RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
AirHelp Germany GmbH
Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12058653 CV EXPL 26-733
vonnis van: 3 september 2026
fno.: 94
I n z a k e
gevestigd te Berlijn (Duitsland)
eiseres
nader te noemen: AirHelp
gemachtigde: Lof Legal Services
t e g e n
gevestigd te Amstelveen
gedaagde
nader te noemen: KLM
gemachtigde: mr. J.J.O. Zandt
In het dossier bevinden zich de volgende processtukken:
Airhelp heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gerepliceerd.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.
De passagier [naam] heeft een vliegreis geboekt van [plaats 1] naar [plaats 2] , uit te voeren op [datum] 2025.
De vlucht is geannuleerd. De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur in [plaats 2] aangekomen.
De passagier heeft bij KLM geklaagd over de vertraging en op grond van Verordening 261/2004 aanspraak gemaakt op compensatie.
De passagier heeft zijn vordering gecedeerd aan Airhelp.
KLM heeft geweigerd te betalen.
Standpunten partijen
2. Airhelp vordert dat KLM bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van € 250,00 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
3. Airhelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Zij stelt zich op het standpunt dat de passagier met KLM een overeenkomst heeft gesloten dat zij de passagier diende te vervoeren van [plaats 1] naar [plaats 2] en dat de passagier vanwege de annulering en vertraagde aankomst in [plaats 2] recht heeft op een compensatie van € 250,00.
4. De vervoerder voert aan dat niet zij maar KLC de luchtvaartmaatschappij was die de geannuleerde vlucht voornemens was uit te voeren, de zogenaamde operating carrier. Dit staat volgens haar ook zo vermeld op de boeking van de passagier en het vluchtrapport. KLM is daarom niet gehouden tot betaling van de compensatie.
Beoordeling
5. Tussen partijen staat vast dat de passagier een ticket heeft geboekt van [plaats 1] naar [plaats 2] , dat deze is geannuleerd en dat de passagier met een vertraging van meer dan 3 uur is aangekomen in [plaats 2] .
6. De Verordening bepaalt in artikel 3 lid 5 dat deze van toepassing is “op elke luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert en vervoer aanbiedt aan passagiers als bedoeld in de leden 1 en 2. Indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, wordt zij geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier.”
De Verordening bepaalt in artikel 5 lid 1 dat: “In geval van annulering van een vlucht:(…)c) hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij (…)”
Op grond van artikel 2 onder b van de Verordening dient onder “luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert” te worden verstaan: “een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier.”
7. Hieruit volgt dat de bij de Verordening gecreëerde verplichtingen rusten op de luchtvaartmaatschappij die de vlucht feitelijk uitvoert of voornemens is uit te voeren. De passagier heeft niet betwist dat KLM niet de luchtvaartmaatschappij was die de geannuleerde vlucht zou uitvoeren, maar dat dat KLM Cityhopper was.
8. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat KLM niet gehouden is de compensatievergoeding te betalen. De vordering zal daarom worden afgewezen.
9. De proceskosten komen voor rekening van Airhelp, omdat deze ongelijk krijgt.
BESLISSING
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt Airhelp in de kosten van het geding aan de zijde van KLM begroot op € 87,00 aan salaris van haar gemachtigde;
veroordeelt Airhelp in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 43,50 aan salaris gemachtigde, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wesdorp, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.