RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/791665 / KG ZA 26-678 MK/BB
Vonnis in kort geding van 14 september 2026
in de zaak van
1. SBK ART LLC,
te Moskou (Rusland),2. [eiser 2],
te [woonplaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten),3. [eiser 3],
te [woonplaats 2] (Kroatië),
eisende partijen bij gelijkluidende dagvaarding van 29 en 30 juli 2026,
hierna samen te noemen: SBK c.s. en afzonderlijk te noemen: SBK, [eiser 2] en [eiser 3] ,
advocaten: mr. E.J.H. Zandbergen, mr. M.L. Schreel en mr. G.M. Unval, met in aanvulling ook mr. J.Ph. de Korte voor [eiser 2] ,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
advocaat te [vestigingsplaats 1] ,
2. [gedaagde 2],
advocaat te [vestigingsplaats 2] ,
3. [gedaagde 3],
notaris te [vestigingsplaats 3] ,
advocaten: mr. J. Mencke en mr. N.A.M.E.C. Fanoy,
4. [gedaagde 4],
advocaat te [vestigingsplaats 4] ,
advocaat: mr. R.G.J. de Haan,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , en de eerste drie tezamen ook: [gedaagden] en [gedaagde 4] ook: [gedaagde 4] gedaagde.
1. De procedure
Op de mondelinge behandeling van 31 augustus 2026 hebben SBK c.s. de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De ter zitting gedane eiswijziging is buiten de termijn uit het procesreglement ingediend en wordt niet meegenomen nu deze in strijd is met de goede procesorde. Gedaagden hebben verweer gevoerd. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben dat mede aan de hand van een van tevoren ingediende conclusie van antwoord gedaan. SBK c.s. en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben producties ingediend en SBK c.s. en [gedaagde 4] een pleitnota. Gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen toelating van de door SBK c.s. te laat voor de zitting ingediende productie 22. De voorzieningenrechter ziet niet in dat gedaagden met toelating van deze productie in hun belangen worden geschaad en laat de productie dan ook toe.
Ter zitting waren aanwezig:
aan de kant van SBK c.s.: [naam 1] en [naam 2] (Russische advocaten via een onlineverbinding) met een tolk Engels (in de zaal) en mr. Zandbergen, mr. Schreel, mr. Unval en mr. De Korte (alleen namens [eiser 2] );
aan de kant van gedaagden: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] met mr. Mencke en
mr. Fanoy en [gedaagde 4] met mr. De Haan.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn de Nederlandse advocaten en notaris van Fortenova Group STAK Stichting, Fortenova Group TopCo B.V. (hierna: Fortenova TopCo), Fortenova Group MidCo B.V. (hierna: Fortenova MidCo), Fortenova Group HoldCo B.V. (hierna: Fortenova HoldCo), Fortenova STAK Stichting en Fortenova Group B.V. (hierna tezamen: Fortenova c.s.). [gedaagde 4] is de Nederlandse advocaat van Open Pass Limited (hierna: Open Pass) en [functie] (hierna tezamen: Open Pass c.s.).
SBK en Open Pass zijn certificaathouders in het kapitaal van Fortenova TopCo.
SBK c.s., Fortenova c.s. en Open Pass c.s. zijn sinds 2022 (na de invasie van Rusland in Oekraïne en plaatsing van SBK op de EU sanctielijst) verwikkeld in meerdere procedures in verschillende landen. Deze procedures zijn het gevolg van, kort gezegd, een wijziging van de governance en een herstructurering van de Fortenova groep waarbij Fortenova MidCo aan Open Pass is verkocht (de MidCo Sale) en met uitsluiting van stem-en vergaderrechten van SBK door Fortenova c.s. en Open Pass c.s.
In Nederland zijn op dit moment twee procedures aanhangig, een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van de MidCo Sale en de besluitvorming daaromtrent en een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer waarin SBK c.s. onderzoek vragen naar het beleid en de gang van zaken bij enkele Fortenova-entiteiten.
Op 26 maart 2024 is SBK in de Verenigde Staten een zogenoemde discovery procedure gestart tegen de Amerikaanse advocaat, Akin Gump Strauss Hauer & Feld LLP (hierna: Akin Gump), en buitenlandse adviseurs van Fortenova c.s., waarin SBK afschriften van documenten heeft gevorderd.
Bij discovery order van 30 mei 2025 heeft de Amerikaanse rechter het verzoek van SBK (gedeeltelijk) toegewezen, welke uitspraak in hoger beroep is bevestigd.
Akin Gump heeft op basis van de discovery order ongeveer 2.200 als non-privileged aangemerkte documenten, die in totaal ongeveer 30.000 pagina’s beslaan, aan SBK verstrekt.
Bij brief van 3 juni 2026 heeft [gedaagde 2] namens de Nederlandse advocaten en notaris van Fortenova c.s. ( [gedaagden] ) onder meer het volgende aan (de advocaat van) SBK c.s. geschreven (voetnoten weggelaten):
‘Hoewel de discovery door de Amerikaanse rechtbank beperkt lijkt te zijn tot
"non-privileged documents", sluit [gedaagden] niet uit dat zich onder reeds geproduceerde of nog te produceren documenten, vertrouwelijke informatie bevindt die is toevertrouwd aan [gedaagden] in het kader van de advocaat-cliëntrelatie tussen [gedaagden] en Fortenova Group TopCo B.V., en (voorheen) aan haar gerelateerde entiteiten. Deze vertrouwelijke informatie (de " Geheimhoudersinformatie ") valt onder het wettelijke verschoningsrecht dat [gedaagden] en de aan [gedaagden] verbonden advocaten en (kandidaat-)notarissen toekomt.
(…)
Het voorgaande brengt mee dat u geen kennis kunt nemen van Geheimhoudersinformatie voor zover die door u of SBK wordt ontvangen, laat staan dat u of SBK, in of buiten rechte gebruik kan maken van Geheimhoudersinformatie. Het wettelijke verschoningsrecht dat [gedaagden] en de aan haar verbonden advocaten en (kandidaat-)notarissen toekomt, staat daaraan in de weg. Dat de stukken via een Amerikaans discovery-mechanisme zijn verkregen, doet hieraan niet af.’
Bij brief van 16 juni 2026 heeft de advocaat van SBK c.s. (mr. Zandbergen) aan de Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) advies gevraagd over de vraag of hij, in het licht van het beroep op het verschoningsrecht, kennis mag nemen van de documenten die SBK van Akin Gump heeft verkregen. Daarop heeft de Deken op 18 juni 2026 onder meer het volgende aan de advocaat van SBK c.s. geschreven:
‘Uit de Nederlandse tuchtrechtspraak volgt dat een advocaat geen kennis mag nemen van stukken waarvan hij weet, of redelijkerwijs behoort te vermoeden, dat deze onder het verschoningsrecht vallen of vertrouwelijke communicatie tussen advocaat en cliënt bevatten (zie Hof van Discipline 12 december 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:259). Dit criterium vergt geen zekerheid, reële twijfel is reeds voldoende om inzage achterwege te laten. U voert aan dat uitsluitend “non-privileged” documenten zijn gevorderd en verstrekt en dat de Amerikaanse advocaat daarbij een selectie heeft gemaakt. Dat neemt echter niet weg dat de advocaat van de wederpartij uitdrukkelijk heeft gesteld dat niet kan worden uitgesloten dat zich vertrouwelijke informatie onder de stukken bevindt, en u de stukken zelf nog niet heeft kunnen verifiëren. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat het ontbreken van geheimhoudersinformatie redelijkerwijs vaststaat. Het enkele feit dat een buitenlandse advocaat stukken als “non-privileged” heeft aangemerkt, is daarvoor niet doorslaggevend. Tegen deze achtergrond ben ik van mening dat het u thans niet is toegestaan kennis te nemen van de betreffende documenten. Zolang niet is gewaarborgd dat deze geen geheimhoudersinformatie bevatten, zou inzage naar mijn mening in strijd komen met hetgeen van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht.
Mijns inziens kan die impasse slechts worden doorbroken door een deugdelijke
voorafgaande filtering door een onafhankelijke derde, dat kan een advocaat zijn. Het ligt
primair op de weg van partijen om hierover tot overeenstemming te komen. Indien dat
niet lukt, dan zou u hierover weer contact met mij kunnen opnemen.’
Bij e-mail van 24 juni 2026 heeft de advocaat van SBK c.s. gedaagden ingelicht over het advies van de Deken en daarbij te kennen gegeven inmiddels een advocaat gevonden te hebben die bereid is tot filtering van de documenten over te gaan.
Bij e-mailbericht van 29 juni 2026 heeft [gedaagde 2] , namens de advocaten en notaris van Fortenova c.s., voor zover hier relevant, de volgende reactie gestuurd op het bericht van de advocaat van SBK c.s.:
‘Uw bericht (…) verandert niets aan het standpunt dat [gedaagden] , en de aan haar verbonden
advocaten en (kandidaat-)notarissen (hierna tezamen: " [gedaagden] ") aan u kenbaar maakten via mijn brief van 3 juni 2026. Ik wijs u nogmaals op de inhoud van deze brief en herhaal dat voor [gedaagden] de vertrouwelijkheid van communicatie tussen [gedaagden] en haar cliënten en het daarmee samenhangende wettelijke verschoningsrecht, fundamenteel is, en dat van een uitzondering geen sprake is. Zo er al uitzonderingen zijn op de vertrouwelijkheid en ons verschoningsrecht, zijn deze zeer beperkt. De primaire beoordeling of sprake is van een uitzondering ligt bij [gedaagden] en alleen een rechter kan het oordeel van [gedaagden] toetsen, en dat zal een rechter marginaal doen. Alleen al om deze redenen, is uw voorstel om een advocaat een beoordeling te laten maken voor [gedaagden] niet aanvaardbaar.’
Bij e-mailbericht van eveneens 29 juni 2026 heeft [gedaagde 4] , de Nederlandse advocaat van Open Pass c.s. het volgende aan de advocaat van SBK c.s. geschreven:
‘Namens de advocaten van A&O Shearman sluiten wij ons aan bij het bericht van mr. [gedaagde 2] . Het uitgangspunt is dat informatie onder het verschoningsrecht valt wanneer de betrokken advocaten daarop een beroep doen. De beoordeling daarvan is voorbehouden aan de bevoegde gerechtelijke autoriteit. Het is niet aan een derde advocaat om te bepalen of beoordelen of de relevante correspondentie en/of werkproducten van de betrokken advocaten onder het verschoningsrecht vallen.
Voor zover zich tussen de betreffende documenten stukken bevinden die onder het verschoningsrecht van de advocaten van A&O Shearman vallen, beroepen zij zich hierbij op de vertrouwelijkheid daarvan. A&O Shearman stemt niet in met uw voorstel om die analyse door een derde advocaat te laten maken.’
Partijen hebben met voorstellen over en weer getracht om in onderling overleg uit deze impasse te komen, maar zij zijn daar niet in geslaagd.
3. Het geschil
SBK c.s. vorderen dat de rechter-commissaris van de rechtbank Amsterdam, dan wel (advocaten verbonden aan) het advocatenkantoor Ivy Advocaten, althans een door de voorzieningenrechter aan te wijzen onafhankelijke deskundige, de door Akin Gump en de buitenlandse adviseurs aan SBK verstrekte documenten filtert op geheimhoudersinformatie en, in een of meerdere tranches, die gefilterde documenten verstrekt aan de advocaten van SBK c.s. dan wel SBK te machtigen om die gefilterde documenten aan haar advocaat te verstrekken, zulks op grond van de in de dagvaarding vermelde filteringscriteria, althans op grond van in goede justitie te bepalen filteringscriteria. Ten slotte vorderen SBK c.s. om gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
SBK c.s. leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Zij beschikken op basis van de discovery order van de Amerikaanse rechter over een aanzienlijke hoeveelheid documenten, waarover hun Nederlandse advocaten niet kunnen beschikken omdat gedaagden een beroep op hun verschoningsrecht doen. Daardoor kunnen de documenten niet worden gebruikt in lopende procedures, waaronder een bodemprocedure waarin op 10 november 2026 de mondelinge behandeling plaatsvindt. SBK c.s. hebben er dus een belang bij dat hun advocaten spoedig toegang tot deze documenten kunnen krijgen, voor zover het geen geheimhoudersinformatie betreft. SBK c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat gedaagden ten onrechte een beroep op hun verschoningsrecht doen omdat Akin Gump, in samenspraak met de Nederlandse advocaten van [gedaagden] , al een selectie heeft gemaakt en uitsluitend non-privileged documenten heeft verstrekt. Er is dus al gefilterd op geheimhoudersinformatie en gelet op de nauwe betrokkenheid van de Nederlandse advocaten van [gedaagden] moet het ervoor worden gehouden dat de door Akin Gump verstrekte documenten reeds zijn beoordeeld conform de Nederlandse maatstaven van het verschoningsrecht. Voor zover er nog een filtering moet plaatsvinden is dat volgens SBK c.s. nu aan de rechter-commissaris of een onafhankelijke advocaat. Het is voor SBK c.s. niet mogelijk om, zoals gedaagden hebben aangevoerd, vooraf gemotiveerd aan te geven welke documenten relevant zouden kunnen zijn. Dat kan immers alleen door de Nederlandse advocaten van SBK c.s. worden beoordeeld, die nu juist geen toegang tot de documenten hebben. Bovendien is volgens SBK c.s. ‘relevantie’ geen relevante maatstaf. SBK c.s. hebben ten slotte uiteengezet op welke wijze volgens hen gefilterd zou moeten worden.
Gedaagden voeren verweer, waarbij het verweer van [gedaagden] en [gedaagde 4] gedaagde op hetzelfde neerkomt. Volgens gedaagden kan uit het feit dat Akin Gump de verstrekte documenten als non-privileged heeft aangemerkt niet de conclusie worden getrokken dat er geen geheimhoudingsinformatie tussen zit. In dit verband hebben [gedaagden] betwist dat zij betrokken zijn geweest bij de door Akin Gump gemaakte selectie. Volgens gedaagden is het aan hen als verschoningsgerechtigden om die beoordeling te maken en kan bij een geschil over de uitkomst daarvan de rechter worden betrokken, die uitsluitend marginaal toetst. Een filtering door een rechter-commissaris of onafhankelijke advocaat is volgens hen niet aan de orde. Zij hebben ook te kennen gegeven dat van hen niet kan worden verlangd de aanzienlijke hoeveelheid van 2.200 documenten te beoordelen. Daarom hebben zij (onder andere) voorgesteld dat de Amerikaanse advocaten van SBK een selectie maken van ongeveer 50 documenten, die volgens hen relevant zijn voor in de lopende procedures en dat gedaagden die vervolgens zullen beoordelen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Tussen partijen is in geschil of (en zo ja op welke wijze) de ongeveer 2.200 documenten die SBK op grond van de discovery order van de Amerikaanse rechter van Akin Gump heeft verkregen aan de Nederlandse advocaten van SBK c.s. verstrekt kunnen worden om te gebruiken in lopende procedures, nu gedaagden hebben aangegeven dat niet is uit te sluiten dat zich daarbij vertrouwelijke informatie bevindt waarvoor een verschoningsrecht geldt.
Ten aanzien van de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van advocaten en notarissen strekt in de Nederlands rechtelijke context het volgende tot uitgangspunt.
Het verschoningsrecht is fundamenteel en ligt ten grondslag aan het beroep van advocaat en notaris in het verlengde van de geheimhoudingsplicht. Dit brengt mee dat advocaten en notarissen uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie tot geheimhouding verplicht zijn van al hetgeen hen in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd. De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht dienen naast het belang van de cliënt en het eigen belang van de advocaat/notaris een algemeen maatschappelijk belang, te weten dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot een advocaat of notaris moet kunnen wenden, waarvoor het belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt in beginsel moet wijken. Het is aan de advocaat en/of de notaris zelf om een belangenafweging te maken en te bepalen in hoeverre hij een beroep op zijn verschoningsrecht doet, wat betekent dat het verschoningsrecht een recht is dat in beginsel de advocaat en/of de notaris toekomt en niet een recht is van de cliënt. De beoordeling of informatie onder het verschoningsrecht valt is daarmee ook primair voorbehouden aan de verschoningsgerechtigde zelf, die in staat moet worden gesteld om zich daarover uit te laten. Een rechter toetst dit standpunt slechts marginaal. Dat betekent dat het standpunt van de geheimhouder wordt geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
De voorzieningenrechter is met gedaagden van oordeel dat op dit moment niet kan worden uitgesloten dat tussen de door Akin Gump aan SBK verstrekte documenten documenten zitten die onder het Nederlandse verschoningsrecht vallen (hierna ook: geheimhoudersinformatie). Het feit dat de documenten zijn verstrekt op basis van een rechtelijke uitspraak in de Verenigde Staten leidt niet tot een andere conclusie. Dat zorgt er wel voor dat nu de atypische situatie is ontstaan dat SBK (rechtsgeldig) over documenten beschikt die haar Nederlandse advocaten niet kunnen inzien en gebruiken zolang niet is gewaarborgd dat deze documenten geen geheimhoudersinformatie van gedaagden bevatten. De omstandigheid dat Akin Gump de verstrekte documenten als non-privileged heeft aangemerkt is niet voldoende om daarvan uit te gaan. Daarbij is van belang dat vaststaat dat wat in het buitenland als non-privileged heeft te gelden niet een op een gelijk is aan wat in Nederland onder het verschoningsrecht valt. De relevante regelgeving verschilt immers. Ook hebben SBK c.s. tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagden] niet aannemelijk gemaakt dat de [gedaagden] advocaten zodanig betrokken zijn geweest bij de door Akin Gump gemaakte selectie dat daarmee geconcludeerd kan worden dat zij alle documenten al hebben beoordeeld naar de Nederlandse regels en dat de verstrekte documenten geen geheimhoudersinformatie bevat. Uit productie 22, waarnaar SBK c.s. in dit verband hebben verwezen, kan deze conclusie in ieder geval niet worden getrokken. Daar komt nog bij dat vaststaat dat [gedaagde 4] advocaat in het geheel geen betrokkenheid heeft gehad bij de selectie door Akin Gump.
De volgende vraag is op welke wijze vastgesteld moet worden of zich tussen de door Akin Gump aan SBK verstrekte documenten geheimhoudersinformatie bevindt. In lijn met eerdergenoemde uitgangspunt is het eerst aan gedaagden als verschoningsgerechtigden om de documenten te beoordelen op geheimhoudersinformatie. Daarbij is het aan hen zelf om die beoordeling te doen op grond van de uitgangspunten van de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht. Het gaat niet aan om hen vooraf, op verzoek van een direct belanghebbende, filteringscriteria op te leggen. Pas bij een geschil over de vraag of bepaalde documenten onder geheimhoudersinformatie vallen of niet, kan dit aan de rechter worden voorgelegd. Van een filtering door een rechter-commissaris dan wel onafhankelijke advocaat, waar de vordering van SBK c.s. op ziet, kan in ieder geval geen sprake zijn. Dat zou niet in lijn zijn met een van de uitgangspunten van het Nederlandse verschoningsrecht dat verschoningsgerechtigde zelf de beoordeling maakt. De vordering wordt dan ook afgewezen. Het advies van de Deken, dat overigens is gegeven zonder enige betrokkenheid van gedaagden, maakt dat niet anders. Tot slot wordt ook de stelling van SBK c.s. dat de [gedaagden] advocaten met het bericht van 3 juni 2026 (2.8) deze eigen beoordeling al gemaakt hebben en er dus al sprake is van een geschil niet gevolgd. Dat de [gedaagden] advocaten al enige analyse van (een deel van) de 30.000 pagina’s hebben gemaakt blijkt niet uit het bericht van 3 juni 2026, en ook niet anderszins.
Ten overvloede wordt het volgende nog aan partijen meegegeven. De voorzieningenrechter is het met gedaagden eens dat van hen niet kan worden gevergd om op korte termijn circa 2.200 documenten (ongeveer 30.000 pagina’s) te beoordelen op geheimhoudersinformatie. Het voorstel van gedaagden om de Amerikaanse advocaten van SBK c.s. een eerste selectie te laten maken en die documenten aan gedaagden voor te leggen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijk voorstel en zou partijen kunnen helpen uit deze impasse te geraken. Van gedaagden mag verwacht worden dat zij circa 70 documenten beoordelen. De voorzieningenrechter raadt partijen aan om dit voorstel te volgen en daarbij voortvarend te werk te gaan. Indien vervolgens een geschil ontstaat over een specifieke beoordeling kan dat vervolgens aan de rechter van de al lopende bodemprocedure worden voorgelegd. Dit sluit aan bij de ontwikkeling die mede ten grondslag ligt aan de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht dat de rechter die over de hoofdzaak oordeelt ook over de bewijsverrichtingen gaat.
SBK c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , alsmede die aan de zijde van [gedaagde 4] worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.707,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorziening,
veroordeelt SBK c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.707,00 aan de zijde van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SBK c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt SBK c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
veroordeelt SBK c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.707,00 aan de zijde van [gedaagde 4] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SBK c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2026.