RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12278840 \ CV EXPL 26-8250
Vonnis van 18 september 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NPB MEDIA B.V.,
gevestigd te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: NPB Media,
gemachtigde: Trust Krediet Beheer B.V.,
tegen
[gedaagde] (H.O.D.N. [bedrijf] ),
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De zaak en de beslissing in het kort
NPB Media heeft in juni 2025 vijf huurovereenkomsten met [gedaagde] gesloten voor het plaatsen van reclame-uitingen voor zijn bedrijf op vijf lichtmasten. [gedaagde] heeft de overeenkomsten geannuleerd voordat de reclame-uitingen zijn geplaatst. Op grond van de algemene voorwaarden is [gedaagde] gehouden om in dat geval per contract een eenmalige afkoopsom ter hoogte van éénmaal de overeengekomen jaarhuur aan NPB Media te betalen. NPB Media heeft in augustus 2025 vijfmaal de afkoopsom per contract van in totaal € 12.705,- in rekening gebracht en [gedaagde] heeft dit niet betaald. NPB Media vordert daarom in deze procedure betaling van de afkoopsommen, vermeerderd met wettelijke handelsrente en kosten. [gedaagde] vindt dat deze vordering om verschillende redenen moet worden afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] één keer de afkoopsom moet betalen en legt hierna uit waarom.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 juni 2026, met producties,
- het proces-verbaal van mondeling antwoord van 26 juni 2026,
- het tussenvonnis van 10 juli 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 september 2026 en de daarin genoemde stukken.
3. De beoordeling
NPB Media vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 12.705,- aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke handelsrente, incassokosten en proceskosten.
NPB Media legt hieraan ten grondslag dat de vijf huurovereenkomsten zijn gesloten voor de duur van vijf jaar tegen een jaarlijkse huurprijs van € 2.100,- en dat in de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden (artikel 3.6) is bepaald dat bij annulering van de overeenkomst vóór de plaatsing van de reclame-uiting, éénmaal de overeengekomen jaarhuur is verschuldigd. Omdat [gedaagde] niet heeft gereageerd op de (ontwerp)voorstellen van NPB Media en daarmee de overeenkomsten vóór het plaatsen van de reclame-uitingen heeft geannuleerd, moet [gedaagde] (5 x € 2.100,- =) € 10.500,- exclusief btw betalen. Dat komt neer op € 12.705,- inclusief btw.
[gedaagde] heeft mondeling verweer gevoerd: hij vindt dat hij niet hoeft te betalen omdat de reclame nooit is geplaatst, hij bij het aangaan van de overeenkomsten is misleid en hij het geld niet heeft om de vordering te voldoen. Bij de mondelinge behandeling is hij niet verschenen.
Niet in geschil is dat de algemene voorwaarden van NPB Media op de overeenkomsten van toepassing zijn en dat [gedaagde] de overeenkomsten heeft geannuleerd. [gedaagde] is daarom op grond van artikel 3.6 van de algemene voorwaarden in beginsel per contract gehouden een afkoopsom van éénmaal de overeengekomen jaarhuur aan NPB Media te betalen. Dit is alleen anders als het verweer van [gedaagde] slaagt. Dat wordt hierna besproken.
Er is geen sprake van dwaling of misbruik van omstandigheden
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij bij het aangaan van de overeenkomsten is misleid door de “mooie praatjes” van NPB Media en dat hij de overeenkomsten niet heeft gelezen toen hij deze heeft getekend. Voor zover [gedaagde] hiermee een beroep doet op de vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling als bedoeld in artikel 6:228 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) of misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 1 en 4 BW, slaagt dit niet. De stelplicht en bewijslast dat hiervan sprake is ligt bij [gedaagde] . Daar heeft [gedaagde] niet aan voldaan. Dat er sprake zou zijn van dwaling of dat NPB Media misbruik van omstandigheden zou hebben gemaakt en [gedaagde] heeft bewogen de overeenkomsten te ondertekenen, heeft [gedaagde] in zijn geheel niet onderbouwd. De kantonrechter kan dit daarom niet vaststellen. Dat [gedaagde] de overeenkomsten niet heeft gelezen, is een omstandigheid die voor zijn eigen rekening en risico komt. Van [gedaagde] mag immers worden verwacht dat hij op de hoogte is van de inhoud van een overeenkomst voordat hij deze aangaat.
Vijf keer een beroep op artikel 3.6 van de algemene voorwaarden is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
Voor zover [gedaagde] erop heeft gewezen dat de reclame-uitingen nooit zijn geplaatst, dat hij niet vindt dat hij moet betalen en hij het geld niet heeft om de vordering te voldoen, begrijpt de kantonrechter dit verweer zo dat hij een beroep doet op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Dit artikel bepaalt dat een tussen partijen geldende regel niet van toepassing is als dat in de gegeven omstandigheden echt onredelijk is, of zoals de wet het formuleert: naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarbij moeten alle voor het geval relevante feiten en omstandigheden worden betrokken.
De kantonrechter oordeelt dat in dit geval de toepassing van artikel 3.6 van de algemene voorwaarden door vijfmaal een afkoopsom van de overeengekomen jaarhuur per contract bij [gedaagde] in rekening te brengen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hiervoor zijn de volgende omstandigheden redengevend. Het staat zakelijke partijen – zoals NPB Media en [gedaagde] – als uitgangspunt vrij een dergelijke bepaling in de algemene voorwaarden overeen te komen, zodat [gedaagde] hier in beginsel voor de vijf overeenkomsten aan gebonden is. Daar staat echter tegenover dat NPB Media deze voorwaarde eenzijdig heeft opgesteld en daarmee de hoogte van de afkoopsom heeft bepaald, zonder dat daarover is onderhandeld. Daar komt bij dat het hier gaat om vijf identieke overeenkomsten, deze al relatief kort na het sluiten daarvan (ongeveer binnen twee maanden) zijn geannuleerd en daardoor de daadwerkelijke plaatsing van de reclame-uitingen op de lichtmasten nooit heeft plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit de toelichting van NPB Media ter zitting dat de door haar gemaakte kosten uitsluitend zien op het contact met [gedaagde] rondom de totstandkoming van de overeenkomsten, het verrichten van voorbereidingshandelingen en het niet kunnen verhuren van de lichtmasten aan een ander dan [gedaagde] in de periode tussen het sluiten van de overeenkomsten en de annulering. De voorbereidingshandelingen hebben volgens NPB Media uitsluitend bestaan uit het maken van hetzelfde logo voor de vijf lichtmastreclames, waarbij alleen de richting van de pijl verschilde. De overeenkomsten bepalen ook dat als de reclame-uitingen wel zouden zijn geplaatst, [gedaagde] naast de jaarhuur slechts € 425,- per contract voor deze voorbereidingshandelingen verschuldigd zou zijn. Onder al deze omstandigheden leidt de onverkorte toepassing van vijf keer de afkoopsom op basis van artikel 3.6 van de algemene voorwaarden tot een onaanvaardbare uitkomst voor [gedaagde] . [gedaagde] lijdt hierdoor immers een groot financieel nadeel, waar in feite niets tegenover staat, terwijl dit niet in verhouding staat tot de door NPB Media werkelijk geleden schade. De kantonrechter vindt het in dit geval redelijk als [gedaagde] één keer de afkoopsom aan NPB Media verschuldigd is. Dat betekent dat de afkoopsom van € 2.100,- exclusief btw en € 2.541,- inclusief btw één keer wordt toegewezen. Dit bedrag staat ongeveer gelijk aan het betalen van vijf keer de overeengekomen eenmalige voorbereidingskosten van € 425,- exclusief btw en € 514,25 inclusief btw per contract.
Conclusie
De conclusie is dan ook dat [gedaagde] € 2.541,- aan NPB Media moet betalen.
[gedaagde] moet ook de gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag betalen vanaf de vervaldatum van de factuur, te weten 20 september 2025, tot de dag van volledige betaling. Het gaat hier namelijk om een handelsovereenkomst en [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de wettelijke handelsrente niet betwist.
Buitengerechtelijke incassokosten
NPB Media vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. NPB Media heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. NPB Media heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wordt een bedrag van € 379,10 toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NPB Media worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
130,16
- griffierecht
€
1.504,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.266,66
Uitvoerbaar bij voorraad
De veroordelingen worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om € 2.541,00 aan NPB Media te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 20 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan NPB Media te betalen een bedrag van € 379,10 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.266,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Versteeg, kantonrechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.