnaam] ’ ( [medeverdachte 3] ) en ‘ [accountnaam] ’ met elkaar samenwerkten, hetgeen ook volgt uit de gesprekken die [medeverdachte 3] en [verdachte] met elkaar hebben en die zijn opgenomen in de bus van [medeverdachte 3] over bijvoorbeeld shells, bakwagens, rijden met bussen, klanten, veel geld en Dülmen/Duitsland. [verdachte] maakte dus eind 2021 (ook) gebruik van het werkaccount van de organisatie, ‘ [accountnaam] ’.
Uit de berichten van ‘ [accountnaam] ’ met ‘ [accountnaam] ’ en de OVC-gesprekken in de bus van [medeverdachte 3] blijkt dat [verdachte] via “ [accountnaam] ’ afnemers van vuurwerk uit de opslaglocatie Dülmen bediende, hij gaf daarbij instructies aan ‘ [accountnaam] ’ over het laden en lossen en werkte samen met [medeverdachte 3] . Naar het oordeel van de rechtbank was [verdachte] in november 2021 volop betrokken bij belangrijke processen binnen de organisatie en heeft hij daarmee deelgenomen aan die organisatie.
Aangenomen moet worden, gelet op de aard en omvang van de organisatie, dat [verdachte] niet pas vanaf november 2021 deelnam aan de organisatie. De rechtbank ziet daarvoor ook aanknopingspunten in het dossier. Zo is het voertuig met kentekenplaat op naam van [verdachte] in september 2021 bij ‘ [naam 1] ’, de ontmoetingsplek van de organisatie, gezien. De berichten van [verdachte] via [accountnaam] dateren van november en december 2021. Dat betekent echter niet dat hij daarna, op het moment dat geen activiteiten zijn waargenomen, niet meer aan de criminele organisatie deelnam. Uit het dossier en tijdens de zitting is niet gebleken dat hij op enig moment uit de organisatie is gestapt.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is bewezen dat [verdachte] van 1 september 2021 tot en met 17 juli 2022 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie dat als oogmerk had de handel in professioneel vuurwerk samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Ten aanzien van [medeverdachte 1] geldt dat hij in een gelijktijdig gewezen vonnis in zijn zaak wordt veroordeeld voor deelname in een eerdere periode.
Voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk in Dülmen (feit 2)
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het voorhanden hebben van voorwerpen vereist is dat de verdachte bewust moet zijn van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder bijvoorbeeld de omvang) of tot exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat verdachte al dan niet samen met zijn mededaders feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken.
Ten tijde van het aantreffen van de grote hoeveelheden professioneel vuurwerk op 28 december 2021 in Dülmen maakte [verdachte] deel uit van de criminele organisatie. Als deelnemer aan de organisatie wist hij van de opslagplaats en had hij er ook feitelijke macht over. De opslagplaatsen vormden immers een essentieel onderdeel van de organisatie en de aangetroffen voorraad op die locaties behoorde ook toe aan de organisatie.
Uit de communicatie tussen ‘ [accountnaam] ’, ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’ volgt dat [medeverdachte 3] , [verdachte] en [naam 2] in de periode van 26 november 2021 tot en met 2 december 2021 over de handel in vuurwerk en in het bijzonder het bedienen van de klanten vanuit Dülmen hebben gecommuniceerd. ‘ [accountnaam] ’ stuurt op 30 november 2021 een adres in Dülmen naar [naam 2] en legt uit hoe het laden en lossen in Dülmen eraan toe gaat. Op grond van het hiervoor in rubriek 3.3.3 onder ii. overwogene, stuurde [verdachte] dit bericht.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij daarmee een bijdrage van voldoende gewicht geleverd bij het voorhanden hebben en opslag van het vuurwerk in Dülmen. In zijn rol was hij een onmisbare schakel in de logistieke keten van de illegale vuurwerkhandel en daarmee ook bij het voorhanden hebben en opslaan van het vuurwerk in Dülmen. Daarmee is er sprake van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat [verdachte] het in Dülmen aangetroffen professionele vuurwerk samen met anderen voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen.
4. Bewezenverklaring
Op basis van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen is bewezen dat [verdachte] :
1.
in de periode van 1 september 2021 tot en met 17 juli 2022 in Nederland en/of in Duitsland heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder
andere:
[medeverdachte 2] ; en/of
[medeverdachte 3] en/of
[medeverdachte 4] ; en/of
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en opslaan en voorhanden hebben en aan anderen ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik;
2.
in de periode van 1 september 2021 tot en met 28 december 2021 in Nederland en/of in Dülmen in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
op/nabij de locatie gelegen aan de [adres]
- 3.302 stuks knalvuurwerk (Cobra 8) en
- 760 stuks knalvuurwerk (CARAMELLA 16g) en
- 880 stuks knalvuurwerk (MAD BULL DOG) en
- 52.000 stuks knalvuurwerk (PETRARDO DMG, TP2 BIG) en
- 6.000 stuks knalvuurwerk (Boss) en
- 585 stuks knalvuurwerk (BLACK THUNDER) en
- 53 stuks knalstrengen (T809) en
- 3.776 stuks shells en
- 308 stuks batterij enkelshotsbuizen (flowerbeds),
zijnde professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen;
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
Gevorderd is dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden.
Standpunt van de raadslieden
Aan [verdachte] moet geen hogere gevangenisstraf worden opgelegd dan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast moet bij het bepalen van de straf rekening worden gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn en met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Hij heeft zijn leven op orde en een gevangenisstraf heeft negatieve consequenties op zijn eigen bedrijf, terwijl dit een belangrijke beschermende factor is voor hem.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] zoals daarvan op de zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
[verdachte] en zijn medeverdachten hebben samen een criminele organisatie gevormd die zich bezighield met de grootschalige en winstgevende illegale handel in professioneel vuurwerk. Het vuurwerk werd ingekocht in het buitenland en opgeslagen in Duitsland in bunkers en schuren op een boerenerf. Vanuit deze opslaglocaties werd het vuurwerk via laders en lossers op geheime afspreeklocaties verkocht aan voornamelijk Nederlandse particulieren en Nederland binnengebracht. Daarnaast heeft de organisatie gebruikgemaakt van kwetsbare personen als katvangers voor de aankoop van het vuurwerk en het huren van loodsen, en als laders en lossers. Deze personen, die veelal kampten met problemen zoals verslavingen of financiële moeilijkheden, werden ingezet om de risicovolle werkzaamheden uit te voeren, terwijl de organisatoren zelf zoveel mogelijk buiten beeld bleven.
[verdachte] heeft gedurende tien maanden deel uitgemaakt van de criminele organisatie. Samen met anderen heeft hij grote hoeveelheden professioneel vuurwerk voorhanden gehad en opgeslagen in Dülmen. Uit het dossier blijkt dat hij met name eind 2021 een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de activiteiten van de organisatie. De rechtbank rekent hem aan dat hij zich bezighield met één van de belangrijkste onderdelen van de vuurwerkhandel, namelijk de verkoop van vuurwerk aan klanten in Nederland.
De criminele organisatie verhandelde zeer grote hoeveelheden professioneel vuurwerk, waaronder cobra’s, shells, en flowerbeds. Op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving mag dergelijk vuurwerk uitsluitend in handen zijn van personen met gespecialiseerde kennis. Het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden professioneel vuurwerk onder andere in schuren brengt aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich, zoals gevaar op brand en explosies waarmee de veiligheid van omwonenden ernstig in gevaar is gebracht. Dat geldt ook voor het beschikbaar stellen van het vuurwerk aan afnemers, die het vervolgens vervoerden en opsloegen. Daarnaast veroorzaakt het afsteken van zwaar vuurwerk rond de jaarwisseling jaarlijks veel overlast, leidt het tot gewonden en bemoeilijkt het regelmatig de inzet van hulpverleners, die in die periode niet zelden met vuurwerk worden bekogeld.
Persoonlijke omstandigheden
[verdachte] heeft deze strafbare feiten gepleegd terwijl uit zijn strafblad van 3 juni 2026 blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor vuurwerkfeiten en dat hij ten tijde van het plegen van de strafbare feiten nog in een proeftijd daarvan liep. Hij heeft na te zijn veroordeeld de lucratieve handel in en de opslag van professioneel vuurwerk voortgezet. Kennelijk zag hij de ernst van dit soort feiten niet in. Na zijn aanhouding op 17 oktober 2022 is [verdachte] niet meer met justitie in aanraking gekomen.
Redelijke termijn
Bij het bepalen van de straf is ook bekeken of [naam 1] van [verdachte] tijdig is afgedaan. De rechtbank beschouwt de inverzekeringstelling van [verdachte] op 17 oktober 2022 als eerste daad van vervolging. [naam 1] had in beginsel uiterlijk twee jaar later, op 17 oktober 2024, afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. Op de datum van de uitspraak op 14 september 2026 is de redelijke termijn daarom met ongeveer twee jaar overschreden. Dat is een forse overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank weegt dit als strafverlagende omstandigheid mee.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de straf gekeken naar de verschillende rollen van de verdachten binnen de criminele organisatie en naar de duur van de deelname aan die organisatie. [verdachte] heeft een belangrijke rol gehad bij de verkoop van het vuurwerk. Gelet op de aard en omvang van zijn rol en de duur van zijn deelname past een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan [verdachte] voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
8. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de vordering van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 08/994546-18. Dit betreft het onherroepelijk geworden arrest van 25 mei 2020 van het hof van Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden. Bevolen is dat van deze straf een gedeelte van vijftien maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op drie jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De proeftijd is gestart op 9 juni 2020 en geëindigd op 8 juni 2023.
Daarnaast blijkt dat deze voorwaardelijke veroordeling aan verdachte is bekend gemaakt.
[verdachte] was aldus een gewaarschuwd man. Desondanks heeft hij zich voor het einde van de proeftijd wederom schuldig gemaakt aan het handelen in professioneel vuurwerk. In beginsel kan daarom de volledige tenuitvoerlegging worden gelast. Vanwege het feit dat de proeftijd inmiddels geruime tijd is verlopen ziet de rechtbank aanleiding niet de gehele, maar een gedeelte van de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel te gelasten, te weten tien maanden.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de volgende artikelen:
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
- medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Bruil, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en J.M. van Hall, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 september 2026.