ECLI:NL:RBAMS:2026:9494

ECLI:NL:RBAMS:2026:9494

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 13/074743-26 (zaak A), 13/102841-26 (zaak B) en 13/136517-26 (zaak C)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Ontnemingszaak na oplichtingen en diefstal met valse sleutel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/074743-26 (zaak A), 13/102841-26 (zaak B) en 13/136517-26 (zaak C) (ontneming)

Datum uitspraak: 22 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [naam PI] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 1 september 2026.

2. Vordering en grondslag hiervan

De vordering van de officier van justitie, mr. V.C.E. de Jong, van 10 augustus 2026 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 178.730,-.

Ter terechtzitting van 1 september 2026 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in die zin dat zij het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op € 205.437,30 en de betalingsverplichting op € 151.537,30.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor [verdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

[verdachte] (hierna: veroordeelde) is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2026 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld.

Ten aanzien van zaak A feit 2, zaak B feit 1 en zaak C feit 1:

telkens: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van zaak A feit 3 en zaak C feit 2:

telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van zaak B feit 2 en feit 3:

telkens: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

Ten aanzien van zaak B feit 4:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

3. Wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op basis van de onderbouwing ontnemingsvordering van 3 augustus 2026 en haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op een bedrag van € 205.437,30.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde als pinner een dusdanig beperkte rol heeft gehad bij de bewezen geachte feiten dat het niet gerechtvaardigd is om de volledige opbrengsten daarvan aan hem toe te rekenen. Primair verzoekt de verdediging daarom om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op het bedrag dat veroordeelde daadwerkelijk als vergoeding voor zijn bijdrage aan de feiten heeft ontvangen.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het volgende standpunt gesteld. Op basis van de herkenningen van veroordeelde in het dossier bij verschillende pinopdrachten, zou kunnen worden vastgesteld dat veroordeelde in totaal een bedrag van € 80.885,- heeft gepind met pinpassen van benadeelde partijen. Deze buit heeft hij echter ook moeten delen en staat dus niet gelijk aan het bedrag dat veroordeelde daadwerkelijk uit deze feiten heeft verkregen. De rechtbank zou voor het aandeel van veroordeelde aansluiting moeten zoeken bij het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2026. Gelet op de geringe rol van veroordeelde zou aan hem ten hoogste 5% van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden toegerekend.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is uit voornoemde bewezen verklaarde strafbare feiten door veroordeelde een wederrechtelijk voordeel verkregen dat zij schat op € 41.087,46. De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en aan ‘de onderbouwing ontnemingsvordering van 3 augustus 2026’ en de aanvulling hierop van de officier van justitie, gedaan ter zitting. De rechtbank dient te beoordelen in welke mate dit aan veroordeelde dient te worden toegerekend.

Op basis van de berekening gedaan door het Openbaar Ministerie, stelt de rechtbank vast dat de gehele groep daders die de feiten hebben gepleegd een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald van € 205.437,30. Gelet op het gegeven dat veroordeelde geen concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd over het voordeel dat hijzelf daadwerkelijk heeft verkregen uit de strafbare feiten, kan de rechtbank het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel niet op basis van zijn verklaring vaststellen.

Gelet op voornoemde, moet de rechtbank zelf beoordelen welk deel van het wedererechtelijk verkregen voordeel aan veroordeelde kan worden toegerekend. Nu uit het onderliggende vonnis blijkt dat veroordeelde de feiten als medepleger heeft gepleegd, acht de rechtbank het niet redelijk om het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel uit de strafbare feiten aan hem toe te rekenen. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de oplichtingen en de diefstallen door in ieder geval vijf personen zijn uitgevoerd. Er was immers telkens sprake van één persoon die de slachtoffers belde, één persoon die als chauffeur van en naar verschillende locaties reed, één persoon die langs de deuren ging om de goederen te innen en er waren in ieder geval twee pinners. Veroordeelde is meermaals in dit proces herkend als de pinner. De rechtbank gaat ervan uit dat de buit over de verschillende daders is verdeeld. Omdat enige verklaring over de wijze waarop de buit is verdeeld is uitgebleven, terwijl die wel nodig is om exact te kunnen vaststellen wat het wederrechtelijke verkregen voordeel is, zal de rechtbank bij wijze van schatting uitgaan van een evenredige verdeling van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel tussen vijf personen. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag daarom op (€ 205.437,30 / 5 =) € 41.087,46.

4. Verplichting tot betaling

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de toewijsbare gevorderde bedragen van de benadeelde partij in mindering dienen te worden gebracht van de betalingsverplichting. De betalingsverplichting dient daarom te worden vastgesteld op een bedrag van € 151.537,30.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vast te stellen betalingsverplichting.

Oordeel van de rechtbank

Er doen zich geen omstandigheden voor die aanleiding geven om de betalingsverplichting op voorhand te matigen. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag daarom op € 41.087,46. Daadwerkelijk door veroordeelde betaalde schadevergoeding aan benadeelden zullen door het CJIB in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting.

Zodra veroordeelde de in het onderliggende vonnis toegewezen vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen heeft betaald, zullen die bedragen van de betalingsverplichting in mindering worden gebracht.

5. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

6. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 41.087,46.

Legt op aan [verdachte] de verplichting tot betaling van € 41.087,46 (eenenveertigduizend vierhonderdzevenentachtig euro) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.C. Danel, voorzitter,

mrs. R. van de Water en L.A.L. Wiersinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.C. Danel

Griffier

  • mr. R.T. Lo Dico

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand