ECLI:NL:RBAMS:2026:9236

ECLI:NL:RBAMS:2026:9236

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 15-09-2026
Zaaknummer 13.090094.25
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Onderzoek Ketchikan. Veroordeling voor betrokkenheid bij een methamfetaminelaboratorium. Vrijspraak van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Gevangenisstraf van 19 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-090094-25

Datum uitspraak: 15 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

wonende op het adres [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19, 20, 23, 27 en 30 maart 2026, 3 en 10 april 2026 (inhoudelijke behandeling) en 15 september 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. A. Kerkhoff en mr. M.M. van den Berg (hierna samen: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.J.M. van Roy, advocaat te Leiden, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de overige verdachten in het onderzoek Ketchikan, te weten [medeverdachte 1] (13-011544-21), [medeverdachte 2] (13-011674-21), [medeverdachte 3] (13-012666-21), [medeverdachte 4] (13-059747-21), [medeverdachte 5] (13-222962-21), [medeverdachte 6] (13-222976-21), [medeverdachte 7] (13-017117-26), [medeverdachte 8] (13-090055-25) en [medeverdachte 9] (13-090082-25). De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in deze zaken.

2. Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort samengevat – beschuldigd van de volgende strafbare feiten:

1. primair: medeplegen van het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans het opzettelijk aanwezig hebben van (ongeveer) 3,4 kilogram methamfetamine in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te Amsterdam en/of [plaatsnaam 1] en/of elders in Nederland,

subsidiair: het tezamen en in vereniging medeplichtig zijn aan het medeplegen van het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, althans het opzettelijk aanwezig hebben van (meth)amfetamine in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te Amsterdam en/of [plaatsnaam 1] en/of elders in Nederland;

2. medeplegen van het voorbereiden van het opzettelijk vervaardigen, bereiden, bewerken, verwerken en/of verkopen van (meth)amfetamine in de periode van 20 augustus 2020 tot en met 11 januari 2021 te Amsterdam en/of elders in Nederland.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Inleiding

Deze zaak maakt deel uit van de mega Ketchikan. Onderzoek Ketchikan is gericht op een groep personen die zich in georganiseerd verband bezig zou houden met de productie en handel in synthetische drugs, met name methamfetamine, ook wel crystal meth genoemd. Er werd onderzoek gedaan naar onder meer het opzetten, faciliteren en exploiteren van drugslaboratoria. Lopende het onderzoek zijn er op verschillende locaties, waaronder [plaatsnaam 2] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 3] (België) drugslaboratoria ontmanteld.

Er zijn in totaal elf verdachten gedagvaard. Het Openbaar Ministerie ziet deze elf verdachten als een samenwerkingsverband dat een belangrijke schakel vormt in de grootschalige productie van methamfetamine in Nederland. [verdachte] is één van die verdachten. Hij wordt ervan verdacht als tussenpersoon een belangrijke verbindende en coördinerende rol te hebben gehad bij het loboratorium in [plaatsnaam 1] en bij voorbereidingshandelingen voor laboratoria op andere locaties.

Die verdenking heeft, nadat de rechtbank de dagvaarding in zijn zaak in 2022 nietig heeft verklaard (Ketchikan I), geresulteerd in de hierboven weergegeven tenlastelegging. De zaak is vervolgens in 2026 opnieuw door het Openbaar Ministerie aangebracht (Ketchikan II).

4. Geldigheid dagvaarding

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig is voor zover het betreft de zinsnede “elders in Nederland” in de tenlastelegging onder feit 1 en de zinsnede “de samenwerking met een of meer andere (onbekend gebleven) partij(en)” in de tenlastelegging onder feit 2. Kort gezegd voert de raadsman daartoe aan dat het complexe dossier onvoldoende duidelijkheid biedt over welke gedragingen en locaties aan verdachte worden verweten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat “elders in Nederland” een goedgekeurde standaard wijze van tenlasteleggen is en dat voldoende duidelijk is waar de verdenking op ziet. Ook is voldoende duidelijk welke gedragingen verdachte onder feit 2 verweten worden. Bij voorbereidingshandelingen gaat het om de gedragingen. Het feit dat partijen en precieze locaties niet bekend zijn geworden maakt juist dat het bij voorbereidingshandelingen gebleven is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer. Uit de tenlastelegging, het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat het verwijt gemaakt onder het eerste feit betrekking heeft op de productielocatie aangetroffen in [plaatsnaam 1] . Dit is verdachte duidelijk geweest aangezien in het pleidooi wordt bestreden dat verdachte als medepleger ten aanzien van deze locatie kan worden aangemerkt. Wat betreft de verdenking onder feit 2, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin enige onduidelijkheid hebben bestaan wat verdachte wordt verweten. De gedragingen die de voorbereidingshandelingen zouden inhouden, zijn in acht gedachtestreepjes geconcretiseerd. Ter terechtzitting is door het Openbaar Ministerie benadrukt dat de voorbereidingshandelingen uitdrukkelijk geen betrekking hebben op de aangetroffen laboratoria in [plaatsnaam 2] , [plaatsnaam 3] en [plaatsnaam 1] maar dat de verdenking toeziet op productielocaties die niet zijn aangetroffen. De verwijzing naar (onbekend gebleven) partij(en) leidt niet tot onduidelijkheid over welke gedragingen en locaties aan verdachte worden verweten. Daarbij komt dat de zinsnede “(onbekend gebleven) partij(en)” zelfs nog nader wordt geconcretiseerd door de vermelding dat dit in ieder geval “ [bijnaam 1] ” betreft. De dagvaarding is geldig.

5. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

[verdachte] had een belangrijke rol als tussenpersoon en organisator binnen de samenwerking rond het laboratorium in [plaatsnaam 1] . Hij bracht [medeverdachte 3] in contact met [medeverdachte 1] , fungeerde als schakel tussen hen en zorgde ervoor dat [medeverdachte 3] met geld over de brug kwam, zodat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] daadwerkelijk konden gaan werken. Zonder [verdachte] zou ten aanzien van dit laboratorium niemand aan het werk zijn gegaan.

Zijn betrokkenheid bij [plaatsnaam 1] volgt in het bijzonder uit de OVC-gesprekken en ontmoetingen op 30 november en 2, 3 en 4 december 2020. Uit die gesprekken blijkt dat [verdachte] niet slechts een ondergeschikte facilitator was, maar dat hij een wezenlijke rol had binnen de samenwerking. Zijn rol was van voldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken.

Ook de voorbereidingshandelingen kunnen worden bewezen. Daarbij gaat het niet om het onder feit 1 bedoelde laboratorium in [plaatsnaam 1] , maar om andere, niet aangetroffen productielocaties. [verdachte] stelde zijn woning beschikbaar voor ontmoetingen, bracht personen met elkaar in contact, regelde of besprak samenwerkingen, onderdak, betalingen en grondstoffen en beschikte over en gebruikte cryptotelefoons/cryptocommunicatie. Uit de OVC-gesprekken en de inhoud van de bij hem aangetroffen telefoon blijkt dat hij op meerdere momenten een belangrijke verbindende en coördinerende rol had bij activiteiten gericht op de productie van methamfetamine.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van feit 1 en 2, voor zover – zo de rechtbank begrijpt – uit de bewijsmiddelen enige betrokkenheid van verdachte blijkt bij de productielocaties [plaatsnaam 2] , [plaatsnaam 3] en [plaatsnaam 4] . Een bewezenverklaring die (mede) steunt op betrokkenheid bij die locaties, verlaat de grondslag van de tenlastelegging, aldus de raadsman. Bewijs dat specifiek ziet op laboratoria in [plaatsnaam 3] , [plaatsnaam 4] en [plaatsnaam 2] , kan derhalve niet worden gebruikt voor de bewezenverklaring van feit 1 of feit 2.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard ten aanzien van de in de tenlastelegging onder feit 1 opgenomen zinsnede “elders in Nederland” en de onder feit 2 opgenomen zinsnede “onbekend gebleven partij(en)”.

Meer subsidiair heeft de raadsman bestreden dat verdachte als medepleger ten aanzien van feit 1 kan worden aangemerkt en hij heeft de rechtbank verzocht tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid te komen. Daartoe heeft hij, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 kan [verdachte] niet als medepleger van het laboratorium in [plaatsnaam 1] worden aangemerkt. Hij heeft niet deelgenomen aan de productie, is niet in het laboratorium geweest en had geen beslissende of sturende rol bij de werkzaamheden daar. De rol die het Openbaar Ministerie aan [verdachte] toeschrijft, namelijk het leggen van contacten, het doorgeven van informatie, het beschikbaar stellen van zijn woning en het faciliteren van anderen, bestaat uit gedragingen die passen bij medeplichtigheid en niet bij medeplegen.

De beslissingen over het laboratorium, de koks en de productie lagen bij anderen. [verdachte] handelde op instructie of verzoek van anderen en was geen gelijkwaardige partner in de uitvoering.

Ten aanzien van feit 2 moet de rol van [verdachte] worden gewaardeerd als faciliterend en ondergeschikt. Zijn gedragingen bestaan in de kern uit het verschaffen van gelegenheid, middelen en inlichtingen en zijn verricht op instructie van en in het verlengde van beslissingen door anderen. Daarmee komt aan zijn rol het gewicht toe van medeplichtigheid.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 2 niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt als volgt.

Algemene overweging

Het onderzoek Ketchikan is op 20 augustus 2020 gestart. De aanleiding voor dit onderzoek lag in informatie die naar voren kwam uit het eerdere onderzoek Matanuska. Dat onderzoek was op 29 juli 2020 gestart. Er zijn verschillende opsporingsmiddelen ingezet, waaronder observaties, het opnemen van vertrouwelijke communicatie in voertuigen en het tappen van telecommunicatie.

In de afgeluisterde gesprekken wordt door verschillende personen en in wisselende samenstelling onder meer gesproken over locaties, personen die zouden moeten werken, betalingen en het opzetten of inrichten van productielocaties. Daarbij wordt gebruikgemaakt van termen die, gelet op de inhoud en context van de gesprekken en de overige bevindingen in het dossier, duiden op versluierd taalgebruik voor de productie van methamfetamine.

Uit de inhoud van de gesprekken, bezien in samenhang met de observaties en de overige bevindingen in het dossier komt dan ook in algemene zin het beeld naar voren dat de verdachten betrokken waren bij het opzetten van laboratoria voor de productie van methamfetamine op verschillende locaties. Dat algemene beeld is, hoe verdacht dit beeld ook is, echter niet voldoende om zonder meer tot bewezenverklaring te komen van de aan [verdachte] tenlastegelegde feiten.

De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of er in het dossier bewijs voorhanden is dat [verdachte] als medepleger of medeplichtige betrokken is bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] en als medepleger bij de betreffende voorbereidingshandelingen. OVC-gesprekken of observaties die niet voldoende concreet met het laboratorium in [plaatsnaam 1] in verband kunnen worden gebracht, kunnen niet zonder meer als bewijs voor het tenlastegelegde feit dienen.

Identificatie [verdachte]

Voor zover [verdachte] in OVC-gesprekken als spreker wordt aangeduid of herkend, zal de rechtbank die koppeling tussen stem en persoon alleen volgen als daarvoor steun bestaat in de inhoud van het gesprek of in andere bewijsmiddelen. Hetzelfde geldt voor zover het Openbaar Ministerie [verdachte] koppelt aan een bijnaam in de gesprekken. Conclusies in overzichtsprocessen-verbaal of in het requisitoir die niet of onvoldoende steun vinden in de onderliggende bewijsmiddelen, zal de rechtbank niet zonder meer volgen. Verder is van belang dat een stemherkenning bij een bepaald gesprek, op zichzelf nog geen bewijs oplevert dat die persoon ook in andere gesprekken als spreker kan worden aangemerkt. De vraag in hoeverre [verdachte] kan worden gekoppeld aan de inhoud van specifieke, voor de tenlastelegging relevante gesprekken, zal de rechtbank per feit beoordelen. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende vaststellingen.

[verdachte] komt volgens het dossier al in de beginfase van het onderzoek (Matanuska) in beeld. Hij is op 7 en 9 augustus 2020 voor het eerst gezien tijdens observaties. Ook in het onderzoek Ketchikan wordt hij waargenomen, onder meer op 26 augustus 2020 tijdens een ontmoeting met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] en [naam] . Daarnaast volgt uit het dossier dat [medeverdachte 1] vanaf 27 augustus 2020 meermalen parkeert in de omgeving van de [adres 2] , waar [verdachte] woonachtig was.

In OVC-sessie 630 van 24 november 2020 bevindt de Mazda van [medeverdachte 1] zich volgens de in de sessieweergave opgenomen GPS-gegevens bij de [adres 2] . Uit diezelfde sessie volgt dat [medeverdachte 1] spreekt met een andere persoon, die hij aanspreekt als “ [voornaam] ”, zijnde de voornaam van [verdachte] . Uit een observatie van 4 december 2020 volgt dat de woning van [verdachte] zich bevond aan de [adres 2] . Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de persoon is die in sessie 630 als “ [voornaam] ” wordt aangesproken.

Voor zover de identificatie van [verdachte] daarnaast is gebaseerd op stemherkenning aan de hand van OVC-sessie 621, geldt dat die herkenning volgens het betreffende proces-verbaal mede is gebaseerd op een onderliggende observatie, terwijl die observatie niet zonder meer uit het dossier kan worden herleid. Anders dan bij sessie 630 blijkt de voor de identificatie gebruikte locatie bij sessie 621 dus niet rechtstreeks uit de opgenomen sessieweergave. De rechtbank laat de op sessie 621 gebaseerde stemherkenning daarom buiten beschouwing.

Bewijsoverweging feit 1 (ZD02)

5.3.3.1. Drugslab in [plaatsnaam 1]

Naar aanleiding van afgeschermde informatie uit het onderzoek Ketchikan is op 6 december 2020 omstreeks 18.00 uur binnengetreden op het perceel aan de [adres 3] . Die informatie hield in dat zich op het terrein van een boerderij aan de [adres 3] een laboratorium bevond waar synthetische drugs werden geproduceerd.

Uit het proces-verbaal van onderzoek naar het perceel volgt dat een met de woning verbonden schuur was ingericht als productielocatie. In de schuur bevonden zich drie binnenruimtes. Er was sprake van professioneel aangelegde luchtaanvoer en luchtafzuiging, waarbij de afgevoerde lucht met koolstoffilters gefilterd en met gaswassers gewassen werd. Verder zijn jerrycans en zakken met chemicaliën aangetroffen met opschriften als aceton, tolueen, caustic soda en wijnsteenzuur. De combinatie van deze chemicaliën is volgens de bevindingen typisch voor de bewerking van methamfetamine. Ook zijn gereedschappen, goederen en bouwmaterialen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een productielocatie, waaronder klemdekselvaten, maatbekers, handschoenen en gezichtsmaskers.

In de schuur is daarnaast 3,4 kilogram netto aan een materiaal bevattende methamfetamine aangetroffen. Uit NFI-onderzoek volgt dat in het onderzoeksmateriaal methamfetamine is aangetoond. De rechtbank stelt daarom vast dat zich op het perceel aan de [adres 3] een drugslaboratorium bevond dat was ingericht en werd gebruikt voor de bereiding en bewerking van methamfetamine.

Daarbij komt dat volgens het LFO het aangetroffen klemdekselvat met daarin een fles met restanten methamfetaminebase, een vervuilde maatbeker, een aangebroken fles ethanol en een aangebroken zak wijnsteenzuur wijst op daadwerkelijke bewerking van methamfetamine. Dat niet kan worden vastgesteld dat de volledige hoeveelheid methamfetamine van begin tot eind op deze locatie is geproduceerd, staat niet in de weg aan de conclusie dat in [plaatsnaam 1] sprake was van het bereiden, bewerken en verwerken van methamfetamine.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger bij dit laboratorium betrokken is geweest. Daarvoor is niet voldoende dat [verdachte] voorkomt in gesprekken waarin in algemene zin wordt gesproken over locaties, betalingen, koks of werkzaamheden. Vereist is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het laboratorium in [plaatsnaam 1] .

5.3.3.2. Beoordeling betrokkenheid verdachte bij drugslab in [plaatsnaam 1]

Die concrete bewijsmiddelen zijn er ten aanzien van [verdachte] . Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] rechtstreeks aan het laboratorium in [plaatsnaam 1] kan worden gekoppeld en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van medeplegen.

De betrokkenheid van [verdachte] volgt uit de combinatie van OVC-gesprekken en observaties op 3 en 4 december 2020. In de gesprekken wordt hij aangesproken als “ [voornaam] ”. De rechtbank koppelt deze gesprekken in dit verband aan [verdachte] , omdat de gesprekken zien op afspraken bij zijn woning aan de [adres 2] en omdat de gebeurtenissen de volgende dag ook daadwerkelijk bij die woning plaatsvinden.

Op 3 december 2020 zegt [medeverdachte 1] tegen ‘ [verdachte] ’ dat zij de volgende dag kunnen beginnen, maar dat het geld aanwezig moet zijn. Ook wordt besproken dat de jongens niet in de auto gaan als het geld er niet is en dat ‘ [bijnaam 2] ’ de volgende ochtend met het geld zal komen. Uit de context van de gesprekken volgt dat [verdachte] degene was die het contact met ‘ [bijnaam 2] ’ onderhield en ervoor moest zorgen dat hij met het geld zou komen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat met ‘ [bijnaam 2] ’ [medeverdachte 3] wordt bedoeld.

De gebeurtenissen van de volgende dag sluiten aan op de inhoud van dit gesprek. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] worden naar de woning van [verdachte] gebracht. [medeverdachte 3] verschijnt daar rond het vooraf besproken tijdstip met een gevulde tas en maakt later contact met de bestuurder van de Volkswagen Transporter. Vervolgens komen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] vanaf de achterzijde van de woning aanlopen en stappen zij in de Transporter, waarmee zij via Zutphen naar [plaatsnaam 1] worden gebracht.

Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de vaststelling dat [verdachte] de schakel was tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [verdachte] stelde niet alleen zijn woning beschikbaar als ontmoetings- en verzamelplaats, maar had ook een coördinerende rol in het tot stand brengen van de afspraak met [medeverdachte 3] en het ervoor zorgen dat die met geld voor de koks zou komen. Dat was noodzakelijk, omdat uit de gesprekken volgt dat de koks anders niet zouden vertrekken.

De rechtbank volgt daarom niet het standpunt van de verdediging dat de rol van [verdachte] slechts faciliterend of ondergeschikt was. Zijn rol was de verbindende schakel tussen de groep van [medeverdachte 1] enerzijds en [medeverdachte 3] anderzijds. Daarmee heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd aan het laboratorium in [plaatsnaam 1] . Daarbij heeft hij samengewerkt met anderen, onder wie [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] .

5.3.3.3. Conclusie

Bewezen is dat [verdachte] het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

Vrijspraak feit 2 (ZD05/ZD06)

5.3.4.1. Voorbereidingshandelingen voor andere productielocaties

De officier van justitie heeft ter terechtzitting benadrukt dat de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen uitdrukkelijk geen betrekking hebben op de laboratoria in [plaatsnaam 2] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 3] . Met de tenlastelegging is beoogd voorbereidingshandelingen voor andere, niet door het onderzoeksteam aangetroffen laboratoria ten laste te leggen.

De rechtbank moet dus beoordelen of het dossier bewijsmiddelen bevat voor voorbereidingshandelingen die zien op een ander laboratorium dan die in [plaatsnaam 2] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 3] en vervolgens of verdachte daaraan een strafrechtelijk relevante bijdrage heeft geleverd. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de periode van de tenlastelegging overlapt met de periode waarin de laboratoria in [plaatsnaam 2] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 3] werden opgezet en gebruikt. De rechtbank betrekt in haar oordeel alleen die bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel zien op (een) andere locatie(s) dan [plaatsnaam 2] , [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 3] .

De rechtbank beoordeelt hierna of verdachte betrokken was bij de aan hem ten laste gelegde voorbereidingshandelingen voor een andere, niet aangetroffen productielocatie.

5.3.4.2. Beoordeling betrokkenheid verdachte bij voorbereidingshandelingen

Het dossier bevat aanwijzingen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode niet alleen betrokken was bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] , maar dat hij op vergelijkbare wijze ook heeft bijgedragen aan (het opzetten van) laboratoria op andere locaties. Die aanwijzingen zijn echter onvoldoende concreet voor een bewezenverklaring. Er zijn wel gesprekken onderschept en ontmoetingen gezien waaraan [verdachte] deelneemt, maar daarvan kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat deze gesprekken en ontmoetingen betrekking hadden op voorbereidingshandelingen van andere, niet aangetroffen productielocaties.

Ook de bevindingen over cryptotelefoons, Wickr-communicatie of contacten over stoffen zoals apaan maken dat niet anders. Die bevindingen dragen bij aan het hierboven besproken algemene beeld, maar zij maken niet concreet welke voorbereidingshandelingen [verdachte] ten aanzien van een andere productielocatie zou hebben verricht.

5.3.4.3. Conclusie

Feit 2 is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 30 november 2020 tot en met 6 december 2020 te [plaatsnaam 1] , tezamen en in vereniging met anderen, te weten met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] , opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

- (ongeveer) 3,4 kilogram methamfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van een bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten en heeft daarbij onder meer betrokken dat verdachte een belangrijke tussenpersoon en coördinator was en dat hij eerder is veroordeeld voor drugsgerelateerde feiten. De officier van justitie heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het strafmaatverweer van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman aangevoerd dat de rol van verdachte hooguit medeplichtig of ondergeschikt was en dat hij geen beslisser, financier of uitvoerder was. Verder heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn hartproblemen, zijn zorg voor zijn ouders en zijn gezinssituatie.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de productie van methamfetamine in een drugslaboratorium in [plaatsnaam 1] .

Methamfetamine is een zeer schadelijke harddrug. De productie daarvan brengt grote risico’s mee voor de volksgezondheid, de veiligheid van de directe omgeving en het milieu. Bij de productie worden gevaarlijke chemicaliën gebruikt. Drugslaboratoria leveren risico’s op voor brand, explosies, lekkages en blootstelling aan giftige stoffen. Dat gevaar geldt niet alleen voor de personen die in de laboratoria werken, maar ook voor omwonenden, hulpverleners en anderen die met de gevolgen van dergelijke productieplaatsen worden geconfronteerd. Daarnaast gaat de productie van synthetische drugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, zoals geweld, intimidatie, witwassen en dumping van chemisch afval.

De rechtbank rekent verdachte aan dat hij een wezenlijke rol heeft gehad bij de productie van crystal meth in het laboratorium in [plaatsnaam 1] . De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie echter niet in de rol die het aan verdachte toedicht. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor andere, niet aangetroffen laboratoria. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte een gelijke partner was van de andere betrokkenen of dat hij een beslissende of leidinggevende rol had.

Hoewel in het dossier aanwijzingen zijn te vinden die verdachte in verband brengen met laboratoria op andere locaties, ziet de bewezenverklaring slechts op betrokkenheid van verdachte bij één laboratorium en op een relatief korte periode. Dit vormt dan ook de basis voor het bepalen van de straf.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder drugsgerelateerde feiten. De rechtbank weegt dit strafverzwarend mee.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het dossier en wat namens verdachte naar voren is gebracht volgt dat hij hartproblemen heeft gehad en nog onder controle staat. Ook is aangevoerd dat hij een rol heeft in de zorg voor zijn ouders en contact heeft met zijn kinderen. De rechtbank houdt daarmee rekening, maar ziet daarin geen reden om af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verder houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is op 12 januari 2021 in verzekering gesteld. De rechtbank doet uitspraak op 15 september 2026. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden. Deze overschrijding is niet in overwegende mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal daarom strafvermindering toepassen.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de rol van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf vindt de rechtbank te hoog. Die eis gaat uit van bewezenverklaring van beide feiten en van een zwaardere rol van verdachte dan de rechtbank bewezen acht. De rechtbank acht alleen zijn betrokkenheid bij het laboratorium in [plaatsnaam 1] bewezen. Voor de voorbereidingshandelingen wordt verdachte vrijgesproken.

Alles afwegende acht de rechtbank, vóór toepassing van strafvermindering wegens de overschrijding van de redelijke termijn, een gevangenisstraf van 24 maanden passend. De aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn geeft aanleiding deze straf te verminderen met vijf maanden.

De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 19 (negentien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smit, voorzitter,

mr. H.J. Bos en mr. M. Wiewel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.

[…]

[…] […]

[…] […] […] […] […]

[…] […] […] […] […] […] […] […]

[…] […] […] […] […]

[…] […] […] […] […] […]

[…]

[…] […] […] […] […] […] […] […]

[…] […]

[…] […] […]

[…] […]

[…] […] […] […] […]

[…] […]

[…] […]

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Smit
  • mr. H.J. Bos
  • mr. M. Wiewel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand