RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-222962-21
Datum uitspraak: 15 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19, 20, 23, 27 en 30 maart 2026, 3 en 10 april 2026 (inhoudelijke behandeling) en 15 september 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. A. Kerkhoff en mr. M.M. van den Berg (hierna samen: de officier van justitie) en van wat de raadsman van verdachte, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.
De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de overige verdachten in het onderzoek Ketchikan, te weten [medeverdachte 1] (13-011544-21), [medeverdachte 2] (13-011674-21), [medeverdachte 3] (13-012666-21), [medeverdachte 4] (13-059747-21), [medeverdachte 5] (13-222976-21), [medeverdachte 6] (13-017117-26), [medeverdachte 7] (13-090055-25), [medeverdachte 8] (13-090082-25) en [medeverdachte 9] (13-090094-25). De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.
2. Tenlastelegging
Verdachte wordt – kort samengevat – beschuldigd van de volgende strafbare feiten:
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Inleiding
Deze zaak maakt deel uit van de mega Ketchikan. Onderzoek Kethcikan is gericht op een groep personen die zich in georganiseerd verband bezig zou houden met de productie en handel in synthetische drugs, met name methamfetamine, ook wel crystal meth genoemd. Er werd onderzoek gedaan naar onder meer het opzetten, faciliteren en exploiteren van drugslaboratoria. Lopende het onderzoek zijn er op verschillende locaties, waaronder [plaatsnaam 1] , [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] (België) drugslaboratoria ontmanteld.
Er zijn in totaal elf verdachten gedagvaard. Het Openbaar Ministerie ziet deze elf verdachten als een samenwerkingsverband dat een belangrijke schakel vormt in de grootschalige productie van methamfetamine in Nederland. [verdachte] is één van die verdachten. Hij wordt ervan verdacht dat hij als ‘kok’ werkzaamheden heeft verricht in het laboratorium in [plaatsnaam 2] en betrokken is bij voorbereidingshandelingen voor laboratoria op andere locaties.
Die verdenking heeft, nadat de rechtbank de dagvaarding in zijn zaak in 2022 nietig heeft verklaard (Ketchikan I), geresulteerd in de hierboven weergegeven tenlastelegging. De zaak is vervolgens in 2026 opnieuw door het Openbaar Ministerie aangebracht (Ketchikan II).
Voor zijn betrokkenheid bij het laboratorium in [plaatsnaam 3] is [verdachte] in België vervolgd en veroordeeld.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
[verdachte] was één van de koks die door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werden ingezet voor de productie van methamfetamine. Zijn betrokkenheid bij het laboratorium in [plaatsnaam 2] volgt uit de observaties van 4 december 2020 en de OVC-gesprekken waarin wordt gesproken over het werken in het laboratorium, de locatie, het doorgaan met het project en het gebruik van wijnsteenzuur.
In [plaatsnaam 2] is een drugslaboratorium aangetroffen met 3,4 kilogram methamfetamine. De bevindingen in het laboratorium, waaronder het klemdekselvat met restanten methamfetaminebase, de maatbeker, ethanol en wijnsteenzuur, wijzen op daadwerkelijke bewerking van methamfetamine. Dat [verdachte] niet bij de ontmanteling in het laboratorium is aangetroffen, staat niet aan bewezenverklaring in de weg. De observaties en OVC-gesprekken tonen aan dat hij eerder bij het laboratorium is geweest en dat daar werkzaamheden zijn verricht.
Ook de voorbereidingshandelingen kunnen worden bewezen. Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet om voorbereidingshandelingen voor de daadwerkelijk aangetroffen laboratoria in [plaatsnaam 1] , [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] , maar om andere, niet aangetroffen productielocaties. [verdachte] heeft samen met [medeverdachte 5] deelgenomen aan besprekingen en werkzaamheden die in het bijzonder zagen op een locatie in Duitsland. Uit de OVC-gesprekken volgt dat werd gesproken over het productieproces, wijnsteenzuur, materialen, chemicaliën en werkzaamheden die nodig waren voor de productie van methamfetamine.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 2 en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van [plaatsnaam 2] kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] in het laboratorium aan de [straatnaam 1] is geweest. Hij is daar niet aangehouden en er zijn geen DNA- of dactyloscopische matches met hem gevonden. Uit de observaties volgt evenmin dat hij het laboratorium is binnengegaan of daar werkzaamheden heeft verricht.
Als al wordt aangenomen dat [verdachte] op enig moment in [plaatsnaam 2] is geweest, was dat hooguit voor een korte periode. Uit de toestand waarin het laboratorium is aangetroffen volgt dat het nog in aanbouw was. Niet kan worden bewezen dat [verdachte] daar methamfetamine heeft vervaardigd, bereid, bewerkt of verwerkt. Ook het opzettelijk aanwezig hebben van 3,4 kilogram methamfetamine kan niet worden bewezen, omdat die hoeveelheid zich niet in zijn machtssfeer bevond, noch kan worden bewezen dat hij daar opzet op heeft gehad.
Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen is de tenlastelegging onvoldoende duidelijk. Voor zover deze, gelet op de concrete verwijzingen in de tenlastelegging en het requisitoir, ziet op een mogelijke locatie in Duitsland, leveren de aangehaalde OVC-gesprekken en observaties onvoldoende bewijs op dat [verdachte] de tenlastegelegde ontmoetingen, werkzaamheden of handelingen heeft verricht. Evenmin kan worden vastgesteld dat hij chemicaliën of materialen voorhanden heeft gehad of besteld.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Algemene overweging
Het onderzoek Ketchikan is op 20 augustus 2020 gestart. De aanleiding voor dit onderzoek lag in informatie die naar voren kwam uit het eerdere onderzoek Matanuska. Dat onderzoek was op 29 juli 2020 gestart. Er zijn verschillende opsporingsmiddelen ingezet, waaronder observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie in voertuigen en het tappen van telecommunicatie.
In de afgeluisterde gesprekken wordt door verschillende personen en in wisselende samenstelling onder meer gesproken over locaties, personen die zouden moeten werken, betalingen en het opzetten of inrichten van productielocaties. Daarbij wordt gebruikgemaakt van termen die, gelet op de inhoud en context van de gesprekken en de overige bevindingen in het dossier, duiden op versluierd taalgebruik voor de productie van methamfetamine.
Uit de inhoud van deze gesprekken, bezien in samenhang met de observaties en de overige bevindingen in het dossier komt dan ook in algemene zin het beeld naar voren dat de verdachten betrokken waren bij het opzetten van laboratoria voor de productie van methamfetamine op verschillende locaties. Dat algemene beeld is, hoe verdachte dit beeld ook is, echter niet voldoende om zonder meer tot bewezenverklaring van de afzonderlijk tenlastegelegde feiten te komen. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of er in het dossier bewijs voorhanden is dat [verdachte] als medepleger betrokken is bij het laboratorium in [plaatsnaam 2] en bij de betreffende voorbereidingshandelingen.
Identificatie [verdachte]
Voor zover in het dossier gesprekken worden toegeschreven aan [verdachte] zal de rechtbank die koppeling tussen stem en persoon alleen volgen als daarvoor steun bestaat in andere bewijsmiddelen. Conclusies in overzichtsprocessen-verbaal of in het requisitoir die niet of onvoldoende steun vinden in de onderliggende bewijsmiddelen, zal de rechtbank niet zonder meer volgen. Verder is van belang dat een stemherkenning bij een bepaald gesprek, op zichzelf nog geen bewijs oplevert dat die persoon ook in andere gesprekken als spreker kan worden aangemerkt. De vraag in hoeverre [verdachte] kan worden gekoppeld aan de inhoud van specifieke, voor de tenlastelegging relevante gesprekken, zal de rechtbank per feit beoordelen. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende vaststellingen.
[verdachte] komt volgens het dossier in september 2020 in beeld in verband met het pand aan [straatnaam 2] te Amsterdam. Hij werd in het onderzoek aanvankelijk aangeduid als NN25. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] kan worden geïdentificeerd als de persoon die in september 2020 in beeld is gekomen bij het pand aan [straatnaam 2] te Amsterdam. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zijn identificatie is gebaseerd op informatie en een foto van de Spaanse autoriteiten. Die foto is vergeleken met observatiefoto’s van de persoon die verbleef aan [straatnaam 2] te Amsterdam en met wie [medeverdachte 2] naar Spanje is afgereisd.
Bewijsoverweging feit 1 (ZD02)
4.3.3.1. Drugslab in [plaatsnaam 2]
Naar aanleiding van afgeschermde informatie uit het onderzoek Ketchikan is op 6 december 2020 omstreeks 18.00 uur binnengetreden op het perceel aan de [straatnaam 1] te [plaatsnaam 2] . Die informatie hield in dat zich op het terrein van een boerderij aan de [straatnaam 1] dan wel [straatnaam 1] te [plaatsnaam 2] een laboratorium bevond waar synthetische drugs werden geproduceerd.
Uit het proces-verbaal van onderzoek naar het perceel volgt dat een met de woning verbonden schuur was ingericht als productielocatie. In de schuur bevonden zich drie binnenruimtes. Er was sprake van professioneel aangelegde luchtaanvoer en luchtafzuiging, waarbij de afgevoerde lucht met koolstoffilters gefilterd en met gaswassers gewassen werd. Verder zijn jerrycans en zakken met chemicaliën aangetroffen met opschriften als aceton, tolueen, caustic soda en wijnsteenzuur. De combinatie van deze chemicaliën is volgens de bevindingen typisch voor de bewerking van methamfetamine. Ook zijn gereedschappen, goederen en bouwmaterialen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een productielocatie, waaronder klemdekselvaten, maatbekers, handschoenen en gezichtsmaskers.
In de schuur is daarnaast 3,4 kilogram netto aan een materiaal bevattende methamfetamine aangetroffen. Uit NFI-onderzoek volgt dat in het onderzoeksmateriaal methamfetamine is aangetoond. De rechtbank stelt daarom vast dat zich op het perceel aan de [straatnaam 1] te [plaatsnaam 2] een drugslaboratorium bevond dat was ingericht en werd gebruikt voor de bereiding en bewerking van methamfetamine.
Daarbij komt dat volgens het LFO het aangetroffen klemdekselvat met daarin een fles met restanten methamfetaminebase, een vervuilde maatbeker, een aangebroken fles ethanol en een aangebroken zak wijnsteenzuur wijst op daadwerkelijke bewerking van methamfetamine. Dat niet kan worden vastgesteld dat de volledige hoeveelheid methamfetamine van begin tot eind op deze locatie is geproduceerd, staat niet in de weg aan de conclusie dat in [plaatsnaam 2] sprake was van het bereiden, bewerken en verwerken van methamfetamine.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarvoor is niet voldoende dat [verdachte] (mogelijk) voorkomt in gesprekken waarin in algemene zin wordt gesproken over locaties, betalingen, koks of werkzaamheden. Vereist is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat hij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het laboratorium in [plaatsnaam 2] .
4.3.3.2. Betrokkenheid verdachte bij drugslab in [plaatsnaam 2]
Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] rechtstreeks aan het laboratorium in [plaatsnaam 2] kan worden gekoppeld en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen.
De rechtbank stelt voorop dat [verdachte] en [medeverdachte 5] in het dossier naar voren komen als personen die werkzaamheden in laboratoria verrichtten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat met “ [bijnaam 1] ” of “ [bijnaam 2] ” [medeverdachte 5] wordt bedoeld.
Op 3 december 2020 heeft [medeverdachte 1] met [verdachte] gesproken. In dat gesprek zegt [medeverdachte 1] dat hij [verdachte] de volgende dag om 11.00 uur zal ophalen. Ook wordt gesproken over de “ [bijnaam 1] ”, over “ [bijnaam 3] ” en over werken met “ [bijnaam 4] ”. Deze inhoud past bij het gereedmaken van [verdachte] en [medeverdachte 5] om de volgende dag werkzaamheden te verrichten.
Op 4 december 2020 zijn vervolgens observaties verricht bij de woning van [medeverdachte 9] aan de [straatnaam 3] in Amsterdam. Die ochtend is gezien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] uit de Mazda van [medeverdachte 1] stapten en richting de achterzijde van de woning van [medeverdachte 9] liepen. [medeverdachte 1] is daarna weer weggereden. Omstreeks 11.00 uur is gezien dat [medeverdachte 1] in Zoetermeer aankwam en dat [verdachte] bij hem instapte. Daarna zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] naar de woning van [medeverdachte 9] gereden. In een OVC-gesprek op diezelfde dag zegt [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat zij daarheen gaan, naar binnen gaan, iets doen en weer gaan, en dat dit ongeveer drie of vier uur zal duren.
Later die dag is gezien dat [verdachte] en [medeverdachte 5] vanaf de achterzijde van de woning van [medeverdachte 9] kwamen aanlopen en in een Volkswagen Transporter stapten. Die Transporter was gehuurd door [naam] . [naam] heeft verklaard dat hij op 4 december 2020 twee mannen heeft weggebracht. De Volkswagen Transporter is vervolgens in Zutphen gezien. Daar liepen de twee inzittenden naar een Mercedes-Benz Sprinter. Daarna is gezien dat die Sprinter de oprit van een boerderij aan de [straatnaam 1] te [plaatsnaam 2] opreed.
De rechtbank stelt vast dat niet is gezien dat [verdachte] en [medeverdachte 5] uit de Sprinter zijn gestapt en het laboratorium zijn binnengegaan. Dat staat echter niet aan bewezenverklaring in de weg. De observaties moeten worden bezien in samenhang met de OVC-gesprekken. Daaruit volgt dat op 3 december 2020 werd gesproken over het ophalen van [verdachte] , het gaan werken en het beginnen met werken met ‘ [bijnaam 4] ’. Op 4 december 2020 zijn [verdachte] en [medeverdachte 5] vervolgens op het afgesproken tijdstip vanuit de woning van [medeverdachte 9] in Amsterdam bij iemand in een voertuig gestapt en via Zutphen naar het perceel aan de [straatnaam 1] in [plaatsnaam 2] gebracht. In het OVC-gesprek tijdens dat vervoer kreeg [verdachte] instructies over het bezoek aan de locatie, over het doorgeven van de locatie en de duur van de werkzaamheden. Twee dagen later is juist op dat perceel een drugslaboratorium aangetroffen.
Daarbij komt dat [medeverdachte 1] op 6 december 2020 in de auto met [verdachte] en [medeverdachte 5] sprak over de locatie, het voortzetten van het project, een daar uitgevoerde test, een deal met ‘ [bijnaam 4] ’ en de mogelijkheid om daar tot januari te blijven. Ook dat gesprek bevestigt dat [verdachte] en [medeverdachte 5] niet toevallig naar [plaatsnaam 2] zijn gebracht, maar dat zij naar die locatie zijn gebracht om daar werkzaamheden in verband met het laboratorium te verrichten.
De bijdrage van [verdachte] bestond dus uit het verrichten van werkzaamheden in het laboratorium, en daarmee op het laten draaien daarvan. Deze was dus van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken. Daarbij heeft hij samengewerkt met anderen, onder wie [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] .
4.3.3.3. Conclusie
Bewezen is dat [verdachte] het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan.
Bewijsoverweging feit 2 (ZD05/ZD06)
4.3.4.1. Voorbereidingshandelingen voor andere productielocaties
De officier van justitie heeft ter terechtzitting benadrukt dat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen uitdrukkelijk geen betrekking hebben op de laboratoria in [plaatsnaam 1] , [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] . Met de tenlastelegging is beoogd voorbereidingshandelingen voor andere, niet door het onderzoeksteam aangetroffen laboratoria ten laste te leggen.
De rechtbank moet dus beoordelen of het dossier bewijsmiddelen bevat voor voorbereidingshandelingen die zien op een ander laboratorium dan de aangetroffen laboratoria en of verdachte daaraan een strafrechtelijk relevante bijdrage heeft geleverd. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de periode van de tenlastelegging overlapt met de periode waarin de laboratoria in [plaatsnaam 1] , [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] werden opgezet en gebruikt. De rechtbank betrekt in haar oordeel alleen die bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel zien op (een) andere locatie(s) dan [plaatsnaam 1] , [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] .
De rechtbank kan op basis van dit dossier alleen vaststellen dat er voorbereidings-handelingen zijn verricht met betrekking tot een locatie in Duitsland. De rechtbank beoordeelt hierna of [verdachte] daarbij betrokken was.
Voor zover in het dossier ook wordt gesproken over andere mogelijke locaties of samenwerkingen, kan uit de bewijsmiddelen onvoldoende concreet worden afgeleid welke handelingen door welke verdachte zijn verricht en of die handelingen betrekking hadden op een andere productielocatie dan de daadwerkelijk aangetroffen laboratoria in [plaatsnaam 1] , [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] . Ook het enkele voorhanden hebben of gebruikmaken van cryptotelefoons is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte daarmee concrete voorbereidingshandelingen voor een specifiek ander laboratorium heeft verricht.
4.3.4.2. Betrokkenheid verdachte bij voorbereidingshandelingen voor locatie in Duitsland
De betrokkenheid van [verdachte] bij voorbereidingshandelingen voor een locatie in Duitsland volgt uit de OVC-gesprekken met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en uit de observatie van 27 november 2020.
Op 26 november 2020 spreekt [medeverdachte 1] met [verdachte] . [medeverdachte 1] zegt tegen [verdachte] dat, als de man hem iets vraagt over het werk, hij moet zeggen dat hij alles weet behalve de laatste stap. Wanneer [verdachte] vraagt met wie zij gaan praten, zegt [medeverdachte 1] dat het gaat om “ [bijnaam 5] ” en dat dit degene is die hen de volgende dag naar Duitsland gaat brengen. Later zegt [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat hij hem om 03.30 uur zal ophalen en dat de betreffende persoon niet slechts chauffeur is, maar “het hoofd van de andere kant”. Hieruit volgt dat [verdachte] vooraf werd geïnformeerd over zijn inzet en over de persoon die betrokken was bij de locatie in Duitsland.
Op 27 november 2020 is geobserveerd dat [verdachte] samen met [medeverdachte 5] in de Mazda van [medeverdachte 1] zat. De Mazda is naar een tankstation aan de A73 gereden. Daar zijn [verdachte] en [medeverdachte 5] overgestapt in een Audi. Die Audi met daarin [verdachte] en [medeverdachte 5] is vervolgens richting Duitsland gereden. Deze observatie sluit aan bij de gesprekken waarin [medeverdachte 1] de dag daarvoor had gezegd dat zij naar Duitsland zouden worden gebracht.
In de Mazda is op 27 november 2020 gesproken over het gaan werken. [medeverdachte 5] vraagt of zij voor twee dagen gaan. [verdachte] en [medeverdachte 1] zeggen dat het om vier of vijf uur gaat en dat zij daar niet blijven. [medeverdachte 1] zegt dat dezelfde chauffeur hen brengt en terugbrengt en dat zij met “100” gaan beginnen. Uit dit gesprek volgt dat [medeverdachte 5] wist dat hij naar een locatie werd gebracht om daar werkzaamheden te verrichten.
Later die dag bespreekt [verdachte] met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] welke stoffen en materialen ontbraken en wat nodig was om goed aan het werk te kunnen gaan. Hij noemt onder meer kwik, industriële maskers, brillen, handschoenen, aluminium, digitale pH-meters, thermometers, methanol en caustische soda. Ook wordt gesproken over de olie, het reageren daarvan, caustische soda, wijnsteenzuur en de scherpe lucht op de locatie. Uit deze gesprekken volgt dat [verdachte] niet alleen naar Duitsland is gebracht, maar ook inhoudelijk sprak over de uit te voeren werkzaamheden en over de benodigdheden voor het productieproces.
Dit alles is redengevend voor de vaststelling dat [verdachte] samen met anderen betrokken was bij voorbereidingshandelingen voor de productie van methamfetamine op een andere locatie dan de laboratoria in [plaatsnaam 1] , [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] , namelijk een locatie in Duitsland. Zijn bijdrage bestond uit het deelnemen aan besprekingen over het werk, het zich laten vervoeren naar Duitsland om daar werkzaamheden te verrichten en het bespreken van de benodigde stoffen en materialen.
De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] ook ten aanzien van andere locaties of andere onderdelen van de tenlastelegging voorbereidingshandelingen heeft verricht. Daarvoor biedt het dossier onvoldoende van de laboratoria in [plaatsnaam 1] , [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] te onderscheiden bewijsmiddelen.
4.3.4.3. Conclusie
Bewezen is dat [verdachte] het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan met betrekking tot een locatie in Duitsland.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1. ZD02
in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te [plaatsnaam 2] , tezamen en in vereniging met anderen, te weten met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] , opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
- ( ongeveer) 3,4 kilogram methamfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. ZD05, ZD06
in de periode van 9 oktober 2020 tot en met 29 november 2020 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen, bereiden, bewerken, verwerken en/of verkopen van methamfetamine en/of amfetamine zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden,
- zich en een of meer anderen middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten,
immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk daartoe
- ontmoetingen en/of besprekingen gehad met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] ten behoeve van (het opstarten van) de productie van methamfetamine en/of amfetamine en
- op een locatie in Duitsland aanwezig geweest ten behoeve van de bereiding en/of vervaardiging van methamfetamine en/of amfetamine, vermeld op lijst I van de Opiumwet en
- hoeveelheden chemicaliën, in ieder geval aceton en monomytil en caustische soda en kookplaten en wijnsteenzuur voorhanden gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarbij onder meer betrokken dat verdachte als kok en uitvoerder betrokken is geweest bij het laboratorium in [plaatsnaam 2] en bij voorbereidingshandelingen voor andere laboratoria. Verder heeft de officier van justitie rekening gehouden met de veroordeling van verdachte in België en in strafmatigende zin met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 Sr.
Het strafmaatverweer van de verdediging
Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman aangevoerd dat de eis van de officier van justitie disproportioneel is, dat de voorbereidingshandelingen hooguit een zeer korte periode betroffen en dat verdachte in België al tot een forse gevangenisstraf is veroordeeld. Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met artikel 63 Sr, de redelijke termijn en de coöperatieve houding van verdachte in de Belgische zaak.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de productie van methamfetamine in een drugslaboratorium in [plaatsnaam 2] . Daarnaast heeft hij voorbereidings-handelingen verricht voor de productie van methamfetamine op een andere locatie, namelijk in Duitsland.
Methamfetamine is een zeer schadelijke harddrug. De productie daarvan brengt grote risico’s mee voor de volksgezondheid, de veiligheid van de directe omgeving en het milieu. Bij de productie worden gevaarlijke chemicaliën gebruikt. Drugslaboratoria leveren risico’s op voor brand, explosies, lekkages en blootstelling aan giftige stoffen. Dat gevaar geldt niet alleen voor de personen die in de laboratoria werken, maar ook voor omwonenden, hulpverleners en anderen die met de gevolgen van dergelijke productieplaatsen worden geconfronteerd. Daarnaast gaat de productie van synthetische drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, zoals geweld, intimidatie, witwassen en dumping van chemisch afval.
Verdachte had een uitvoerende rol. Hij was een van de personen die als kok werden ingezet. Daarmee stond hij niet aan de organisatorische of financiële kant van de samenwerking, maar zijn bijdrage was wel essentieel voor de daadwerkelijke productie.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte en houdt rekening met artikel 63 Sr. Verdachte is na de onderhavige feiten in België veroordeeld voor zijn betrokkenheid bij het laboratorium in [plaatsnaam 3] . De rechtbank moet daarom voorkomen dat verdachte zwaarder wordt gestraft dan wanneer alle feiten gelijktijdig zouden zijn berecht.
Ook houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is in het kader van deze zaak op 19 augustus 2021 in Nederland in verzekering gesteld. De rechtbank doet uitspraak op 15 september 2026. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden. Deze overschrijding is niet in overwegende mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal daarom strafvermindering toepassen.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de rol van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 54 maanden vindt de rechtbank te hoog. Die eis gaat uit van een ruimere bewezenverklaring van de voorbereidingshandelingen en doet onvoldoende recht aan de uitvoerende rol van verdachte.
Rekening houdend met artikel 63 Sr en vóór toepassing van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn, zou een gevangenisstraf van 24 maanden passend zijn. De aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn geeft aanleiding deze straf met vijf maanden te verminderen.
De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, een ander middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 19 (negentien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Smit, voorzitter,
mr. H.J. Bos en mr. M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coşkun, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.
[…]
[…] […]
[…] […] […] […] […]
[…] […] […] […] […] […] […] […]
[…] […] […] […] […]
[…] […] […] […] […] […]
[…]
[…] […] […] […] […] […] […] […]
[…] […]
[…] […] […]
[…] […]
[…] […] […] […] […]
[…] […]
[…] […]
[…]
[…] […]
[…] […] […] […] […] […]
[…] […] […] […] […]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…] […]
[…] […] […]