RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/033354-26
Datum uitspraak: 24 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortedatum] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in de [detentieadres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. de Bont, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.R.P. Bakker, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 februari 2026 te Amsterdam, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [naam] (geboren op [geboortedatum] ), zijnde de dochter van verdachte, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten, een of meermalen
- zich laten aftrekken van zijn penis door die [naam] en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in de vagina en/of de anus van die [naam] en/of zijn penis (vervolgens) heen en weer bewegen en/of
- het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [naam] en/of zijn vingers (vervolgens) heen en weer bewegen en/of
- het likken aan de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [naam] en/of
- het likken aan de borsten van die [naam] .
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit, met alle daarin opgenomen seksuele handelingen, kan worden bewezen op basis van de aangifte, de verklaring van verdachte en de resultaten van de DNA-onderzoeken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de penetratie van de anus van aangeefster. Verdachte bekent de overige seksuele handelingen.
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op de verklaringen van dochter [naam] en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank bewezen dat verdachte zijn destijds dertienjarige dochter heeft verkracht door haar vagina seksueel binnen te dringen met zijn penis en vinger. Ook de overige tenlastegelegde seksuele handelingen acht de rechtbank bewezen.
Verdachte wordt vrijgesproken van het binnendringen van de anus van [naam] en overweegt daartoe als volgt. [naam] heeft verklaard dat zij in ieder geval vaginaal door verdachte is gepenetreerd met zijn vinger en penis. Deze seksuele handelingen heeft verdachte ter zitting ook bekend. [naam] heeft verder verklaard dat zij niet zeker weet of zij ook anaal is gepenetreerd en dat zij, tijdens het douchen direct na het feit, de douchekop op haar billen zette maar dat het daar geen pijn deed. Toen ze de douchekop op haar vagina richtte, deed het wel pijn. Verdachte ontkent anale penetratie. Verder leveren de DNA onderzoeken niet een zodanige bevestiging op dat op basis daarvan met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat anale penetratie door verdachte heeft plaatsgevonden.
4. De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
op 1 februari 2026 te Amsterdam met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [naam] (geboren op [geboortedatum] ), zijnde de dochter van verdachte, seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten,
- zich laten aftrekken van zijn penis door die [naam] en
- het brengen van zijn penis in de vagina van die [naam] en zijn penis heen en weer bewegen en
- het brengen van zijn vinger in de vagina van die [naam] en zijn vinger heen en weer bewegen en
- het likken aan de vagina en tussen de schaamlippen van die [naam] en
- het likken aan de borsten van die [naam] .
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zal worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie disproportioneel hoog is en dat de conclusie van de reclassering dat het recidiverisico hoog zou zijn niet te volgen is gelet op de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek. Een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een ambulante behandeling, een contactverbod en huisvesting heeft een grotere recidivebeperkende werking dan een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Om dezelfde reden heeft de raadsman verzocht om de vordering tot oplegging van een GVM af te wijzen. De geadviseerde voorwaarden van dagbesteding en schuldhulp zijn, hoewel nuttig, in dit geval niet delictgerelateerd en houden dan ook geen verband met enig recidiverisico. Deze zouden dan ook niet moeten worden opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn positie als vader en van het vertrouwen dat zijn dochter, die destijds slechts dertien jaar oud was, in hem had. Kinderen behoren ongestoord en in een sfeer van veiligheid te kunnen opgroeien met name ook waar het de seksuele ontwikkeling van een kind betreft. Daar komt bij dat de handelingen hebben plaatsgevonden in de woning van de tante van [naam] , een omgeving waar zij zich altijd veilig voelde. Verdachte heeft bij zijn dochter de meest vergaande seksuele handelingen verricht door haar onder meer vaginaal te penetreren met zijn vinger en penis. Verdachte heeft met zijn handelen op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn minderjarige dochter. Hij heeft misbruik gemaakt van de jonge leeftijd en de kwetsbaarheid van zijn dochter en heeft kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen seksuele lust. De ervaring leert dat het ondergaan van een dergelijke indringende gebeurtenis op deze jonge leeftijd haar zeer lange tijd, zo niet de rest van haar leven zal achtervolgen. De impact op het jonge meisje is ook gebleken uit de indrukwekkende en indringende slachtofferverklaring die door haar zus namens haar op zitting is voorgelezen. Met name het feit dat [naam] haar vader volledig vertrouwde en dat verdachte in eerste instantie heeft verklaard dat zij het initiatief heeft genomen tot de seksuele handelingen, is voor haar zeer kwetsend geweest. Strafverzwarend is dat dit voor [naam] de eerste keer was dat zij seksueel contact had, dat het om de meest vergaande onbeschermde seksuele handelingen gaat, namelijk penetratie, en dat verdachte haar heeft blootgesteld aan de kans op een zwangerschap en seksueel overdraagbare aandoeningen.
Gelet op de ernst van dit feit, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een straf anders dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een Pro Justitia-rapport van 29 mei 2026 over verdachte. De conclusies van dit rapport luiden kort samengevat als volgt. Bij verdachte zijn vermijdende persoonlijkheidskenmerken, een persisterende depressieve stoornis en een verslaving aan masturbatie en porno vastgesteld. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het strafbare feit, maar hebben niet geleid tot een dermate beperkte controle over zijn handelen dat hij niet in staat was om andere keuzes te maken. Er zijn daarom geen gronden voor verminderde toerekeningsvatbaarheid. Geadviseerd wordt om het tenlastegelegde feit volledig aan verdachte toe te rekenen. De deskundige kan geen pathologisch gemotiveerde risico-inschatting maken. De rechtbank begrijpt deze conclusies zo, dat naar het oordeel van deze deskundige de bij verdachte vastgestelde stoornissen niet van invloed zijn op enig recidiverisico, omdat zij niet zijn wils- en keuzevrijheid hebben beïnvloed.
Daarnaast beschikt de rechtbank over een reclasseringsadvies van 8 september 2026 over verdachte. De reclassering schat het risico op recidive (specifiek ten aanzien van zedendelicten) in als hoog, gelet op de porno- en masturbatieverslaving en psychische problematiek. Verdachte gebruikt seks als coping om met negatieve gevoelens om te gaan en geeft aan over een lage zelfcontrole te beschikken op seksueel gebied. Omdat verdachte hiervoor nog niet is behandeld, wordt het recidiverisico hoog ingeschat.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de conclusies uit beide rapporten ten aanzien van het recidiverisico niet verenigbaar. De rechtbank acht het zorgwekkend dat verdachte, die weinig problemen heeft op verschillende leefgebieden, zo plotseling zulke vergaande seksuele handelingen kon verrichten bij zijn dochter. Hoewel de deskundige van oordeel is dat de verschillende psychische problemen, met name de porno- en masturbatieverslaving, niet maakten dat verdachte niet anders had kunnen handelen, acht de rechtbank het in het licht van de ernst van het bewezenverklaarde feit aangewezen dat hij hiervoor binnen afzienbare tijd wordt behandeld. Gelet op het voorgaande kiest de rechtbank ervoor om de conclusies van de reclassering ten aanzien van het recidiverisico en de geadviseerde voorwaarden te volgen en zal zij daarom afwijken van de eis van de officier van justitie en een deels voorwaardelijke straf opleggen.
Strafoplegging
Alles afwegende, komt de rechtbank tot de volgende straf. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden opgelegd met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarbij worden ook de volgende bijzondere voorwaarden opgelegd: een meldplicht bij de reclassering, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen en een contactverbod met [naam] . Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de dagbesteding en financiële situatie van verdachte niet delictgerelateerd zijn en dus worden de bijzondere voorwaarden die op deze leefgebieden zien niet aan verdachte opgelegd.
Omdat aan verdachte een deels voorwaardelijke straf wordt opgelegd, acht de rechtbank oplegging van de GVM niet opportuun.
8. De vordering van de benadeelde partij
Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [naam] is € 1.440,- aan vergoeding van materiële schade (te weten een vliegticket naar Suriname) en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor de hoogte van de immateriële schade is aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. In het geval van ontucht met seksueel binnendringen bij een kind onder de 16 jaar oud (categorie 15.2 sub b) geldt een bandbreedte van € 6.000,- tot € 12.500,-. Vanwege de specifieke omstandigheden in deze zaak wordt € 10.000,- gevorderd.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor zover deze ziet op de gevorderde materiële schade, dan wel dit deel af te wijzen omdat er geen causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde feit en de schade. Al een paar dagen voorafgaand aan het tenlastegelegde feit had de moeder van het slachtoffer al aan verdachte laten weten dat zij – in tegenstelling tot het eerdere plan – haar dochter mee op reis zou nemen naar Suriname. De stelling van de benadeelde partij, dat de vlucht zou zijn geboekt ná het feit om het slachtoffer weg te krijgen bij haar vader, klopt dus niet. Voor zover de vordering ziet op de immateriële schade, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering is op dit punt gemotiveerd betwist. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter zitting niet op dit standpunt van de verdediging gereageerd. Bij die stand van zaken verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover deze ziet op de materiële schade, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Dit deel van de vordering is niet betwist. Daarom wijst de rechtbank het gevorderde bedrag van € 10.000 geheel toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2026, de datum waarop de schade is ontstaan.
De rechtbank zal, omdat de benadeelde nog minderjarig is, bepalen dat de aan haar te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de haar te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en de wettelijke vertegenwoordiger kunnen daarom slechts met toestemming van de kantonrechter hierover beschikken tot zij 18 jaar is.
Als extra waarborg voor de betaling zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 248 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij de reclassering:
- Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het [adres] . De reclassering zal contact met opnemen met veroordeelde voor de eerste afspraak;
Opneming in een zorginstelling:
- Dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door FPA Transfore of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
Ambulante behandeling:
- Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meewerkt aan diagnostiek en zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zijn psychische problematiek, cognitieve vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang:
- Dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in Exodus of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
Contactverbod:
- Dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [naam] , geboren op [geboortedatum] , zolang de reclassering dit verbod nodig vindt.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam] toe tot een bedrag van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 1 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam] aan de Staat € 10.000,- (zegge: tienduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een op naam van [naam] (geboren op [geboortedatum] ) te openen bankrekening met een BEM-clausule.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. Sloot, voorzitter,
mr. C. Wildeman en mr. C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2026.