ECLI:NL:RBAMS:2026:9211

ECLI:NL:RBAMS:2026:9211

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 15-09-2026
Zaaknummer 13-011544-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Onderzoek Ketchikan. Veroordeling voor betrokkenheid bij meerdere methamfetaminelaboratoria en voor voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Gevangenisstraf van 30 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-011544-21

Datum uitspraak: 15 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1960,

wonende op het adres [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19, 20, 23, 27 en 30 maart 2026, 3 en 10 april 2026 (inhoudelijke behandeling) en 15 september 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. A. Kerkhoff en mr. M.M. van den Berg (hierna samen: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. S.J. Jansen, mr. M.D. Rijnsburger en mr. F. van den Brink, advocaten te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de overige verdachten in het onderzoek Ketchikan, te weten [medeverdachte 1] (13-011674-21), [medeverdachte 2] (13-012666-21), [medeverdachte 3] (13-059747-21), [medeverdachte 4] (13-222962-21), [medeverdachte 5] (13-222976-21), [medeverdachte 6] (13-017117-26), [medeverdachte 7] (13-090055-25), [medeverdachte 8] (13-090082-25) en [medeverdachte 9] (13-090094-25). De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.

2. Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort samengevat – beschuldigd van de volgende strafbare feiten:

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Inleiding

Deze zaak maakt deel uit van de mega Ketchikan. Onderzoek Ketchikan is gericht op een groep personen die zich in georganiseerd verband bezig zou houden met de productie en handel in synthetische drugs, met name methamfetamine, ook wel crystal meth genoemd. Er werd onderzoek gedaan naar onder meer het opzetten, faciliteren en exploiteren van drugslaboratoria. Lopende het onderzoek zijn er op verschillende locaties, waaronder [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] (België) drugslaboratoria ontmanteld.

Er zijn in totaal elf verdachten gedagvaard. Het Openbaar Ministerie ziet deze elf verdachten als een samenwerkingsverband dat een belangrijke schakel vormt in de grootschalige productie van methamfetamine in Nederland. [verdachte] is één van die verdachten. Hij wordt ervan verdacht een aansturende en coördinerende rol in dit netwerk te hebben gehad.

Die verdenking heeft, nadat de rechtbank de dagvaarding in zijn zaak in 2022 nietig heeft verklaard (Ketchikan I), geresulteerd in de hierboven weergegeven tenlastelegging. De zaak is vervolgens in 2026 opnieuw door het Openbaar Ministerie aangebracht (Ketchikan II).

4. Onherstelbare vormverzuimen

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in het onderzoek Matanuska en bij de start van het onderzoek Ketchikan sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen en heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

[verdachte] is gedurende het onderzoek Matanuska en al vóór de start van Ketchikan gericht onderwerp van onderzoek geworden, zonder dat daarvoor de vereiste wettelijke grondslagen aanwezig waren. Er is sprake geweest van stelselmatige observatie zonder bevel, onrechtmatige verkrijging van historische en toekomstige parkeergegevens, en een gebrekkige verslaglegging van de ingezette opsporingsmiddelen.

Het Openbaar Ministerie heeft onvoldoende openheid gegeven over het verloop van het onderzoek Matanuska waarover meermaals in strijd met de waarheid is verklaard dat alles was verstrekt. Stukken zijn pas na herhaalde verzoeken en rechterlijke beslissingen verstrekt, terwijl ook daarna geen volledig beeld is ontstaan van de wijze waarop [verdachte] in beeld is gebracht en welke opsporingsmiddelen tegen hem zijn ingezet. De start van onderzoek Ketchikan is gebaseerd op informatie die in onderzoek Matanuska onrechtmatig is verkregen en deze informatie heeft vervolgens ten grondslag gelegen aan de inzet van ingrijpende opsporingsmiddelen, waaronder OVC, taps en observaties. Hieraan moeten rechtsgevolgen worden verbonden.

De verdediging heeft primair verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] , aan zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om uitsluiting van het bewijs dat direct of indirect is verkregen door middel van OVC’s, telefoontaps, stelselmatige observaties en de inzet van locatiegegevens, met vrijspraak als gevolg. Er is sprake van besmet bewijsmateriaal en ook de resultaten die uit deze opsporingsmiddelen zijn voortgevloeid moeten van het bewijs worden uitgesloten.

Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de behandeling aan te houden voor nader onderzoek, waaronder voeging van het journaal en de infosets en het horen van de officier van justitie, mr. Kerkhoff.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van onrechtmatige opsporing in het onderzoek Matanuska en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De inzet ten aanzien van [verdachte] was beperkt, gericht op identificatie en passend binnen de algemene politietaak van artikel 3 Politiewet. Van stelselmatige observatie was geen sprake. Voor zover de rechtbank zou oordelen dat wel sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim, betreft dit hooguit een beperkt verzuim. Dan kan slechts worden gedacht aan één of twee observaties kort voordat het bevel stelselmatige observatie werd verleend.

Beter was geweest als het Openbaar Ministerie en de politie aan het eind van het onderzoek Matanuska een overzichtsverbaal hadden opgesteld waarin uiteen was gezet wat er is gedaan, in plaats van de rechtbank en de verdediging opzadelen met een zoekplaatje in het BOB-dossier. Er is echter geen sprake geweest van het bewust achterhouden van informatie.

Evenmin is de verdediging door de gang van zaken op een wijze in haar belangen geschaad die tot niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Er is geen sprake van doelbewust handelen of grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] . Ook is er geen sprake van een zodanige schending van het recht op een eerlijk proces of van de persoonlijke levenssfeer dat bewijsuitsluiting aan de orde is.

De verweren van de verdediging moeten worden verworpen. Voor zover de rechtbank een vormverzuim zou aannemen, kan worden volstaan met de constatering daarvan dan wel hooguit met strafvermindering. De vragen die bij de verdediging en de rechtbank leefden zijn tijdens het onderzoek ter terechtzitting beantwoord. Er bestaat geen aanleiding voor nader onderzoek. Dat verzoek moet worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

Verloop onderzoek Matanuska

4.3.1.1. Feitelijk verloop van het onderzoek ten aanzien van [verdachte]

De rechtbank stelt op basis van het dossier, waaronder de stukken uit onderzoek Matanuska en de later verstrekte aanvullende processen-verbaal en afgelegde verklaringen, het volgende vast.

Het onderzoek Matanuska is op 29 juli 2020 gestart naar aanleiding van een TCI-melding, inhoudende dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in contact stond met een man die in Amsterdam zware automatische vuurwapens te koop aanbood. Omdat dit telefoonnummer niet op naam stond geregistreerd, zijn opsporingsmiddelen ingezet om de gebruiker van dat nummer te identificeren. Die gebruiker is later geïdentificeerd als [persoon 1] .

Op 4 augustus 2020 is tijdens een observatie van [persoon 1] een ontmoeting waargenomen tussen [persoon 1] en een persoon die in het onderzoek werd aangeduid als [verdachte] . Deze [verdachte] reed in een Ford Fiesta met kenteken [kenteken 1] en is later geïdentificeerd als [verdachte] .

Op 5 augustus 2020 is de Ford Fiesta met toestemming van de officier van justitie in het ANPR-systeem gezet. Diezelfde dag is een ANPR-hit op Schiphol gegenereerd. Via de CCTR-camera’s van de Koninklijke Marechaussee zijn vervolgens beelden van [verdachte] met de Ford Fiesta vastgelegd. Daarna is geprobeerd de Ford Fiesta te volgen, maar dat is toen niet gelukt, waarna de Ford Fiesta is gelokaliseerd aan de hand van parkeergegevens.

Op 5 augustus 2020 zijn bij de gemeente Amsterdam historische parkeergegevens van de Ford Fiesta gevorderd. Daarnaast is een vordering gedaan tot verstrekking van toekomstige parkeergegevens voor de periode van 5 augustus 2020 tot en met 15 augustus 2020. Uit de later ter terechtzitting verstrekte informatie volgt dat deze werkwijze inhield dat de database met parkeergegevens iedere tien minuten automatisch werd geraadpleegd op gezochte voertuigen. Een hit op het kenteken werd automatisch vanuit de gemeente Amsterdam per e-mail ter beschikking gesteld aan het Regionaal Service Centrum, dat deze melding per e-mail doorzette naar het onderzoeksteam. Uit in de systemen van de politie in 2026 teruggevonden e-mails blijkt dat op 6, 7 en 8 augustus 2020 parkeermeldingen over de Ford Fiesta aan het onderzoeksteam zijn doorgegeven. Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 2026, betreffende parkeergegevens [kenteken 1] , volgt dat het ging om meer doorgezette parkeermeldingen dan die zijn doorgegeven via de drie teruggevonden e-mails.

Vanaf dan is [verdachte] , dan wel [verdachte] of de Ford Fiesta, gericht in beeld gebracht. Uit het dossier volgt dat dit in elk geval is gebeurd op 6 augustus 2020, 7 augustus 2020, 10 augustus 2020, 19 augustus 2020 en 20 augustus 2020.

Op 6 augustus 2020 is de Ford Fiesta waargenomen aan de [adres 2] te Amsterdam. Uit het proces-verbaal van observatie is niet af te leiden wat de aanleiding was om in de [adres 2] te observeren. Verbalisant [verbalisant 2] heeft ter terechtzitting van 27 maart 2026 als getuige verklaard dat hij de Ford Fiesta die dag fysiek heeft aangetroffen na een zoekslag op basis van parkeergegevens en dat die gegevens zagen op de omgeving [locatie 1] en niet specifiek op de [adres 2] .

Op 10 augustus 2020 zijn de Ford Fiesta en [verdachte] opnieuw geobserveerd. Daarbij is gezien dat [verdachte] vanuit de richting van de hoofdingang van de flat [naam flat] naar de Ford Fiesta liep. Vervolgens zijn verplaatsingen en ontmoetingen waargenomen, waaronder een rit naar Velp , waar de Ford Fiesta onder meer is gezien bij het [adres 3] en later bij de parkeerplaats bij het benzinestation Esso.

Tot en met 10 augustus 2020 werd verdachte nog aangeduid als [verdachte] . Op 11 augustus 2020 is hij als de bestuurder van de Ford Fiesta gecontroleerd en heeft hij zich geïdentificeerd als [verdachte] .

Op 19 en 20 augustus 2020 is [verdachte] opnieuw geobserveerd. Op 19 augustus 2020 is een ontmoeting waargenomen bij een speeltuin achter woningen aan de [adres 4] in Amsterdam. Op 20 augustus 2020 is gedurende langere tijd geobserveerd, waarbij is gezien dat [verdachte] verschillende locaties aandeed en later een ontmoeting had.

Op 20 augustus 2020 is het onderzoek Ketchikan gestart en op 21 augustus 2020 is voor het eerst een bevel stelselmatige observatie van [verdachte] aangevraagd. Dit bevel is op 24 augustus 2020 verleend. Tot dat moment was er dus geen bevel afgegeven voor de stelselmatige observatie van [verdachte] .

Waar onderzoek Matanuska aanvankelijk was gestart naar aanleiding van informatie over zware automatische vuurwapens, is [verdachte] vervolgens in verband gebracht met mogelijke betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen. Die verdenking is gebaseerd op de waargenomen contacten van [verdachte] , de veronderstelde antecedenten van die contacten, zijn gebruik van de Ford Fiesta en informatie uit eerdere onderzoeken, waaronder Aalman. De rechtbank stelt vast dat juist de actuele bevindingen uit onderzoek Matanuska een belangrijke rol hebben gespeeld bij de start van onderzoek Ketchikan en de grondslag hebben gelegd voor de daarin aangevraagde bijzondere opsporingsmiddelen.

4.3.1.2. Verloop van de dossierverstrekking en informatievoorziening

Nadat op 1 april 2021 het BOB-dossier aan de verdediging was verstrekt, heeft de verdediging al op 2 april 2021 verzocht om nadere stukken. Daarop is namens het Openbaar Ministerie door de parketsecretaris gereageerd dat het voorbereidend onderzoek door het BOB-dossier goed werd weergegeven. De verdediging heeft vervolgens op 6 april 2021 nader toegelicht waarom volgens haar meer informatie beschikbaar moest zijn en waarom [verdachte] kennelijk ook in onderzoek Matanuska als verdachte of in ieder geval als onderwerp van onderzoek moest zijn aangemerkt.

Op 14 april 2021 heeft de parketsecretaris namens het Openbaar Ministerie meegedeeld dat [verdachte] in het onderzoek Matanuska geen onderwerp van onderzoek en geen verdachte was geweest en dat er, naast het reeds verstrekte proces-verbaal van bevindingen en het BOB-dossier, geen verdere stukken uit onderzoek Matanuska waren.

Ter terechtzitting van 16 juli 2021 (in het onderzoek Ketchikan I) heeft de verdediging opnieuw de verstrekking van stukken uit Matanuska aan de orde gesteld. De officier van justitie heeft toen medegedeeld dat, voor zover zij zich herinnerde, alles was verstrekt, maar dat nog een zoekslag zou worden verricht. Nadat de verdediging daarna nog tweemaal per e-mail had gevraagd naar de uitkomst van die zoekslag, is op 12 november 2021 namens het Openbaar Ministerie opnieuw meegedeeld dat er geen nadere stukken waren.

Bij gelegenheid van de regiezitting van 16 december 2021 heeft de officier van justitie herhaald dat alle stukken uit het onderzoek Matanuska reeds in het dossier waren gevoegd en dat er verder geen dossier was. Mede naar aanleiding van die mededeling heeft de verdediging verzocht om het horen als getuige van verschillende verbalisanten betrokken bij het onderzoek Matanuska. De officier van justitie heeft zich daartegen verzet.

Bij de beoordeling van de onderzoekswensen van de verdediging heeft de rechtbank op 16 december 2021 vastgesteld dat het dossier Matanuska nog niet compleet leek en (samengevat) beslist dat alle aanvragen, bevelen en uitwerkingen van observaties uit onderzoek Matanuska door de officier van justitie moesten worden overgelegd. Vervolgens is op 2 februari 2022 een BOB-dossier Matanuska van 146 pagina’s verstrekt.

Ook daarna bleken nog observatieprocessen-verbaal te ontbreken. Pas na interventie van de rechter-commissaris zijn op 3 maart 2022 nog enkele stukken door het Openbaar Ministerie verstrekt. De processen-verbaal van observatie van 4 en 6 augustus 2020 waren toen nog niet verstrekt; daarvoor was opnieuw een opdracht van de rechter-commissaris nodig. Toen bleek het originele proces-verbaal van de observatie op 6 augustus 2020 te zijn zoekgeraakt. Dit proces-verbaal is op verschillende data in maart 2022 door de verbalisanten ondertekend en daarna aan het dossier toegevoegd. Het BOB-dossier Matanuska bestond uiteindelijk uit 181 pagina’s.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn middels een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart en 30 maart 2026 en het verstrekken van aanvullende stukken nadere vragen van de rechtbank beantwoord. Verder zijn op 27 maart 2026 verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] als getuigen gehoord.

De rechtbank zal hierna beoordelen welke vormverzuimen op basis van het dossier kunnen worden vastgesteld.

Onherstelbare vormverzuimen in Matanuska

4.3.2.1. Stelselmatige observatie zonder bevel

De rechtbank stelt voorop dat voor de vraag of sprake is van stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) onder meer betekenis toekomt aan de duur, frequentie, intensiteit, plaats en het doel van de observaties, alsmede aan de wijze waarop die observaties hebben plaatsgevonden. Bepalend is of de observaties, al dan niet in samenhang met andere ingezette middelen, geschikt zijn geweest om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van de verdachte.

De rechtbank kan volgen dat [verdachte] vanaf enig moment voor het onderzoek relevant werd en dat de politie nader zicht op hem en de door hem gebruikte Ford Fiesta wilde krijgen. Dat neemt echter niet weg dat de daaropvolgende opsporingshandelingen in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke vereisten dienden te worden ingezet.

Uit het dossier volgt dat [verdachte] , toen nog aangeduid als [verdachte] , vanaf 6 augustus 2020 meermalen gericht in beeld is gebracht. Het ging daarbij niet slechts om het toevallig waarnemen van een contact van [persoon 1] . Nadat [verdachte] op 4 augustus 2020 was gezien in contact met [persoon 1] , is immers actief geprobeerd nader zicht te krijgen op [verdachte] , de door hem gebruikte Ford Fiesta, zijn verblijfplaats, verplaatsingen en contacten. Daarbij is niet alleen geobserveerd, maar is ook gebruikgemaakt van ANPR- en parkeergegevens, mede om de Ford Fiesta te lokaliseren en het observatieteam gericht in te zetten.

Uit het dossier blijkt dat in elk geval op 6, 7, 10, 19 en 20 augustus 2020 observaties volgen. Tijdens deze observaties zijn verplaatsingen en ontmoetingen van [verdachte] of [verdachte] waargenomen. Daarbij zijn ook foto- en/of videobeelden gemaakt en zijn personen met wie hij contact had in beeld gebracht. Anders dan het Openbaar Ministerie heeft betoogd, betreft het hier geen beperkte en slechts op de identificatie van [verdachte] gerichte inzet van opsporingsmiddelen. De observaties vonden weliswaar grotendeels plaats in de openbare ruimte, maar waren, in samenhang bezien, geschikt om zicht te verkrijgen op bepaalde aspecten van het privéleven van [verdachte] , in het bijzonder zijn verblijfplaats, reisbewegingen en contacten.

Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de observaties van [verdachte] in onderzoek Matanuska stelselmatig waren. Voor die observaties was tot 24 augustus 2020 geen bevel als bedoeld in artikel 126g Sv afgegeven.

De rechtbank stelt daarom vast dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

4.3.2.2. Actuele parkeergegevens zonder machtiging

Daarnaast is ten aanzien van de Ford Fiesta een vordering gedaan tot verstrekking van toekomstige parkeergegevens. In de aanvraag vordering verstrekking toekomstige gegevens van 5 augustus 2020 is deze inzet omschreven als het real-time bevragen van parkeergegevens binnen de gemeente Amsterdam, met als doel de Ford Fiesta te kunnen lokaliseren in verband met het plaatsen van een technische actie.

In het proces-verbaal beantwoording vragen rechtbank van 23 maart 2026 is vermeld dat het onderzoeksteam de parkeergegevens niet real-time heeft verkregen. Uit datzelfde proces-verbaal volgt echter dat sprake was van een vastgelegde werkwijze waarbij iedere tien minuten de database met parkeergegevens automatisch werd geraadpleegd op gezochte voertuigen. Een hit op het kenteken werd geautomatiseerd door de gemeente Amsterdam per e-mail ter beschikking gesteld aan het Regionaal Service Centrum, dat de melding per e-mail doorzette naar het onderzoeksteam. De vordering gold voor de periode van 5 augustus 2020 tot en met 15 augustus 2020.

De rechtbank is van oordeel dat deze werkwijze, gelet op de frequentie van de raadpleging en het effect ervan, namelijk dat de parkeerlocaties van de Ford Fiesta min of meer zonder vertraging konden worden gevolgd, niet kan worden aangemerkt als het enkel opvragen van administratieve gegevens. De inzet was erop gericht om de actuele locatie van het voertuig te kunnen achterhalen en het voertuig, zodra dit ergens stond geparkeerd, opnieuw onder controle te krijgen. Daarmee werd feitelijk beoogd zicht te houden op de bewegingen van de gebruiker van het voertuig.

Deze inzet valt naar het oordeel van de rechtbank onder het verkrijgen van gegevens omtrent de locatie van een persoon in min of meer actuele zin. Daarvoor was een machtiging van de rechter-commissaris vereist op grond van artikel 126ne lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Die machtiging ontbrak. De rechtbank stelt daarom vast dat deze actuele bevraging van parkeergegevens onrechtmatig heeft plaatsgevonden.

Ook dit levert een onherstelbaar vormverzuim op.

4.3.2.3. Historische parkeergegevens zonder aanvraag

Uit het dossier volgt verder dat ten aanzien van de Ford Fiesta historische parkeergegevens bij de gemeente Amsterdam zijn bevraagd en gebruikt. Deze gegevens zijn gebruikt om te achterhalen waar het voertuig eerder geparkeerd had gestaan om het voertuig opnieuw te kunnen lokaliseren.

In het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 2026 betreffende de parkeergegevens is vermeld dat op 5 augustus 2020 een aanvraag vordering ex artikel 126nd Sv is gedaan ter verkrijging van historische parkeergegevens van de Ford Fiesta. Tegelijkertijd volgt uit de journaalmutaties dat op diezelfde datum contact is geweest met parkeerbeheer en dat informatie is verkregen over de locatie waar de Ford Fiesta de laatste dagen veelvuldig geparkeerd stond. Ook volgt daaruit dat de Ford Fiesta daarna is aangetroffen in de omgeving van de [adres 5] .

De rechtbank stelt vast dat de precieze gang van zaken rond deze eerste bevraging van historische parkeergegevens niet volledig is na te gaan. Uit het dossier kan niet worden afgeleid op welk moment de eerste historische parkeergegevens zijn verkregen en of daaraan op dat moment al een voorafgaande aanvraag ten grondslag lag. Daarmee is onvoldoende controleerbaar of deze gegevens vanaf het eerste moment op rechtmatige wijze zijn verkregen en gebruikt.

Nu de verkrijging en het gebruik van deze eerste historische parkeergegevens niet op een voorafgaande aanvraag kunnen worden gebaseerd, merkt de rechtbank dit aan als onrechtmatige gegevensvergaring.

Ook dit levert een onherstelbaar vormverzuim op.

4.3.2.4. Verzuimen met betrekking tot verbaliseringsplicht en dossierverstrekking

Verder stelt de rechtbank vast dat de verslaglegging van het onderzoek Matanuska op onderdelen tekortschiet. Van opsporingsambtenaren mag worden verwacht dat zij de inzet van opsporingsmiddelen en de bevindingen die van belang zijn voor de toetsing van de rechtmatigheid van het onderzoek zodanig vastleggen dat deze achteraf controleerbaar zijn. Dat is hier onvoldoende gebeurd. De rechtbank wijst op enkele voorbeelden daarvan.

Zoals de gang van zaken rond de observatie van 6 augustus 2020. Het proces-verbaal van die observatie is pas in maart 2022 ondertekend, omdat het origineel zou zijn zoekgeraakt. Verder valt op dat bovenaan het proces-verbaal staat dat het een observatie van [persoon 1] betreft, terwijl hij in het proces-verbaal niet voorkomt en de waarnemingen zien op [verdachte] en de Ford Fiesta. Ook zijn tussen 16.00 uur en 20.15 uur geen waarnemingen beschreven en is ook niet vermeld dat er geen relevante waarnemingen zijn gedaan, terwijl de observatie volgens het proces-verbaal om 16.00 uur is gestart. Daarnaast blijkt uit het BOB Matanuska dossier niet op basis van welke informatie het observatieteam om 20.15 uur bij de [adres 2] terecht is gekomen.

Een vergelijkbare onduidelijkheid doet zich voor bij de observatie van 10 augustus 2020. Uit het dossier blijkt niet op basis van welke informatie het observatieteam die dag vanuit de [adres 6] in de omgeving van [naam flat] terecht is gekomen.

Een ander voorbeeld is dat uit het dossier blijkt dat de historische parkeergegevens mede zijn bevraagd in verband met het plaatsen van een “technische actie”. Uit de latere beantwoording van vragen van de rechtbank volgt dat daarmee het plaatsen van een peilbaken onder de Ford Fiesta werd bedoeld. Gebleken is dat dit baken in onderzoek Matanuska uiteindelijk niet is geplaatst. Dat neemt niet weg dat de Ford Fiesta is gelokaliseerd met het oog op een technische actie. Niet duidelijk is geworden wat op dat moment de grondslag was voor het voornemen het baken te plaatsen.

De officier van justitie heeft in verschillende stadia van deze procedure medegedeeld dat alle relevante stukken beschikbaar waren gesteld. Ook heeft de officier van justitie zich herhaaldelijk verzet tegen nader onderzoek. Nadien is meermalen gebleken dat er nog aanvullende stukken bestonden. Ook is meermalen voorgekomen dat deze stukken pas na rechterlijke interventie aan het dossier werden toegevoegd. De rechtbank stelt vast dat de opstelling van het Openbaar Ministerie gedurende lange tijd onvoldoende was gericht op het actief, volledig en verifieerbaar verschaffen van inzicht in het verloop van onderzoek Matanuska.

De gebreken in het vastleggen van het verloop van het onderzoek en de terughoudendheid in het verstrekken van stukken hebben gevolgen gehad. Gebleken is namelijk dat informatie niet kon worden achterhaald omdat betrokken politiemedewerkers niet meer in dienst waren en persoonlijke mailboxen en bestandmappen daardoor niet meer raadpleegbaar. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2026 volgt bijvoorbeeld dat de parkeergegevens ontvangen van de gemeente Amsterdam op 6, 7 en 8 augustus 2020 gelet op de journaalmutaties niet alle geleverde gegevens zijn. Ook konden de gehoorde verbalisanten door het tijdsverloop niet alle vragen beantwoorden.

De rechtbank stelt dan ook vast dat zij – ondanks het nadere onderzoek – er niet vanuit kan gaan dat zij een volledig en accuraat beeld heeft kunnen krijgen op welke wijze opsporingshandelingen in onderzoek Matanuska ten aanzien van [verdachte] zijn uitgevoerd.

De rechtbank betrekt dit bij de beoordeling van de ernst van de vastgestelde vormverzuimen en het daaraan te verbinden rechtsgevolg.

Gevolgen voor onderzoek Ketchikan

Het onderzoek Ketchikan is op 20 augustus 2020 gestart. De aanvragen voor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen in Ketchikan zijn mede gebaseerd op informatie die in het onderzoek Matanuska was verkregen.

Daarbij gaat het in het bijzonder om de observaties van [verdachte] , de informatie over zijn contacten, de informatie over het gebruik van de Ford Fiesta en de informatie over zijn verblijfplaats en bewegingen. Deze informatie vormde een belangrijk onderdeel van de verdenking die ten grondslag is gelegd aan de aanvraag tot stelselmatige observatie, het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de Ford Fiesta en het tappen van telecommunicatie.

De rechtbank stelt vast dat de machtigingen en bevelen in het onderzoek Ketchikan formeel zijn verleend door de daartoe bevoegde autoriteiten. Dat neemt niet weg dat bij de beoordeling van de gevolgen van de vormverzuimen moet worden betrokken dat de onderbouwing van die aanvragen mede is ontleend aan informatie die in onderzoek Matanuska onrechtmatig is verkregen of waarvan (de rechtmatigheid van) de wijze van verkrijging onvoldoende kan worden geverifieerd.

De rechtbank acht aannemelijk dat de recente informatie uit onderzoek Matanuska van wezenlijk belang is geweest voor het verkrijgen van de machtigingen in onderzoek Ketchikan. De oudere informatie uit onder meer onderzoek Aalman en andere bronnen speelde weliswaar ook een rol, maar zonder de actuele observaties en gegevens uit onderzoek Matanuska zou de verdenking tegen [verdachte] weinig concreet zijn geweest.

Daarbij komt dat de in de aanvragen geschetste actuele verdenking op onderdelen zwaarder is aangezet dan op basis van het dossier Matanuska kan worden gedragen. Zo vindt de formulering dat [verdachte] dagelijks meerdere ontmoetingen had met criminele contacten in die stellige vorm onvoldoende steun in de beschikbare processen-verbaal van observatie.

De rechtbank kan niet vaststellen dat de rechter-commissaris de machtigingen in onderzoek Ketchikan niet zou hebben verleend indien deze volledig op de hoogte was geweest van de vormverzuimen in onderzoek Matanuska. Wel stelt de rechtbank vast dat de rechter-commissaris, voor zover diens machtiging was vereist, bij de beoordeling van de aanvragen niet volledig op de hoogte kan zijn geweest over de wijze waarop de informatie in onderzoek Matanuska was verkregen en over de beperkingen in de verslaglegging daarvan. Een en ander is immers pas in 2026 na nader door de rechtbank bevolen onderzoek naar voren gekomen. Dat weegt mee bij de beoordeling van de ernst van de vormverzuimen en het daaraan te verbinden rechtsgevolg.

Rechtsgevolg van de vormverzuimen

4.3.4.1. Juridisch kader

Indien in het voorbereidend onderzoek sprake is van onherstelbare vormverzuimen waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, dient de rechtbank op grond van artikel 359a Sv te beoordelen of aan die vormverzuimen een rechtsgevolg moet worden verbonden. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.

De rechtbank zal hierna beoordelen of de vastgestelde vormverzuimen aanleiding geven tot het door de verdediging verzochte rechtsgevolg, dan wel tot een ander rechtsgevolg.

4.3.4.2. Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. Niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval een in het voorbereidend onderzoek begaan vormverzuim daarin bestaat dat door met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat - in de bewoordingen van het Europees Hof voor de rechten van de mens - “the proceedings as a whole were not fair” (vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889).

Die situatie doet zich hier niet voor. De vormverzuimen zijn immers gedeeltelijk gecompenseerd. De verdediging heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting de gebreken in het vooronderzoek uitvoerig aan de orde kunnen stellen. Mede naar aanleiding van verzoeken tot nader onderzoek heeft de politie in aanvullende processen-verbaal vragen beantwoord en aanvullende stukken verstrekt. Ook zijn betrokken verbalisanten als getuige ter terechtzitting gehoord. Door dit aanvullende onderzoek is een beter beeld verkregen over het verloop van het onderzoek en de tekortkomingen ervan. Deze tekortkomingen dienen consequenties te hebben, maar het verval van het vervolgingsrecht is te vergaand. Daarbij is ook van belang dat de rechtbank uit de gang van zaken niet kan afleiden dat de officier van justitie doelbewust vormvoorschriften heeft genegeerd of informatie heeft achtergehouden.

De conclusie van het voorgaande is dat de officier van justitie ontvankelijk is.

4.3.4.3. Bewijsuitsluiting

Bewijsuitsluiting kan aan de orde zijn als dit noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM te voorkomen, of als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Daarbij is de ernst van de schending doorslaggevend.

In het onderzoek Matanuska is geobserveerd zonder bevel, zijn actuele parkeergegevens verkregen zonder machtiging en zijn historische parkeergegevens verkregen zonder een daartoe strekkende aanvraag. Hierdoor is sprake geweest van inbreuken op voorschriften die met het recht op privéleven samenhangen, als gewaarborgd door artikel 8 lid 1 EVRM.

De informatie die in onderzoek Matanuska is verkregen, is gebruikt bij de onderbouwing van de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen in onderzoek Ketchikan. De OVC-opnamen, taps, observaties en locatiegegevens hebben vervolgens een belangrijke rol gespeeld in het verdere onderzoek.

Een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door art. 8 lid 1 EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte leidt in de regel niet tot het rechtsgevolg bewijsuitsluiting mits zijn recht op een eerlijk proces is gewaarborgd. Zoals de rechtbank hierboven reeds heeft geoordeeld is daarvan sprake, mede omdat tijdens het onderzoek ter terechtzitting ambtshalve en op verzoek van de verdediging uitvoerig nader onderzoek is gedaan naar het verloop van het opsporingsonderzoek. Daar komt bij dat het bewijsmateriaal in onderzoek Matanuska eveneens zou zijn verkregen als rechtmatig was gehandeld. De rechtbank gaat ervan uit dat wanneer de officier van justitie het bevel observatie zou hebben verstrekt, de aanvraag voor het verkrijgen van historische parkeergegevens reeds bestond en – gegeven de verdenking van (op dat moment nog) handel in automatische vuurwapens – de rechter-commissaris een machtiging voor de actuele gegevens zou hebben afgegeven.

Dit maakt dat de doorwerking in onderzoek Ketchikan van de onrechtmatigheden in onderzoek Matanuska dient te worden genuanceerd en dat niet kan worden vastgesteld dat de rechter-commissaris de machtigingen in onderzoek Ketchikan niet zou hebben verleend indien deze volledig op de hoogte zou zijn geweest van de onrechtmatigheden in onderzoek Matanuska. In dat geval zou de afweging of het bewijsmateriaal zou zijn verkregen als rechtmatig zou zijn gehandeld, immers ook een rol hebben gespeeld.

De rechtbank weegt tenslotte mee dat het gaat om verdenkingen van ernstige strafbare feiten. De ernst van de verdenking kan een vormverzuim niet rechtvaardigen, maar speelt wel een rol bij de beoordeling welk rechtsgevolg proportioneel is. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van bewijsuitsluiting niet opweegt tegen de daarvan te verwachten negatieve effecten, en op onaanvaardbare wijze afbreuk zal doen aan zwaarwegende belangen als de waarheidsvinding en de bestraffing van de dader.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat bewijsuitsluiting niet het aangewezen rechtsgevolg is. Het daartoe strekkende verweer wordt verworpen.

4.3.4.4. Voorwaardelijk verzoek tot aanhouding voor nader onderzoek

De verdediging heeft, in het geval de rechtbank niet overgaat tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie en niet tot bewijsuitsluiting, verzocht de behandeling aan te houden voor nader onderzoek, waaronder voeging van het journaal en de infosets en het horen van de officier van justitie, mr. Kerkhoff.

De rechtbank wijst dit verzoek af. In de loop van de procedure zijn nadere stukken verstrekt, zijn verbalisanten gehoord en zijn vragen beantwoord. Zoals hiervoor is overwogen, stelt de rechtbank vast dat desondanks geen volledig en accuraat beeld meer kan worden verkregen van alle opsporingshandelingen die in onderzoek Matanuska ten aanzien van [verdachte] zijn verricht. Bepaalde informatie is niet meer beschikbaar en uit de verklaringen van de ter zitting als getuige gehoorde verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] volgt dat zij zich, mede door het tijdsverloop, niet alle relevante feiten en omstandigheden meer kunnen herinneren.

Tegen die achtergrond acht de rechtbank nader onderzoek niet noodzakelijk. Niet aannemelijk is dat het verzochte onderzoek nog tot wezenlijk meer duidelijkheid zal leiden. De beperkte controleerbaarheid van het onderzoek wordt betrokken bij het rechtsgevolg dat aan de vormverzuimen wordt verbonden.

4.3.4.5. Strafvermindering

De rechtbank is wel van oordeel dat de vastgestelde vormverzuimen niet zonder rechtsgevolg kunnen blijven.

Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.

De rechtbank acht strafvermindering passend en geboden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een stapeling van vormverzuimen. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het Openbaar Ministerie zich gedurende de procedure onterecht terughoudend heeft opgesteld bij de verstrekking van informatie over Matanuska. Op meerdere momenten is meegedeeld dat alle relevante informatie beschikbaar was, terwijl later bleek dat nog nadere stukken bestonden of alsnog konden worden verstrekt. Door deze gang van zaken is een situatie ontstaan waarin bepaalde informatie niet meer kan worden achterhaald en getuigen zich niet alles meer kunnen herinneren. Hierdoor is op punten het onderzoek onvoldoende inzichtelijk geworden.

De rechtbank acht deze gang van zaken zeer bezwaarlijk. Van het Openbaar Ministerie mag worden verwacht dat het, zeker wanneer vragen worden gesteld over de rechtmatigheid van de start van een omvangrijk onderzoek en de inzet van ingrijpende opsporingsmiddelen, actief en transparant bijdraagt aan de mogelijkheid tot het toetsen van het onderzoek.

Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de vormverzuimen hebben doorgewerkt in de start van onderzoek Ketchikan en dat de inzet van OVC, taps en observaties in onderzoek Ketchikan een langdurige en indringende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [verdachte] heeft gemaakt.

De rechtbank zal bij de strafoplegging met het voorgaande rekening houden.

5. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

[verdachte] heeft zich gedurende de gehele onderzochte periode bezig gehouden met het opzetten van laboratoria voor de productie van methamfetamine. Hij had daarbij samen met [medeverdachte 1] een centrale en organiserende rol. Uit de OVC-gesprekken, observaties, tapgesprekken en overige bevindingen volgt dat hij betrokken was bij het zoeken en beoordelen van locaties, het regelen van koks, vervoer en onderdak, het bespreken van betalingen en het regelen of voorhanden hebben van materialen en grondstoffen.

Zijn betrokkenheid bij de laboratoria in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] volgt uit de samenhang tussen de opgenomen gesprekken, observaties en overige bevindingen. Daarbij gaat het onder meer om de gesprekken en observaties rondom de sportschool in [plaats 1] , het aantreffen van DNA van [verdachte] op een halfgelaatsmasker in dat laboratorium, zijn rol bij het vervoer en de inzet van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in [plaats 2] en de OVC-gesprekken en observaties rondom de samenwerking met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] bij het laboratorium in [plaats 3] .

Ook de voorbereidingshandelingen kunnen worden bewezen. Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet om voorbereidingshandelingen voor de daadwerkelijk aangetroffen laboratoria in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] , maar om andere, niet aangetroffen productielocaties. [verdachte] en [medeverdachte 1] regelden personen die als koks konden worden ingezet en bespraken daarnaast locaties, vervoer, onderdak, instructies, betalingen, materialen en grondstoffen. Deze handelingen waren gericht op het voorbereiden en bevorderen van de productie van methamfetamine.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij is opgemerkt dat aan [verdachte] een centrale rol wordt toegedicht, maar dat zijn betrokkenheid bij het laboratorium in [plaats 1] niet zonder meer zo groot is als door het Openbaar Ministerie is gesteld.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging primair vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wetenschap en opzet. Subsidiair is vrijspraak bepleit omdat de bijdrage van [verdachte] van onvoldoende gewicht is om te kunnen spreken van medeplegen. Meer subsidiair is partiële vrijspraak bepleit van het vervaardigen, bereiden, bewerken en verwerken van methamfetamine. Daartoe is, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

De betrokkenheid van [verdachte] bij het laboratorium in [plaats 2] wordt te veel ingevuld vanuit het algemene beeld dat hij in het onderzoek een centrale rol had. Dat beeld mag niet in de plaats komen van concreet bewijs voor wetenschap van en betrokkenheid bij dit specifieke laboratorium. De gesprekken van 6 en 18 september 2020 kunnen niet aan [plaats 2] worden gekoppeld, omdat het laboratorium in [plaats 2] pas later is opgezet. Ook eventuele geldbedragen die in die periode zijn besproken of overgedragen, kunnen niet zonder meer op het laboratorium in [plaats 2] worden betrokken.

Uit het dossier volgt hooguit dat [verdachte] personen heeft vervoerd en contact heeft gehad met anderen. Dat is onvoldoende bewijs voor medeplegen. Niet kan worden vastgesteld dat hij in verband met het laboratorium in [plaats 2] contact had met [medeverdachte 2] , geld van hem heeft ontvangen, zeggenschap had over [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] of betrokken was bij de concrete opbouw, financiering of inrichting van het laboratorium. Ook kan niet worden vastgesteld dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van de koks of aan de overdracht van kennis over het productieproces. Daarmee ontbreekt bewijs voor een bijdrage van voldoende gewicht.

Als al betrokkenheid bij het laboratorium in [plaats 2] wordt aangenomen, kan niet worden vastgesteld dat daar daadwerkelijk methamfetamine is vervaardigd, bereid, bewerkt of verwerkt. De toestand waarin het laboratorium is aangetroffen en de inhoud van de OVC-gesprekken wijzen er eerder op dat de productie nog moest beginnen of later zou worden voortgezet. Daarom moet in ieder geval partiële vrijspraak volgen van het vervaardigen, bereiden, bewerken en verwerken van methamfetamine.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 zijn geen bewijsverweren gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Algemene overweging

In het kader van dit onderzoek zijn verschillende opsporingsmiddelen ingezet, waaronder observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) in voertuigen en het tappen van telecommunicatie. Vanaf 24 augustus 2020 zijn binnen het onderzoek Ketchikan meerdere observaties verricht, waarbij tussen 24 en 27 augustus 2020 verschillende ontmoetingen zijn waargenomen tussen [verdachte] , [persoon 2] en medeverdachten [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] . Daarbij is onder meer gezien dat [verdachte] , [persoon 2] en [medeverdachte 8] op 27 augustus 2020 naar Velp zijn gegaan.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] in de periode vanaf de start van het onderzoek Ketchikan tot aan zijn aanhouding op 12 januari 2021 achtereenvolgens gebruik maakte van twee voertuigen: de hierboven al genoemde Ford Fiesta met kenteken [kenteken 1] en een Mazda 5 met kenteken [kenteken 2] . Deze beide voertuigen stonden op naam van [persoon 3] , die een autobedrijf in [plaats 5] had, maar uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] vrijwel dagelijks gebruik maakte van deze voertuigen.

Vanaf 4 september 2020 zijn gesprekken afgeluisterd in de voertuigen die door [verdachte] werden gebruikt, aanvankelijk in de Ford en later in de Mazda. De OVC-opnamen zijn voortgezet tot aan de aanhoudingen op 12 januari 2021. Daarnaast is de telefoon van [verdachte] getapt.

In de afgeluisterde gesprekken wordt door [verdachte] en verschillende andere personen onder meer gesproken over locaties, personen die zouden moeten werken, betalingen en het opzetten of inrichten van productielocaties. Daarbij wordt gebruikgemaakt van termen als “schilderen” en “kok” die, gelet op de inhoud en context van de gesprekken en de overige bevindingen in het dossier, duiden op versluierd taalgebruik voor de productie van methamfetamine.

Uit de inhoud van deze gesprekken, bezien in samenhang met de observaties en de overige bevindingen in het dossier, komt dan ook in algemene zin het beeld naar voren dat [verdachte] , en de verschillende personen met wie hij contact had, betrokken waren bij het opzetten van laboratoria voor de productie van methamfetamine op verschillende locaties. Dat algemene beeld is, hoe verdacht dit beeld ook is, echter niet voldoende om zonder meer tot een bewezenverklaring van de afzonderlijk tenlastegelegde feiten te komen.

De rechtbank moet per feit beoordelen of er in het dossier bewijs voorhanden is dat [verdachte] als medepleger betrokken is bij dat betreffende laboratorium of de betreffende voorbereidingshandelingen.

Identificatie [verdachte]

De identificatie van personen die voorkomen in de OVC-opnamen, observaties en getapte gesprekken is door het Openbaar Ministerie gebaseerd op onder meer (stem)herkenningen, telefoongegevens en het gebruik van bijnamen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat bij het toeschrijven van stemmen op geluidsfragmenten aan personen terughoudendheid geboden is. Dat geldt temeer wanneer de stemherkenning niet is verricht door een stemdeskundige en waarbij uit het dossier niet valt op te maken op basis van welk vergelijkingsmateriaal de herkenning heeft plaatsgevonden.

Van belang is dat een stemherkenning steeds zal moeten worden beoordeeld in het licht van het overige bewijsmateriaal. Verder is van belang dat een stemherkenning bij een bepaald gesprek op zichzelf nog geen bewijs oplevert dat die persoon ook in andere gesprekken als spreker kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal per aan [verdachte] toegeschreven gesprek moeten beoordelen of er in het dossier bewijsmiddelen voorhanden zijn die die conclusie kunnen rechtvaardigen. Voor zover in het dossier gesprekken worden toegeschreven aan [verdachte] , zal de rechtbank de koppeling tussen stem en persoon alleen volgen als daarvoor steun bestaat in andere bewijsmiddelen. Conclusies in overzichtsprocessen-verbaal of in het requisitoir die niet of onvoldoende steun vinden in de (onderliggende) bewijsmiddelen, zal de rechtbank niet volgen.

De vraag in hoeverre [verdachte] kan worden gekoppeld aan de inhoud van specifieke, voor de tenlastelegging relevante gesprekken, zal de rechtbank, voor zover van belang, per feit beoordelen. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende vaststellingen.

Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] is aan [verdachte] gekoppeld met behulp van een IMSI-catcher tijdens een observatie op 25 augustus 2020. Op 3 september 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] (TA001, sessie 1999). In dat gesprek noemt de gebruiker van het nummer eindigend op [nummer 1] de gebruiker van het nummer eindigend op [nummer 2] bij de naam “ [verdachte] ”, zijnde de voornaam van [verdachte] . Het nummer eindigend op [nummer 1] is gekoppeld aan [persoon 3] , op wiens naam de Ford Fiesta met kenteken [kenteken 1] stond. Het aan [verdachte] gekoppelde nummer is vervolgens onder de tap geplaatst.

De stemherkenning van [verdachte] is gebaseerd op OVC- en tapsessies. Op 4 september 2020 is [verdachte] door het observatieteam herkend bij een observatie waarbij hij zich in een voertuig bevond. Op diezelfde datum zijn OVC-opnamen gemaakt in dat voertuig, waaronder OVC-sessies 4 en 5. In tapsessie 742 van 10 september 2020 zegt de gebruiker van het getapte telefoonnummer dat hij “met [medeverdachte 1] ” is. De rechtbank stelt vast dat met “ [medeverdachte 1] ” medeverdachte [medeverdachte 1] wordt bedoeld. Volgens de verbalisanten komt de stem van deze gebruiker overeen met de stem die te horen is in de OVC-sessies 4 en 5 van 4 september 2020. In tapsessie 4580 noemt de beller zijn naam als “ [verdachte] ”. Deze stem is volgens de verbalisanten dezelfde als in de OVC-opnamen van 4 september 2020 en de tapsessie van 10 september 2020.

De rechtbank stelt op grond van deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, vast dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en dat hij de persoon is die voorkomt in de genoemde OVC-opnamen en getapte gesprekken.

Bewijsoverweging feit 1 (ZD01)

5.3.3.1. Drugslab in [plaats 1]

Naar aanleiding van afgeschermde informatie uit het onderzoek Ketchikan is op 1 november 2020 omstreeks 13.00 uur onder de onderzoeksnaam Zwaluw binnengetreden in een sportschool aan de [adres 7] te [plaats 1] . In het pand zijn meerdere personen aangehouden, onder wie [persoon 4] . Achter een grote kast is de ingang naar een verborgen laboratorium aangetroffen.

Uit de bevindingen van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) volgt dat de daar aangetroffen ruimten A en B, gelet op de hoeveelheid en soorten chemicaliën, de hoeveelheid en afmeting van de emballage en de overige aanwezige apparatuur, waren ingericht om te worden gebruikt als productielocatie voor de grootschalige vervaardiging van methamfetamine. Gelet op het aantreffen van minimaal 50 liter BMK zou ter plaatse vermoedelijk minimaal enige tientallen kilo’s methamfetamine kunnen worden vervaardigd. Uit het NFI-onderzoek naar de materialen die op 1 november 2020 op de locatie aan de [adres 7] in [plaats 1] zijn aangetroffen, volgt dat in het onderzoeksmateriaal methamfetamine is aangetoond. Daarnaast zijn verschillende grondstoffen voor de productie van amfetamine of methamfetamine aangetroffen. De rechtbank stelt daarom vast dat in de sportschool in [plaats 1] een drugslaboratorium aanwezig was dat was ingericht voor de grootschalige productie van methamfetamine en dat ook daadwerkelijk amfetamine is geproduceerd.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarvoor is niet voldoende dat verdachte deelneemt aan gesprekken waarin in algemene zin wordt gesproken over locaties, koks, betalingen of het opzetten van een laboratorium. Vereist is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat hij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het laboratorium in [plaats 1] .

5.3.3.2. Betrokkenheid verdachte bij drugslab in [plaats 1]

Die bewijsmiddelen zijn aanwezig ten aanzien van [verdachte] . Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] rechtstreeks aan het laboratorium in [plaats 1] kan worden gekoppeld en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen.

[verdachte] is in de periode voorafgaand aan het aantreffen van het laboratorium in [plaats 1] meermalen bij die locatie in beeld gekomen. Zo is hij op 5 oktober 2020 met [persoon 4] naar [plaats 1] gereden en is gezien dat zij het pand zijn binnengegaan. Ook volgt uit plaatsbepalingsgegevens dat [verdachte] zich in de relevante periode meerdere keren met zijn voertuigen in de richting van [plaats 1] en [plaats 4] heeft verplaatst. In [plaats 4] woonde [persoon 5] , de eigenaar van de sportschool. Daarnaast is op camerabeelden waargenomen dat bij de sportschool goederen naar binnen zijn gebracht. Op 27 oktober 2020 in de avonduren is gezien dat onder meer meerdere zware tassen naar binnen werden gebracht. [verdachte] was daarbij aanwezig.

De inhoud van de OVC-gesprekken sluit aan bij deze waarnemingen.

Op 29 september 2020 heeft [verdachte] deelgenomen aan een gesprek waarin wordt gesproken over een geheime locatie in een sportschool en over de Colombiaanse vrouw van de eigenaar. Hoewel in dit gesprek ook wordt gesproken over een sportschool in Enschede in een souterrain, terwijl het onderhavige drugslaboratorium in [plaats 1] was en zich niet in een souterrain bevond, brengt de rechtbank het gesprek toch in verband met [plaats 1] . Daarbij neemt zij in aanmerking dat in hetzelfde gesprek ook wordt gesproken over een geheime plek in een sportschool en een Colombiaanse vrouw, dat de vrouw van [persoon 5] Colombiaans is en dat [verdachte] kort daarna bij die sportschool is geweest. Bovendien is op een in het laboratorium aangetroffen halfgelaatsmasker een DNA-spoor veiliggesteld waarvan het profiel overeenkomt met het DNA-profiel van [verdachte] .

In een gesprek op 5 oktober 2020 spreekt [verdachte] over een ruimte die goed is, maar waaraan nog aanpassingen moeten worden gemaakt zodat eindelijk kan worden “geschilderd”. Dit gesprek sluit aan bij de observatie dat [verdachte] diezelfde dag met [persoon 4] naar de sportschool in [plaats 1] is gereden en het pand is binnengegaan.

Ook op 25 oktober 2020 is [verdachte] naar de sportschool in [plaats 1] gereden en heeft hij het pand betreden. Tijdens die rit wordt gesproken over chemische spullen, het uitvoeren van een test, maskers en handschoenen en het controleren of geur uit het pand komt.

De rechtbank beziet deze bevindingen in onderlinge samenhang. [verdachte] heeft deelgenomen aan gesprekken over het beoordelen en klaarmaken van een locatie voor een laboratorium, is daadwerkelijk bij de sportschool in [plaats 1] geweest, wordt in verband gebracht met het daar binnenbrengen van goederen en is bovendien aan het laboratorium te koppelen door middel van DNA op een aldaar aangetroffen halfgelaatsmasker.

De rechtbank vindt dit alles redengevend voor de conclusie dat [verdachte] een wezenlijke en concrete bijdrage heeft geleverd aan de productie van methamfetamine in het laboratorium in [plaats 1] en dat hij daarbij met anderen heeft samengewerkt. Zijn bijdrage was gericht op het opzetten, voorbereiden en laten draaien van dat laboratorium en was van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken.

Dat oordeel vereist niet dat de rechtbank vaststelt dat [verdachte] in alle opzichten de centrale of organiserende rol had die het Openbaar Ministerie hem toedicht. Doorslaggevend is dat uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt dat hij rechtstreeks bij dit laboratorium betrokken was en daaraan een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd.

5.3.3.3. Conclusie

Bewezen is dat [verdachte] het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan. De bewezenverklaring ziet op medeplegen met anderen en niet op het medeplegen met de bij naam in de tenlastelegging genoemde medeverdachten. Voor hun betrokkenheid bij dit feit ziet de rechtbank onvoldoende bewijs.

Bewijsoverweging feit 2 (ZD02)

5.3.4.1. Drugslab in [plaats 2]

Naar aanleiding van afgeschermde informatie uit het onderzoek Ketchikan is op 6 december 2020 omstreeks 18.00 uur binnengetreden op het perceel aan de [adres 8] te [plaats 2] . Die informatie hield in dat zich op het terrein van een boerderij aan de [adres 8] dan wel [nummer 3] te [plaats 2] een laboratorium bevond waar synthetische drugs werden geproduceerd.

Uit het proces-verbaal van onderzoek naar het perceel volgt dat een met de woning verbonden schuur was ingericht als productielocatie. In de schuur bevonden zich drie binnenruimtes. Er was sprake van professioneel aangelegde luchtaanvoer en luchtafzuiging, waarbij de afgevoerde lucht met koolstoffilters gefilterd en met gaswassers gewassen werd. Verder zijn jerrycans en zakken met chemicaliën aangetroffen met opschriften als aceton, tolueen, caustic soda en wijnsteenzuur. De combinatie van deze chemicaliën is volgens de bevindingen typisch voor de bewerking van methamfetamine. Ook zijn gereedschappen, goederen en bouwmaterialen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een productielocatie, waaronder klemdekselvaten, maatbekers, handschoenen en gezichtsmaskers.

In de schuur is daarnaast 3,4 kilogram netto aan een materiaal bevattende methamfetamine aangetroffen. Uit NFI-onderzoek volgt dat in het onderzoeksmateriaal methamfetamine is aangetoond. De rechtbank stelt daarom vast dat zich op het perceel aan de [adres 8] te [plaats 2] een drugslaboratorium bevond dat was ingericht en werd gebruikt voor de bereiding en bewerking van methamfetamine.

Daarbij komt dat volgens het LFO het aangetroffen klemdekselvat met daarin een fles met restanten methamfetaminebase, een vervuilde maatbeker, een aangebroken fles ethanol en een aangebroken zak wijnsteenzuur wijst op daadwerkelijke bewerking van methamfetamine. Dat niet kan worden vastgesteld dat de volledige hoeveelheid methamfetamine van begin tot eind op deze locatie is geproduceerd, staat niet in de weg aan de conclusie dat in [plaats 2] sprake was van het bereiden, bewerken en verwerken van methamfetamine.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarvoor is niet voldoende dat [verdachte] deelneemt aan gesprekken waarin in algemene zin wordt gesproken over locaties, betalingen, koks of werkzaamheden. Vereist is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het laboratorium in [plaats 2] .

5.3.4.2. Betrokkenheid verdachte bij drugslab in [plaats 2]

Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] rechtstreeks aan het laboratorium in [plaats 2] kan worden gekoppeld en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen.

Op 3 december 2020 sprak [verdachte] met [medeverdachte 9] over de betaling die nodig was om de volgende dag te kunnen beginnen. Daarbij werd besproken dat de jongens niet de auto in zouden gaan als het geld er niet was. Ook sprak [verdachte] met [medeverdachte 4] over het ophalen de volgende dag, over “ [bijnaam 1] ” en over werken met “ [bijnaam 2] ”. Uit de bewijsmiddelen volgt dat “ [bijnaam 1] ” [medeverdachte 5] is en “ [bijnaam 2] ” [medeverdachte 2] . Op 4 december 2020 heeft [verdachte] [medeverdachte 5] naar de woning van [medeverdachte 9] gebracht. Daarna is [verdachte] naar Zoetermeer gereden om [medeverdachte 4] op te halen. Vervolgens heeft hij [medeverdachte 4] eveneens naar de woning van [medeverdachte 9] gebracht. Vanuit die woning zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in de Volkswagen Transporter gestapt en via Zutphen naar [plaats 2] gebracht. Daar is twee dagen later het laboratorium aangetroffen.

De OVC-gesprekken passen bij deze observaties. In een OVC-gesprek op 4 december 2020 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 4] dat zij daarheen gaan, naar binnen gaan, iets doen en weer gaan, en dat dit ongeveer drie of vier uur zal duren. [verdachte] spreekt verder in OVC-gesprekken over het gereedmaken van de jongens, over het geld dat aanwezig moest zijn, over het moment waarop zij zouden vertrekken en over het werken met “ [bijnaam 2] ”. Uit die gesprekken volgt dat [verdachte] de personen die in het laboratorium zouden gaan werken aanstuurde en begeleidde.

Daarbij komt dat [verdachte] op 6 december 2020 met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] spreekt over de plek, het voortzetten van het project, een deal met “ [bijnaam 2] ” en de mogelijkheid om daar tot januari te blijven. Ook dit gesprek bevestigt dat [verdachte] wist waar [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] naartoe waren gebracht en waarvoor zij daarheen waren gegaan.

De rechtbank beziet deze bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en komt op basis daarvan tot de conclusie dat [verdachte] de koks heeft voorbereid, opgehaald, naar de verzamelplaats gebracht en in gesprekken afspraken heeft gemaakt over werkzaamheden, betaling en vertrek. Daarbij heeft hij samengewerkt met anderen, onder wie [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en zodoende een wezenlijke en concrete bijdrage geleverd aan de productie van methamfetamine in het laboratorium in [plaats 2] . Zijn bijdrage was gericht op het mogelijk maken en laten uitvoeren van werkzaamheden in dat laboratorium en was van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken.

De rechtbank hoeft daarbij niet vast te stellen dat [verdachte] in alle opzichten de centrale of organiserende rol had die het Openbaar Ministerie hem toedicht. Wel rechtvaardigen de hierboven beschreven feiten en omstandigheden de conclusie dat [verdachte] bij de productie in het laboratorium in [plaats 2] een coördinerende rol heeft gehad.

5.3.4.3. Conclusie

Bewezen is dat [verdachte] het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan.

Bewijsoverweging feit 3 (ZD04)

5.3.5.1. Drugslab in [plaats 3]

Het laboratorium in [plaats 3] is aan het licht gekomen nadat [medeverdachte 4] op 17 december 2020 en [medeverdachte 5] op 18 december 2020 in de omgeving van dat laboratorium zijn aangetroffen. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij naar een plaats was gebracht waar hij moest werken, dat hij daar met anderen verbleef en dat hij uiteindelijk heeft kunnen ontsnappen. Hij heeft vervolgens de Belgische politie de locatie aan de [adres 9] te [plaats 3] aangewezen. Op dat terrein is in een loods een drugslaboratorium aangetroffen.

Uit het Belgische procesdossier volgt dat in de loods een productietent aanwezig was. Daarnaast zijn onder meer kookpotten, waskommen, maatbekers, maskers, filters, een centrifuge, koolstoffilters, tonnen, diepvriezers en chemicaliën aangetroffen, waaronder aceton, natriumhydroxide, zoutzuur en wijnsteenzuur. In een tweede tent zijn matrassen en slaapspullen aangetroffen.

Uit het proces-verbaal van de Clan Lab Response Unit volgt dat het aanwezige materiaal en de stoffen wezen op de scheiding van d- en l-methamfetamine en het (her)kristallisatieproces van methamfetamine-olie. Op het moment van de huiszoeking had het scheidingsproces al gedeeltelijk plaatsgevonden, maar het kristallisatieproces nog niet. Uit het deskundigenrapport van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie volgt dat grondstoffen, materialen, resten en afval van de scheiding van d- en l-methamfetamine zijn aangetroffen, waaronder d/l-methamfetamineolie, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, reactietonnen, centrifuges, l-methamfetaminetartraat en d-methamfetamineolie. Volgens de deskundige was ongeveer 170 liter d/l-methamfetamineolie gescheiden tot ongeveer 85 liter d-methamfetamineolie, die nog op de locatie aanwezig was.

De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat aan de [adres 9] te [plaats 3] , een drugslaboratorium aanwezig was dat was ingericht en werd gebruikt voor de bereiding en bewerking van methamfetamine. Verder stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in dit laboratorium aanwezig zijn geweest. Uit de OVC-gesprekken van 13 december 2020 volgt dat [verdachte] hen naar de [adres 10] in Amstelveen heeft gebracht, waar zij zijn overgedragen aan de persoon die hen verder zou vervoeren. Op 14 december 2020 zegt [verdachte] dat de jongens al aan het “schilderen” zijn. In de OVC-gesprekken van 15 december 2020 vertelt [medeverdachte 4] vervolgens over hun verblijf in België, het laboratorium en de omstandigheden waaronder zij daar moesten verblijven. Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de vaststelling dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] naar de locatie in [plaats 3] zijn gebracht om daar werkzaamheden in het laboratorium te verrichten.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarbij geldt dat de rechtbank niet zonder meer alle door de officier van justitie getrokken conclusies volgt. De officier van justitie heeft ten aanzien van dit feit in haar requisitoir op onderdelen grote stappen gezet en ook gesprekken aangehaald waarvan onvoldoende kan worden vastgesteld dat zij op het laboratorium in [plaats 3] betrekking hebben. De rechtbank zal bij haar beoordeling alleen uitgaan van de bewijsmiddelen die naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks steun bieden voor betrokkenheid bij dit laboratorium.

5.3.5.2. Betrokkenheid verdachte bij drugslab in [plaats 3]

De rechtbank beoordeelt de betrokkenheid van [verdachte] bij het laboratorium in [plaats 3] in het licht van zijn rol in relatie tot [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Uit de OVC-gesprekken volgt dat hij wist dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zouden gaan werken en dat hij betrokken was bij het contact met de persoon die hen zou ophalen. Op 13 december 2020 wordt in de Mazda gesproken over het gaan werken. [verdachte] zegt dat daar de man zou moeten zijn die hen komt ophalen. Ook neemt [verdachte] telefonisch contact op met een persoon die in het gesprek wordt aangeduid als “ [naam 1] ” en zegt hij tegen die persoon dat hij goed op hen moet passen.

Op 14 december 2020 spreekt [verdachte] met [medeverdachte 1] . Dat het hier gaat om [verdachte] en [medeverdachte 1] volgt uit de observatie van die dag. Waargenomen is dat zij zich op dat moment samen in de auto bevonden. Op de opname zijn dus hun stemmen te horen. In het gesprek zegt [verdachte] dat de jongens al aan het “schilderen” zijn. [medeverdachte 1] reageert daarop met “godzijdank”. De rechtbank leidt uit de inhoud en context van dit gesprek af dat [verdachte] en [medeverdachte 1] spraken over de inzet van de koks voor werkzaamheden in verband met de productie van synthetische drugs. Deze mededeling, gedaan nadat [verdachte] [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] op 13 december 2020 aan de [adres 10] had overgedragen aan de persoon die hen verder zou vervoeren, sluit aan bij hetgeen [medeverdachte 4] op 15 december 2020 over hun verblijf in België en de laboratoriumlocatie heeft verteld.

Op 15 december 2020 is [medeverdachte 4] bij [verdachte] gekomen nadat hij uit [plaats 3] was weggegaan. In de OVC-gesprekken met [verdachte] vertelt [medeverdachte 4] over de omstandigheden op de locatie. Hij spreekt over België, over een caravan waarin hij heeft verbleven, over de “ [bijnaam 1] ” en over de reden waarom hij was weggegaan. Uit de inhoud van die gesprekken volgt dat het gaat om de locatie in [plaats 3] .

[verdachte] bespreekt vervolgens met [medeverdachte 4] wat hij aan [medeverdachte 6] moet uitleggen. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] rustig moet blijven en dat hij alles rustig aan [medeverdachte 6] moet uitleggen. Uit het vervolg blijkt dat kort daarna een ontmoeting plaatsvindt met onder meer [medeverdachte 6] , van wie de voornaam [medeverdachte 6] is. Tijdens die ontmoeting wordt gesproken over investeren, over het niet erger maken en over het feit dat zij elkaar moeten helpen.

Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de vaststelling dat [verdachte] betrokken was bij het tewerkstellen van de koks, het contact met degene die hen kwam ophalen, het bespreken van hun werkzaamheden en het oplossen van problemen nadat [medeverdachte 4] uit [plaats 3] was weggegaan zodat het werk weer kon worden hervat. Zijn bijdrage was gericht op het laten verrichten en voortzetten van werkzaamheden in het laboratorium in [plaats 3] en was van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat hij daarbij heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .

5.3.5.3. Conclusie

Bewezen is dat [verdachte] het onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan.

Bewijsoverweging feit 4 (ZD05/ZD06)

5.3.6.1. Voorbereidingshandelingen voor andere productielocaties

De officier van justitie heeft ter terechtzitting benadrukt dat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen uitdrukkelijk geen betrekking hebben op de laboratoria in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] . Met de tenlastelegging is beoogd voorbereidingshandelingen voor andere, niet door het onderzoeksteam aangetroffen, laboratoria ten laste te leggen.

De rechtbank moet dus beoordelen of het dossier bewijsmiddelen bevat voor voorbereidingshandelingen die zien op een ander laboratorium dan die in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] en vervolgens of verdachte daaraan een strafrechtelijk relevante bijdrage heeft geleverd. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de periode van de tenlastelegging overlapt met de periode waarin de laboratoria in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] werden opgezet en gebruikt. De rechtbank betrekt in haar oordeel alleen die bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel zien op (een) andere locatie(s) dan [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] .

De rechtbank kan op basis van het dossier alleen vaststellen dat er voorbereidings-handelingen zijn verricht met betrekking tot een locatie in Duitsland. De rechtbank beoordeelt hierna of [verdachte] daarbij betrokken was.

Voor zover in het dossier ook wordt gesproken over andere mogelijke locaties of samenwerkingen, kan uit de bewijsmiddelen onvoldoende concreet worden afgeleid welke handelingen door welke verdachte zijn verricht en of die handelingen betrekking hadden op een andere productielocatie dan de daadwerkelijk aangetroffen laboratoria in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] . Ook het enkele voorhanden hebben of gebruikmaken van cryptotelefoons is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte daarmee concrete voorbereidingshandelingen voor een specifiek ander laboratorium heeft verricht.

5.3.6.2. Betrokkenheid verdachte bij voorbereidingshandelingen voor locatie in Duitsland

De betrokkenheid van [verdachte] bij voorbereidingshandelingen voor een locatie in Duitsland volgt uit de OVC-gesprekken en observaties van 26 en 27 november 2020 en de daaropvolgende gesprekken over werkzaamheden, chemicaliën en materialen.

Op 26 november 2020 spreekt [verdachte] met [medeverdachte 4] . [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 4] dat, als de man hem iets vraagt over het werk, hij moet zeggen dat hij alles weet behalve de laatste stap. Wanneer [medeverdachte 4] vraagt met wie zij gaan praten, zegt [verdachte] dat het gaat om “ [naam 2] ” en dat dit degene is die hen de volgende dag naar Duitsland gaat brengen. Later zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 4] dat hij hem om 03.30 uur zal ophalen en dat de betreffende persoon niet slechts chauffeur is, maar “het hoofd van de andere kant”.

Op 27 november 2020 is vervolgens geobserveerd dat de Mazda van [verdachte] met daarin [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] naar een tankstation aan de A73 is gereden. Daar zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] overgestapt in een Audi. [persoon 6] stapte uit die Audi en nam plaats in de Mazda van [verdachte] . De Audi met daarin [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] is vervolgens richting Duitsland gereden. Deze observatie sluit aan bij de gesprekken van de dag daarvoor waarin [verdachte] zei dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] naar Duitsland zouden worden gebracht.

In de Mazda is diezelfde dag ook gesproken over het werk dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zouden gaan doen. [verdachte] zegt dat zij mensen ophalen om te gaan werken, dat dezelfde chauffeur hen brengt en weer ophaalt en dat zij met “100” gaan beginnen. Ook wordt gesproken over de duur van het werk en over het feit dat zij niet daar zouden blijven.

Later op 27 november 2020 wordt in de Mazda gesproken over de werkzaamheden en over ontbrekende stoffen en materialen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] bespreken met [verdachte] wat ontbrak en wat nog moest worden geregeld om goed aan het werk te kunnen gaan. Daarbij worden onder meer kwik, industriële maskers, brillen, handschoenen, aluminium, digitale pH-meters, thermometers, methanol, caustische soda en wijnsteenzuur genoemd. Ook wordt gesproken over de olie, het reageren daarvan, het gebruik van wijnsteenzuur en het nodig hebben van goede maskers vanwege de scherpe lucht.

Uit deze bewijsmiddelen volgt aldus dat [verdachte] niet slechts in algemene zin sprak over mogelijke laboratoria, maar direct betrokken was bij het voorbereiden van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] op werkzaamheden in Duitsland, bij het regelen van hun vervoer naar die locatie en bij het bespreken van de benodigde materialen en vervolgstappen.

Dit alles is redengevend voor de vaststelling dat [verdachte] samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van methamfetamine op een andere locatie dan de laboratoria in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] , namelijk een locatie in Duitsland. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] ook ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde locaties of onderdelen voorbereidingshandelingen heeft verricht. Daarvoor biedt het dossier onvoldoende concrete en van de laboratoria in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] te onderscheiden bewijsmiddelen.

5.3.6.3. Conclusie

Bewezen is dat [verdachte] het onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan met betrekking tot een locatie in Duitsland.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1. ZD01

in de periode van 23 september 2020 tot en met 1 november 2020 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende methamfetamine en/of amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. ZD02

in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met anderen, te weten met [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende methamfetamine en/of amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. ZD04

in de periode van 7 december 2020 tot en met 18 december 2020 te [plaats 3] , tezamen en in vereniging met anderen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende methamfetamine en/of amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4. ZD05, ZD06

in de periode van 2 september 2020 tot en met 29 november 2020 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen, bereiden, bewerken, verwerken en/of verkopen van methamfetamine en/of amfetamine, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden,

- anderen middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten,

immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk daartoe

- personen, in ieder geval [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , geïnstrueerd om te werken in een locatie ten behoeve van de productie van methamfetamine en/of amfetamine en

- ontmoetingen en/of besprekingen gehad met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] ten behoeve van (het opstarten van) de productie van methamfetamine en/of amfetamine en

- materialen en voorwerpen en grondstoffen ten behoeve van de productie van methamfetamine en/of amfetamine voorhanden gehad en ter beschikking gesteld aan een of meer ander(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarbij onder meer betrokken dat verdachte een aansturende en organiserende rol had bij de productie van methamfetamine. Verder heeft de officier van justitie in strafverzwarende zin rekening gehouden met de eerdere veroordeling van verdachte. De officier van justitie heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat bij een eventuele bewezenverklaring een aanzienlijk lagere straf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist. Daartoe is aangevoerd dat de rol van verdachte door het Openbaar Ministerie te zwaar is aangezet, dat hij door de OVC in zijn voertuigen het centrale gezicht van het dossier is geworden en dat niet kan worden vastgesteld dat hij de leider of opdrachtgever was. Verder heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de geconstateerde vormverzuimen en de slechte gezondheid van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de productie van methamfetamine in drie drugslaboratoria. Daarnaast heeft hij voorbereidingshandelingen verricht voor de productie van methamfetamine op een andere locatie, namelijk in Duitsland.

Methamfetamine is een zeer schadelijke harddrug. De productie daarvan brengt grote risico’s mee voor de volksgezondheid, de veiligheid van de directe omgeving en het milieu. Bij de productie worden gevaarlijke chemicaliën gebruikt. Drugslaboratoria leveren risico’s op voor brand, explosies, lekkages en blootstelling aan giftige stoffen. Dat gevaar geldt niet alleen voor de personen die in de laboratoria werken, maar ook voor omwonenden, hulpverleners en anderen die met de gevolgen van dergelijke productieplaatsen worden geconfronteerd. Daarnaast gaat de productie van synthetische drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, zoals geweld, intimidatie, witwassen en dumping van chemisch afval.

De feiten zijn gepleegd in een periode waarin verdachte gedurende langere tijd samen met anderen bezig was met het opzetten en laten draaien van productielocaties voor methamfetamine. Daarbij werd telkens gezocht naar locaties, werden koks ingezet, werd gesproken over vervoer, betaling, materialen, grondstoffen en de voortgang van de werkzaamheden. Wanneer een locatie werd ontmanteld of problemen ontstonden, werd uitgeweken naar andere locaties om de productie zo snel mogelijk weer te hervatten.

Uit het dossier volgt niet dat verdachte in alle opzichten de rol van centrale leider of opdrachtgever had die het Openbaar Ministerie hem toedicht. Door de inzet van OVC in zijn voertuigen is verdachte wel de spil geworden waar de bewijsvoering om draait. Dat betekent echter niet zonder meer dat hij ook de hoogste of meest bepalende positie had binnen alle samenwerkingen die in het dossier naar voren komen. Wel stelt de rechtbank vast dat verdachte een wezenlijke en langdurige rol had. Hij onderhield contacten, bracht personen met elkaar in verbinding, gaf instructies aan koks en was gedurende een langere periode intensief bezig met het opzetten, voorbereiden en laten draaien van productielocaties voor methamfetamine. Zijn bijdrage was daarmee aanzienlijk. Dit weegt de rechtbank strafverzwarend mee.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt dit in zijn nadeel mee.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het dossier en wat ter terechtzitting naar voren is gekomen volgt dat verdachte kampt met ernstige gezondheidsproblemen. Hij is inmiddels op leeftijd, heeft een slechte lichamelijke gezondheid en is beperkt in zijn mobiliteit. De rechtbank neemt aan dat een gevangenisstraf hem daardoor zwaarder zal vallen dan bij een gemiddelde verdachte.

Verder heeft de rechtbank oog voor het beeld dat verdachte, ondanks de ernst van de feiten, niet naar voren komt als iemand die grote vermogens heeft opgebouwd of in luxe heeft geleefd van de opbrengsten van drugshandel. Dat doet aan de ernst van de feiten niet af, maar is wel van belang bij de weging van zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank houdt ook rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 12 januari 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank doet uitspraak op 15 september 2026. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden. Deze overschrijding is niet in overwegende mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal daarom strafvermindering toepassen.

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met de onherstelbare vormverzuimen die hiervoor zijn vastgesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat die vormverzuimen moeten leiden tot strafvermindering.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de rol van verdachte zou in beginsel een langdurige gevangenisstraf passend zijn. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat verdachte gedurende een langere periode een wezenlijke rol heeft gehad bij het opzetten, voorbereiden en laten draaien van productielocaties voor methamfetamine.

De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 10 jaren vindt de rechtbank echter te hoog. Die eis houdt onvoldoende rekening met de beperktere rol die de rechtbank bewezen acht, de forse overschrijding van de redelijke termijn, de geconstateerde vormverzuimen en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zonder rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de vastgestelde vormverzuimen en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zou een gevangenisstraf van 54 maanden passend zijn. Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn, de aard en cumulatie van de vormverzuimen en de ernstige gezondheidsproblemen van verdachte ziet de rechtbank aanleiding deze straf in totaal met 24 maanden te verminderen.

De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feiten 1, 2 en 3, telkens:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 4:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, een ander middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smit, voorzitter,

mr. H.J. Bos en mr. M. Wiewel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Smit
  • mr. H.J. Bos
  • mr. M. Wiewel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand