ECLI:NL:RBAMS:2026:9270

ECLI:NL:RBAMS:2026:9270

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 13.338150.24 (A) en 13-034032-25 (B)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een 19-jarige man is veroordeeld voor het samen met anderen opzettelijk uitlokken van een poging tot het zware mishandeling van een realityster op 2 september 2024 in Amsterdam. Hij is ook veroordeeld voor drugsgerelateerde feiten en witwassen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13.338150.24 (A) en 13-034032-25 (B)

Datum uitspraak: 17 september 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 3 september 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde

parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk

zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Ang en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Y.A. Samseij, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door

mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad),

mevrouw [naam 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA)

en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.

Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partij [benadeelde partij]

en haar raadsman, mr. S.M. Diekstra, ter zitting naar voren is gebracht.

2. Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

in zaak A

het medeplegen van uitlokking van het medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade (primair), dan wel het medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade (subsidiair) van [benadeelde partij] op 2 september 2024 te Amsterdam;

in zaak B

op 31 januari 2025 te Amsterdam-Duivendrecht en/of Amsterdam

onder feit 1:

opzettelijke teelt/handel/vervoer van 4,13 gram cocaïne en 3,00 gram MDMA;

onder feit 2:

het witwassen van 695 euro;

onder feit 3:

voorbereidingshandelingen voor het begaan van een feit als bedoeld in het vierde, dan wel vijfde lid van artikel 10 Opiumwet.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van het in zaak A primair tenlastegelegde en de tenlastegelegde feiten in zaak B.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het tenlastegelegde in zaak A ziet de verdediging onvoldoende aanknopingspunten in het dossier om vast te kunnen stellen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de uitlokking van het medeplegen van de poging tot zware mishandeling op [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ). De verdachte is niet de daadwerkelijke opdrachtgever geweest van dit feit, maar heeft gefungeerd als een soort tussenpersoon. De verdediging ziet wel voldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid te komen, zoals subsidiair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde heeft de verdediging verzocht de verdachte vrij te spreken. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de wetenschap had van wat in de zakjes zat en niet is gebleken dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het geld had gekregen van zijn vader voor zijn verjaardag.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 2 september 2024 een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade op [benadeelde partij] heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt de rechtbank het volgende.

Uitlokking

Om te kunnen spreken van (strafbare) uitlokking, dient te worden voldaan aan een vijftal vereisten: 1) de uitlokker moet willen dat een specifiek strafbaar feit wordt gepleegd en dat een ander dat gaat doen, hij moet met andere woorden zowel opzet hebben op het uitlokken als op het strafbare feit dat hij of zij uitlokt (dubbel opzet), 2) hij of zij moet die ander op het idee brengen (aanzetten) het strafbare feit te begaan, 3) de uitlokker moet gebruik maken van een of meer uitlokkingsmiddelen, 4) het uitgelokte delict moet zijn gevolgd en 5) degene die is uitgelokt, moet strafbaar zijn.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat de verdachte zelf niet fysiek betrokken is geweest bij de poging tot zware mishandeling op [benadeelde partij] , maar er wel voor heeft gezorgd dat deze plaats kon vinden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in een snackbar is aangesproken door twee jongens die hem vroegen om iemand te slaan. Omdat verdachte dat zelf niet wilde doen, heeft hij op Snapchat een oproep gedaan. Daar kreeg hij vervolgens een reactie op van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Verdachte heeft daarna een groepschat aangemaakt en de medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] toegevoegd. In die groepschat werd gesproken over de opdracht. Verdachte stuurde daarin ook foto’s van [benadeelde partij] en haar adresgegevens.

Ook werd in de groepschat een geldbedrag genoemd dat de uitvoerders moest overhalen om de mishandeling te plegen. Verder was de bedoeling dat de mishandeling gefilmd zou worden, anders zouden zij niet betaald krijgen. Het strafbare feit heeft op 2 september 2024 daadwerkelijk plaatsgevonden. De twee uitvoerders zijn inmiddels veroordeeld door de rechtbank.

Hiermee is voldaan aan alle vijf vereisten voor een strafbare uitlokking en die acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Medeplegen en voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorts op grond van voorgaande vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2] bij het uitlokken van de mishandeling. Het is immers verdachte geweest die een oproep op Snapchat heeft gedaan en de latere uitvoerder in contact heeft gebracht met [medeverdachte 2] . De verdachte heeft daarmee een cruciale rol gehad in het geheel. Het gaat duidelijk om een vooropgezet plan dat is uitgevoerd, dus is gehandeld met voorbedachte raad. Het onder 1 primair tenlastegelegde kan dan ook worden bewezen.

Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de uitlokking van het medeplegen van de poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad op [benadeelde partij] .

Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt het volgende.

Op 31 januari 2025 omstreeks 1:15 uur ziet een politieagent, op dat moment niet in dienst, een grijskleurige Fiat slingeren op de weg, waarna de politieagent besluit de auto te volgen. Na een verzoek om assistentie, sluiten collega’s in een politiewagen aan en zij geven de Fiat vervolgens een stopteken. Op het moment dat de Fiat tot stilstand komt, ziet de politieagent in burger dat de bijrijder van de Fiat zakjes uit het raam gooit. De inhoud van de aangetroffen zakjes wordt getest en het materiaal blijkt 4,13 gram cocaïne en 3,00 gram MDMA te bevatten. De bijrijder wordt geïdentificeerd als de verdachte en hij wordt ter plekke gefouilleerd. Bij de verdachte wordt 695 euro in zijn jas aangetroffen. Op de telefoon van de verdachte wordt een groepschat aangetroffen waarin er door andere deelnemers van de groepschat verdovende middelen en adressen worden genoemd en de verdachte op deze berichten reageert met teksten als “gelukt” of een vinkje.

De rechtbank acht op basis van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van de zakjes met verdovende middelen. Dat hij niet wist wat er in de zakjes zat, is mede in het licht van de aangetroffen berichten op zijn telefoon niet geloofwaardig. Gelet op hetgeen is aangetroffen volgt dat hij de aangetroffen middelen voorhanden had om te verkopen, af te leveren en te verstrekken. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 3 ten laste gelegde.

Op grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het geldbedrag dat bij de verdachte werd aangetroffen uit misdrijf, namelijk handel in verdovende middelen, afkomstig is. Van de verdachte mag dan worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Verdachte heeft voor het eerst op de zitting verklaard dat hij het geld van zijn vader voor zijn verjaardag had gekregen. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard deze verklaring niet aannemelijk te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank moet de verklaring van verdachte worden aangemerkt als voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk en geeft deze in beginsel aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. De rechtbank is van oordeel dat ondanks het ontbreken van nader onderzoek naar de verklaring van verdachte, het niet anders kan dat het geld uit eigen misdrijf afkomstig is. Daarbij is van belang dat verdachte eerder niets wilde zeggen over de herkomst van het geld en pas op zitting verklaart dat hij € 1.000,00 van zijn vader had gekregen voor zijn verjaardag. Desgevraagd kon hij niet uitleggen waarom hij dan een gedeelte daarvan midden in de nacht bij zich had. Gelet op de manier en de omstandigheden is aangetroffen, kan het niet anders dan dat het afkomstig is uit de drugshandel. De rechtbank komt daarmee ook tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, in die zin dat bewezen wordt verklaard dat het gaat om geld dat afkomstig is uit eigen misdrijf.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

in zaak A

[medeverdachte 1] en [naam 3] op 2 september 2024 te Amsterdam, tezamen en in

vereniging, ter uitvoering van het door [medeverdachte 1] en [naam 3] voorgenomen misdrijf

om aan [benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [benadeelde partij]

- op de grond hebben getrokken en

- vervolgens meermaals met kracht tegen het hoofd en lichaam hebben getrapt en

- meermaals met kracht met hun vuisten tegen het hoofd en lichaam hebben geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk bovenomschreven strafbare feit, hij, verdachte, in de periode van 1 september 2024 tot en met 2 september 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, door het verschaffen van inlichtingen en beloften opzettelijk heeft uitgelokt door

- die [medeverdachte 1] op Snapchat te benaderen en hierop de opdracht tot het mishandelen van

voornoemde [benadeelde partij] uit te zetten en

- die [medeverdachte 1] geld te bieden om [benadeelde partij] te mishandelen en

- die [medeverdachte 1] opdracht te geven om nog een mededader te regelen, te weten voornoemde

[naam 3] en

- die [medeverdachte 1] te voorzien van identificerende informatie van [benadeelde partij] (foto's, adresgegevens, auto's die zij rijdt) en

- die [medeverdachte 1] te voorzien van instructies met betrekking tot hoe en hoe laat hij en zijn

mededader [benadeelde partij] moeten mishandelen en

- die [medeverdachte 1] en die [naam 3] een hoeveelheid geld in het vooruitzicht te stellen;

in zaak B

onder feit 1:

op 31 januari 2025 te Amsterdam-Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, opzettelijk heeft vervoerd, ongeveer 4,13 gram cocaïne en ongeveer 3,00 gram MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

onder feit 2:

op omstreeks 31 januari 2025, te Amsterdam-Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, een geldbedrag van 695 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf;

onder feit 3:

op 31 januari 2025 te Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het verkopen, afleveren en verstrekken van cocaïne en MDMA, in elk geval middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te bevorderen de navolgende voorwerpen:

- een auto en

- een hoeveelheid verdovende middelen en

- geld, te weten een geldbedrag van 695 euro

voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 3 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 180 uren.

Het standpunt van de verdediging

[verdachte] heeft de afgelopen periode een mooie en positieve groei doorgemaakt. Hij is niet meer in beeld gekomen bij justitie, heeft zijn diploma behaald, werkt fulltime en heeft kunnen profiteren van een sterk vangnet en hulpverlening. De verdediging verzoekt het aantal op te leggen uren aan werkstraf te matigen, nu [verdachte] vijf dagen in de week werkt.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen

geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals

van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gezamenlijk opzettelijk uitlokken van het medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade op [benadeelde partij] . De verdachte heeft in opdracht via Snapchat anderen benaderd om voor geld geweld op haar toe te passen. De aanval is op een professionele manier voorbereid, waarbij het huis van [benadeelde partij] vooraf is geobserveerd en foto’s van [benadeelde partij] zijn gedeeld. [benadeelde partij] is op klaarlichte dag, voor haar eigen woning en in het bijzijn van haar minderjarige kind op de grond getrokken, meermalen met kracht tegen haar hoofd en lichaam geschopt en meermalen met kracht met gebalde vuisten tegen haar hoofd en lichaam geslagen. [benadeelde partij] lag weerloos op de grond toen voorgaande geweldshandelingen door twee personen werden gepleegd. Van deze geweldshandelingen zijn veel omstanders getuige geweest.

Hoewel de verdachte heeft verklaard over zijn eigen aandeel aan dit incident, heeft hij geen verklaring afgelegd over zijn opdrachtgevers. Dit zorgt voor veel onrust bij [benadeelde partij] , omdat zij nog steeds niet weet uit welke hoek de dreiging van geweld komt. Uit haar slachtofferverklaring blijkt hoe beangstigend die voortdurende dreiging voor haar is en welke invloed die voortdurende angst op haar dagelijkse leven en haar bewegingsvrijheid heeft. De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.

Daarnaast heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan strafbare feiten terwijl hij in een schorsing van zijn voorlopige hechtenis liep. Kennelijk heeft dit de verdachte er niet van weerhouden om wederom strafbare feiten te plegen. De verdachte werd in een auto aangetroffen met een grote hoeveelheid contant geld. Vlak daarvoor had hij zakjes uit het raam gegooid met daarin verdovende middelen. Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het verspreiden ervan gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waardoor het met kracht moet worden bestreden.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder dit jaar door de officier van justitie een strafbeschikking uitgevaardigd heeft gekregen. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is daarom van toepassing. De rechtbank zal daar in de strafoplegging rekening mee houden.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van

de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

 de evaluatie ten behoeve van de inhoudelijke zitting van JBRA van 18 augustus 2026;

 het verouderde rapport van de Raad van 21 februari 2025, met de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting.

JBRA ziet de positieve ontwikkeling die [verdachte] de afgelopen periode heeft doorgemaakt. Hij heeft zijn diploma en rijbewijs gehaald, is intensief gaan sporten en is veel afgevallen. Ook heeft hij gewerkt aan zijn digitale weerbaarheid. Hij heeft een goede samenwerking met zijn IFA-coach en om hem heen staat een zeer steunend netwerk. JBRA adviseert geen toezicht en begeleiding.

Ook de Raad ziet geen redenen om nog hulpverlening in te zetten in het kader van toezicht en begeleiding.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het in zaak A te lang heeft geduurd voordat de zaak heeft geleid tot een vonnis, de redelijke termijn van berechting is overschreden.

De strafoplegging

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de

vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank overweegt dat bij deze ernstige feiten een onvoorwaardelijke jeugddetentie

voor langere duur dan verdachte al heeft vastgezeten in voorarrest in beginsel passend is.

Met name het feit waarbij de verdachte geweld heeft uitgelokt, is ernstig en zorgelijk. De verdachte is een onmisbare schakel in het geheel geweest en heeft de ingrijpende consequenties daarvan op de koop toegenomen. Dat rechtvaardigt dan ook dat er een stevige straf wordt opgelegd voor dergelijke feiten.

De rechtbank stelt voorop dat het jeugdstrafrecht wordt gekenmerkt door de aparte positie die het inneemt binnen het Wetboek van Strafrecht. Het kenmerkt zich door het pedagogische karakter ervan. Het doel van het jeugdstrafrecht is, naast de overige strafdoelen, (her)opvoeding en resocialisatie. Het jeugdstrafrecht is steeds maatwerk, afhankelijk van de individuele situatie van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De verdachte is na een relatief korte periode geschorst uit zijn voorlopige hechtenis. Tijdens zijn schorsing, met name in de periode nadat de verdachte aanvankelijk opnieuw in de fout was gegaan, heeft hij een positieve gedragsverandering laten zien. De deskundigen zien dan ook nu een laag recidiverisico en hebben weinig zorgen. De rechtbank acht het niet in het belang van de verdachte en niet in het belang van de maatschappij dat de verdachte terug moet naar de JJI. De rechtbank zal daarom geen hogere onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan het door hem reeds uitgezeten voorarrest. Wel vindt de rechtbank dat hij nog wel een flinke consequentie van zijn handelen moet ondervinden. De rechtbank legt daarom een werkstraf op voor de duur van 180 uren. De rechtbank realiseert zich dat dit een flinke belasting voor hem zal zijn naast zijn vaste baan, maar de ernst van de feiten rechtvaardigen geen lagere werkstraf. Het alternatief zou langere jeugddetentie zijn, waardoor verdachte zijn baan kwijt zou kunnen raken.

10. Beslag

Onder de verdachte is het volgende voorwerp in zaak A in beslag genomen:

1 STK Telefoontoestel

(Omschrijving: PL1300-2024208171-G6570996)

Ter zitting is aangevoerd dat deze telefoon is teruggegeven aan de verdachte. De rechtbank zal daarom teruggave van de telefoon gelasten aan de verdachte.

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in zaak B in beslag genomen:

695,00 EUR Geld Euro

(Omschrijving: PL1300-2025024631-BZAH7583; IBGN 3-2-2025)

1 STK Telefoontoestel

(Omschrijving: PL1300-2025024631-G6614981)

4 STK Verdovende Middelen

(Omschrijving: BZAH7580)

3 GR Verdovende Middelen

(Omschrijving: BZAH7581)

6 GR Verdovende Middelen

(Omschrijving: BZAH7582)

De rechtbank stelt vast dat het geld en de telefoon aan de verdachte toebehoren. Nu naar het oordeel van de rechtbank met behulp van die voorwerpen het in zaak B onder 3 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

De rechtbank stelt voorts vast dat de verdovende middelen zijn bestemd tot het begaan van het in zaak B onder 1 bewezen geachte en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De rechtbank zal om die reden deze voorwerpen onttrekken aan het verkeer.

11. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 851,72 aan vergoeding van materiële schade en

€ 7.500,00 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter zitting heeft de advocaat van de benadeelde partij erop gewezen dat de rechtbank zich in zaken van de medeverdachten al heeft uitgelaten over de vordering. De advocaat heeft zich gerefereerd aan dat oordeel.

De officier van justitie heeft verzocht om toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, gelet op het gevoerde verweer en de beslissingen van de rechtbank in de zaken van de medeverdachten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Materiële schade (kosten psycholoog)

De verdediging heeft deze kostenposten niet betwist. De gevorderde materiële schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom, ter hoogte van € 851,72 worden toegewezen.

Immateriële schade

Voorts staat vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen verklaarde lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 5.000,-.

De rechtbank wijst, gelet op bovenstaande, een schadevergoeding van € 5.851,72 toe, te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te

weten op 2 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat de verdachte het in zaak A bewezen verklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar

vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke

rechter aanbrengen.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze

uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op

heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de

tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens

het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen

verklaarde is toegebracht.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77gg, 303 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan

wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

in zaak A

medeplegen van uitlokking van medeplegen van poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade;

in zaak B

onder feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

onder feit 2:

witwassen;

onder feit 3:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 3 (drie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren.

Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen.

Verklaart verbeurd:

695,00 EUR Geld Euro

(Omschrijving: PL1300-2025024631-BZAH7583; IBGN 3-2-2025)

1 STK Telefoontoestel

(Omschrijving: PL1300-2025024631-G6614981)

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

4 STK Verdovende Middelen

(Omschrijving: BZAH7580)

3 GR Verdovende Middelen

(Omschrijving: BZAH7581)

6 GR Verdovende Middelen

(Omschrijving: BZAH7582)

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

1 STK Telefoontoestel

(Omschrijving: PL1300-2024208171-G6570996)

Benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van

€ 5.851,72 (vijfduizend achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent), bestaande uit € 851,72 (achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 2 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige gedeelte ter hoogte van € 2.500,- (tweeduizendvijfhonderd euro) niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat te betalen

€ 5.851,72 (vijfduizend achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent), bestaande uit € 851,72 (achthonderdeenenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 2 september 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

Behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in zaak A.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. J.W.B. Snijders Blok en J.M. van Hall, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Pattiasina, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.P.C. van Dam van Isselt

Griffier

  • mr. S. Pattiasina

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand