RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/134874-24
Datum uitspraak: 29 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
op dit moment gedetineerd te [detentieplaats] ,
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 januari 2026, 28 januari 2026, 2 april 2026, 19 juni 2026, 9 september 2026 en 29 september 2026 (sluiting en uitspraak).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. G.M. Kolman en M.L.A. ter Veer (hierna: officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. A.J. van der Velden en N. Wijkman, advocaten te Almere, (hierna: raadsvrouw) naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de getuige-deskundigen M.B.F. van Berkel, psychiater, V.T. Terra, psycholoog, M.D. Beijer-Holtman, psycholoog, C.A.M. van der Meijs, psychiater en S.A. Moonen, psycholoog, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 27 januari 2026 – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Feit 1
moord, dan wel doodslag op zijn vader [slachtoffer 1] , door hem meermalen met een mes te steken op 29 maart 2024 te Amsterdam;
Feit 2
het voorhanden hebben van een (gas)revolver op 28 februari 2022, althans in de periode van 9 oktober 2020 tot 28 februari 2022 te Amsterdam;
Feit 3
afpersing van [slachtoffer 2] op 9 oktober 2020 te Diemen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde moord op [slachtoffer 1] kan worden bewezen. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte planmatig te werk is gegaan en meer dan voldoende gelegenheid tot beraad heeft gehad, voordat hij het door hem genomen besluit om het slachtoffer te doden daadwerkelijk ten uitvoer heeft gebracht.
Daarnaast heeft de officier van justitie gesteld dat ook de onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Verdachte heeft de overval op het tankstation (feit 3) bij de rechter-commissaris bekend. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit het feit dat DNA-sporen van verdachte op het vuurwapen en de jas waarin het wapen zat zijn aangetroffen, volgt dat hij het wapen op enig moment voorhanden heeft gehad. Omdat het schoenspoor en het profiel van een schoen, die naast het vuurwapen zijn aangetroffen, overeenkomsten vertonen met de schoenen die verdachte op 9 oktober 2020 droeg tijdens de overval op het tankstation, moet verdachte het vuurwapen op enig moment in de periode van 9 oktober 2020 tot en met het moment van aantreffen op 28 februari 2022 voorhanden hebben gehad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte partieel vrij te spreken van de onder feit 1 ten laste gelegde moord op het slachtoffer. Het dossier bevat te weinig bewijs voor het scenario dat verdachte planmatig en na kalm en rustig beraad heeft gehandeld, waardoor het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ niet kan worden bewezen. De op de telefoon van verdachte aangetroffen zoekslagen en notities kunnen niet bijdragen aan het bewijs van ‘voorbedachten rade’, nu deze niets zeggen over een plan en de uitvoering daarvan. Uit de verklaring van verdachte volgt dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke en plotselinge gemoedsopwelling, die is ontstaan op het moment dat verdachte de slaapkamer inliep en zag dat het slachtoffer een mes wilde pakken. Van een vooropgezet plan om het slachtoffer te verwonden, laat staan om hem om het leven te brengen, is geen sprake geweest.
Verder heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte vrij te spreken van het aan hem onder feit 2 ten laste gelegde. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld wanneer en onder welke omstandigheden het DNA van verdachte op dit vuurwapen is terechtgekomen, waardoor niet kan worden bewezen dat verdachte hier op enig moment binnen de tenlastegelegde periode beschikkingsmacht over heeft gehad. Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Inleiding
Op 30 maart 2024 kregen verbalisanten de melding om naar de woning op het adres [adres] (hierna: de woning) te gaan. Daar aangekomen zagen de verbalisanten dat het glas in de achterdeur leek te zijn ingegooid. Binnenin de woning lagen veel glasscherven en een stoeptegel. Nadat de verbalisanten de woning zijn binnengegaan, wordt door hen in een slaapkamer op de eerste verdieping een overleden persoon aangetroffen, liggend in een plas bloed. Na forensisch onderzoek wordt vastgesteld dat het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] was. Het politieonderzoek leidt uiteindelijk naar verdachte, de zoon van het slachtoffer, die vervolgens op 4 juni 2024 werd aangehouden.
Verklaring verdachte
Verdachte is meerdere malen gehoord bij de rechter-commissaris. Verdachte heeft tijdens die verhoren – alsook op de zitting van 27 januari 2026 – bekend dat hij het slachtoffer heeft gestoken met een mes. Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode voorafgaand aan het incident last had van gebeurtenissen uit het verleden, die hij met het slachtoffer wilde uitpraten. Hij wilde hem bepaalde dingen zeggen en de drang om het uit te praten werd steeds groter. Het gevoel kropte zich op en in de avond van 28 maart 2024 kwamen er veel slechte herinneringen naar boven. Die avond is hij gaan wandelen en heeft hij, na veel twijfel en rondjes lopen, besloten naar het slachtoffer toe te gaan. Tijdens de wandeling heeft hij een tijdje in het Oosterpark gezeten. Hij was erg emotioneel en dacht veel na over de gebeurtenissen in zijn jeugd. Nadat hij meerdere tussenstops had gemaakt, besloot hij bij het slachtoffer langs te gaan om de dingen uit het verleden uit te praten. Nadat hij bij de woning was aangekomen, is hij daar toch weer weggegaan om een sigaret te roken, waarna hij opnieuw naar de woning is gegaan. Hij klopte hard op de achterdeur, om zo indruk te maken op het slachtoffer. Het slachtoffer reageerde boos en er ontstond een woordenwisseling tussen hen. Verdachte heeft hierop uit boosheid een stoeptegel gepakt en de ruit van de achterdeur van de woning ingegooid. Hij is vervolgens door de kapotte ruit naar binnen gegaan, Binnenin de woning escaleerde de woordenwisseling en verdachte voelde zich bedreigd en uitgedaagd door het slachtoffer. Toen het slachtoffer via de trap naar boven liep om een sigaret te gaan roken, is verdachte achter hem aangelopen. De ruzie ging boven verder. Het slachtoffer wilde naar de badkamer om te roken. Verdachte wilde dit niet en blokkeerde de deuropening, In de confrontatie die daarna in de slaapkamer ontstond, maakte het slachtoffer een beweging om een mes van het bureau te pakken, Verdachte heeft hierop in een reflex het mes van het bureau gepakt en dit in de rug van het slachtoffer gestoken, Vervolgens is het uit de hand gelopen waarbij verdachte tijdens het slaan, het slachtoffer meerdere keren heeft gestoken. Verdachte weet niet meer hoe vaak hij heeft geslagen/gestoken. Hij had, naar eigen zeggen, het gevoel dat het een gevecht was, omdat het slachtoffer hem nog sloeg. Toen het slachtoffer in elkaar zakte heeft verdachte de woning verlaten en onderweg, tijdens zijn vlucht, heeft hij uit paniek het mes en zijn bebloede jas en schoenen weggegooid.
Forensisch pathologisch onderzoek
Op 2 april 2024 heeft een forensisch patholoog sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. Hierbij zijn 23 steekletsels vastgesteld die zijn toegebracht door krachtinwerking met een scherp voorwerp, zoals een mes. De steekletsels zaten hoofdzakelijk aan de achterzijde van het lichaam (met name ter hoogte van het achterhoofd, de nek en de bovenrug). Bij in totaal zeven steekletsels was er perforatie van de rechterwervelslagader, het ruggenmerg, de linkerborstholte, de linkerlong en het middenrif. Hierbij zijn functiestoornissen van de ademhaling te verwachten, op basis waarvan, in combinatie met het bloedverlies, het overlijden zonder meer kan worden verklaard.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat het slachtoffer is overleden als gevolg van de messteken die verdachte heeft toegebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam, nek en achterhoofd, vitale delen bevinden, zoals de longen, het hart en grote (slag)aders. Het steken op die plekken brengt daardoor direct levensgevaar met zich mee. De gedragingen van verdachte, te weten het veelvuldig met kracht met een mes steken in het hoofd, de nek, de bovenrug en de borst, zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het doden van het slachtoffer dat kan worden geconcludeerd dat verdachte vol opzet heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven.
Voorbedachte rade
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Het gaat hierbij om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.
De rechtbank acht de volgende omstandigheden relevant.
Verdachte is die nacht rond 04:45 de woning van het slachtoffer binnengekomen door het ingooien van een ruit in de achterdeur met een stoeptegel. De verklaring van verdachte, dat hij bepaalde dingen uit wilde spreken met zijn vader, roept op zijn minst vragen op over het moment en de manier van binnentreden van de woning. De rechtbank kijkt dan ook kritisch naar de verklaringen van verdachte over wat zich die nacht zou hebben voorgedaan.
Uit het politieonderzoek volgt dat verdachte op 28 maart 2024 om 13:33 uur – de dag voorafgaand aan het incident – een paar zwartgekleurde sportschoenen heeft gekocht bij de Primark in Amsterdam. Op een glasscherf in de woning van het slachtoffer wordt door de forensische opsporing een afdruk van een schoenspoor gezien, met een soortgelijk profiel als de rechterschoen van het paar dat verdachte bij de Primark heeft aangeschaft. Op camerabeelden van de route die verdachte in de nacht van 28 op 29 maart 2024 heeft gelopen is te zien dat verdachte zowel op de heen- als op de terugweg van de woning lichtgekleurde sneakers draagt. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij de Primark-schoenen onderweg naar de woning in een parkje heeft aangedaan, om ze uit te testen. Na het incident is hij weer van schoenen gewisseld, omdat de Primark-schoenen volgens hem bebloed waren. De Primark-schoenen heeft verdachte, net als het mes en zijn bebloede jas, ergens op de terugweg weggegooid. Verdachte weet niet waar hij deze spullen heeft weggegooid. De reden die verdachte geeft over het meenemen en aantrekken van de Primark schoenen, namelijk dat hij ze wilde uittesten, acht de rechtbank onwaarschijnlijk. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte bewust een extra paar schoenen heeft gekocht en heeft meegenomen om te verhullen dat hij die nacht in de woning was.
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van verdachte blijkt dat er sprake is van een ‘telecom-gat’ tussen 21 maart 2024 om 18.40 uur en 29 maart 2024 om 20.21 uur. In de tussentijd zijn er geen locatiegegevens van de telefoon van verdachte beschikbaar, omdat de simkaart uit de telefoon was gehaald. De rechtbank plaatst sterke vraagtekens bij zijn verklaring dat hij wel vaker van simkaart wisselde en gelooft niet dat het toeval is dat hij na een week zonder simkaart precies de dag na het incident weer een simkaart in zijn telefoon heeft geplaatst.
Uit de wel beschikbare locatiegegevens van de telefoon van verdachte volgt dat het IMEI-nummer van zijn telefoon in de periode van 9 oktober 2023 tot en met 22 mei 2024 in de nachtelijke uren (van 00.00 tot 06.00 uur) slechts sporadisch verbinding maakte met andere zendmasten dan de zendmasten nabij de woonadressen waar hij verbleef. Met andere woorden: verdachte was gedurende de nacht vrijwel altijd aanwezig op zijn verblijfplek. Dit komt overeen met de verklaring van het nichtje van verdachte, getuige [getuige] , dat verdachte in de periode dat hij bij haar en zijn tante in huis woonde slechts één keer `s nachts niet thuis was. Dit zou volgens haar op een donderdag ‘eind maart’ zijn geweest. De rechtbank gaat ervan uit dat dit de nacht van het incident is geweest. Verdachte zou die avond tegen zijn nichtje hebben gezegd dat hij bij een vriendin langs zou gaan. Verdachte heeft later toegegeven dat dit verhaal niet klopte. Hij heeft verklaard dat hij al wist dat hij die nacht niet thuis zou slapen en dat het verhaal over de vriendin het eerste was dat bij hem opkwam. De lange wandeling die verdachte die nacht heeft afgelegd was dus uitzonderlijk en het roept de vraag op waarom verdachte tegenover zijn nichtje heeft gelogen over zijn bestemming die nacht.
Verder volgt uit onderzoek aan de telefoon van verdachte en camerabeelden op zijn route dat hij twintig minuten voordat hij aan zijn wandeltocht begon, om 22.46 uur, een notitie in zijn telefoon heeft aangemaakt met daarin emoticons van een groene cirkel/groen stoplicht, een mes, een bloeddruppel en een jokerkaart (‘ ’). De rechtbank vindt dit, gelet op wat zich later die nacht heeft afgespeeld, een zeer belastende notitie. Verdachte heeft geen verklaring kunnen of willen geven over de betekenis van deze notitie.
Via opgevraagde camerabeelden is de verdere looproute van verdachte te volgen, totdat hij om 00.08 uur op 29 maart 2024 ter hoogte van het [adres] te Amsterdam uit beeld verdwijnt. Op camerabeelden van een camera gericht op de achterzijde van de woning wordt gezien dat een persoon zich rond 03.44 uur ophoudt rondom de achterdeur van de woning. Rond 04.19 uur verdwijnt deze persoon uit beeld, waarna rond 04.30 uur opnieuw een persoon rondom de achterdeur wordt gesignaleerd. Op basis van de verklaring van verdachte, dat hij al eerder in de nacht bij de woning was geweest en hij zich enige tijd heeft opgehouden bij de woning, stelt de rechtbank vast dat verdachte de persoon is die te zien is op de camerabeelden van de achterzijde van de woning. Om 04.41 uur is te zien dat verdachte twee snelle bewegingen maakt. Gelet op de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat dit het moment is geweest dat verdachte de ruit van de achterdeur van de woning heeft ingegooid. Hierna is geen beweging meer bij de achterdeur te zien, maar wel wordt ongeveer een halve minuut later een lichtschijnsel bij het slaapkamerraam van het slachtoffer waargenomen. Om 04.47 uur is te zien dat een persoon wegloopt vanuit de richting van de woning. Om 06:07 uur wordt verdachte weer gesignaleerd op camerabeelden ter hoogte van het [adres] te Amsterdam, waarna hij ongeveer een uur later weer op camerabeelden in de omgeving van de Windrooskade wordt gezien.
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de door verdachte op 28 en 29 maart 2024 gemaakte nachtelijke wandeling afweek van het normale patroon van verdachte, omdat hij, blijkens de IMEI-gegevens van zijn telefoon in de periode voorafgaand aan het incident, slechts sporadisch niet thuis was in de nachtelijke uren. Daar komt bij dat deze nachtelijke wandeling ook volgens de getuige [getuige] uitzonderlijk was en dat verdachte tegen haar heeft gelogen over waar hij die avond naartoe ging. Bovendien heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank voorbereidingen getroffen door zijn simkaart een week voor het incident uit zijn telefoon te halen en schoenen bij de Primark aan te schaffen. Deze schoenen heeft verdachte op de route naar de woning aangetrokken en op de terugweg opnieuw omgewisseld voor de schoenen die hij daarvoor droeg. Ook volgt uit het onderzoek naar de looproute van verdachte dat hij na het verlaten van zijn verblijfsadres via de kortste route richting Amsterdam-Zuidoost is gelopen, hetgeen niet strookt met zijn verklaring dat hij eerst een tijd in het Oosterpark heeft gezeten voor hij bedacht om naar de woning van het slachtoffer te gaan. Deze omstandigheden, tezamen met de kort voorafgaand aan de wandeling gemaakte notitie in de telefoon van verdachte met daarop onder meer de emoticons van een mes en een bloeddruppel, maken dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte voorafgaand aan zijn wandeling het plan had om naar de woning te gaan om het slachtoffer daar iets aan te doen.
Verdachte heeft ook (ruim) de tijd gehad om zich te beraden op het genomen besluit om het slachtoffer om het leven te brengen. Tijdens de urenlange nachtelijke wandeling naar Amsterdam-Zuidoost had hij de gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dat hij zich daar ook daadwerkelijk rekenschap van heeft gegeven, blijkt bovendien uit de verklaring van verdachte zelf, in combinatie met de beelden van de camera die was gericht op de achterzijde van de woning. Verdachte heeft zich een tijd opgehouden bij de achterdeur van de woning, liep vervolgens weg om een sigaret te roken, en besloot toen toch zijn plan uit te voeren.
Ook van contra-indicaties voor het aannemen van de ‘voorbedachte rade’ is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De verklaring van verdachte dat hij in de nacht van 29 maart 2024 pas tijdens zijn wandeltocht bedacht dat hij de gebeurtenissen uit het verleden met zijn vader wilde uitpraten en dat het bij de woning is gekomen tot een dynamisch gevecht, vindt geen steun in het dossier en in het bijzonder niet in het forensisch pathologisch onderzoek. Zo heeft de forensisch patholoog in een nadere toelichting op zijn onderzoek aangegeven dat de oriëntatie en spreiding van de steekletsels bij het slachtoffer, alsook de afwezigheid van mogelijke af- en/of verweerletsels, suggestief zijn voor een weinig tot geen dynamische context op het moment van toebrenging. Bij een incident met meervoudig steekletsel wordt doorgaans immers een grote spreiding (naar plaats op het lichaam) en een uiteenlopende oriëntatie van de steekletsels gezien. Het ontbreken van deze bevindingen, in combinatie met de afwezigheid van af- en/of verweerletsel, is volgens de forensisch patholoog suggestief dat de betrokkenen op het moment van toebrenging weinig in beweging waren. Verder heeft de op de plaats delict aanwezige schouwarts opgemerkt dat alle spullen in de kamer van het slachtoffer geordend stonden. Ook constateerde de schouwarts dat de bloedsporen waren geconcentreerd rondom het bed van het slachtoffer. Het slachtoffer lag naast het bed in een grote plas bloed en ook het dekbed en een kussen waren bebloed. De rechtbank leidt uit deze bevindingen af dat er op het moment dat het slachtoffer werd gestoken door verdachte geen sprake was van een gevecht waarin over en weer werd geduwd en getrokken, zoals verdachte heeft verklaard. De forensische bevindingen wijzen er juist op dat het verdachte is geweest die direct aanvallend heeft gehandeld door met een mes op het slachtoffer, dat op bed lag, in te steken. Ook verhoudt de locatie waar het bloed van het slachtoffer is aangetroffen zich niet tot de dynamische situatie zoals verdachte die heeft geschetst.
Conclusie
De rechtbank concludeert op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar dat hij daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van heeft gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en acht moord bewezen.
Feit 2
Feiten en omstandigheden
Op 24 februari 2022 wordt door verbalisanten in het Rembrandtpark te Amsterdam een stapel kleding in de bosjes aangetroffen. Hieronder bevond zich onder meer een zwarte jas, waaruit de houten kolf van een revolver stak. De revolver is in beslag genomen en onderzocht door een vuurwapenexpert. Die heeft geconstateerd dat de revolver een gasrevolver is, waarvan het voorhanden hebben strafbaar is gesteld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Het wapen is in april 2022 bemonsterd voor forensisch onderzoek en op de ruwe delen van de revolver wordt celmateriaal van ‘onbekende man A’ aangetroffen. Wanneer het DNA-profiel van verdachte op 17 juni 2024 in de DNA-databank wordt opgenomen, wordt een match gevonden met het aangetroffen DNA-materiaal op de ruwe delen van het vuurwapen. Ook op de zwarte jas, een pet en een schoen die in de bosjes liggen, zijn DNA-sporen van verdachte en een onbekend gebleven andere persoon aangetroffen. Verdachte heeft ontkend dat het aangetroffen vuurwapen van hem is. Verder heeft hij verklaard dat hij het wapen en de kleding niet in het Rembrandtpark heeft neergelegd en dat hij ook niet weet waar deze vandaan komen. In het verhoor bij de rechter-commissaris op 20 mei 2025 heeft verdachte verklaard dat hij jaren geleden een keer een wapen heeft vastgehouden, maar dat hij niet meer weet hoe dit wapen eruitzag.
Conclusie
Hoewel het dossier de mogelijkheid openlaat dat verdachte het aangetroffen vuurwapen op een bepaald moment in zijn handen heeft gehad en zijn DNA op die manier op de ruwe delen van de revolver terecht is gekomen, kan daarmee niet worden bewezen dat verdachte binnen de ten laste gelegde periode de beschikkingsmacht over het wapen heeft gehad. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen wanneer, waar en onder welke omstandigheden verdachte het wapen zou hebben vastgehad. De rechtbank vindt daarom niet bewezen dat verdachte het wapen in de periode van 9 oktober 2020 tot en met 28 februari 2022 voorhanden heeft gehad en zal verdachte vrijspreken van dit feit.
Feit 3
Op 9 oktober 2020 doet aangeefster [slachtoffer 2] aangifte van een overval op het BP-tankstation op de [adres] . Zij heeft verklaard dat die avond rond 21:30 uur een jongen het tankstation binnenrende, over de balie sprong en met een mes in zijn hand meermalen ‘geld, kluis’ riep. Hierbij heeft aangeefster al het papiergeld uit de kassa – ongeveer 400 euro – in een door verdachte meegenomen plastic zak gedaan. De overvaller rende daarop weg met het geld.
Een speurhond van de politie heeft op de mogelijke vluchtroute in de buurt van het tankstation onder meer een T-shirt aangetroffen, waarvan het vermoeden bestaat dat deze door de overvaller is gebruikt om zijn gezicht mee te bedekken en door hem op zijn vlucht is achtergelaten. Het aangetroffen T-shirt is veiliggesteld en bemonsterd. Uit forensisch DNA-onderzoek volgt dat op de kraag van het T-shirt een DNA-spoor is aangetroffen van ‘onbekende man A’. Na de aanhouding van verdachte in juni 2024 is DNA van hem afgenomen, dat is vergeleken met de aanwezige profielen in de DNA-databank. Hieruit blijkt dat zijn DNA-profiel overeenkomt met de aangetroffen DNA-sporen die zijn gevonden op het T-shirt die de politie destijds in de buurt van het tankstation heeft aangetroffen. Verdachte heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 20 mei 2025 en op de terechtzitting bekend dat hij de overval op het tankstation in Diemen op 9 oktober 2020 heeft gepleegd.
Conclusie
Gelet op de aangifte, de aangetroffen DNA-sporen van verdachte op het T-shirt dat in de omgeving van het tankstation lag en zijn bekennende verklaring kan bewezen worden dat verdachte de overval heeft gepleegd, door aangeefster onder bedreiging van een mes te dwingen tot de afgifte van geld uit de kassalade. De rechtbank acht de ten laste gelegde afpersing dan ook bewezen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
Feit 1
op 29 maart 2024 te Amsterdam, [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meerdere malen met een mes, voornoemde [slachtoffer 1] in het achterhoofd en in de nek en in de borststreek en in de rug, gestoken waarbij vervolgens de rechterwervelslagader en het ruggenmerg en de linkerborstholte en de linkerlong en het middenrif zijn
geperforeerd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
Feit 3
op 9 oktober 2020 te Diemen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, dat aan Tankstation BP toebehoorde, door
- het Tankstation binnen te rennen en
- in de richting van die [slachtoffer 2] te rennen en
- over de counter te klimmen en
- tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: “geld, kluis, geld, kluis” en
- een mes te tonen in de richting van die [slachtoffer 2] .
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 bepleit verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Bij de beoordeling of sprake is geweest van een noodweersituatie dient de verklaring van verdachte volgens de raadsvrouw als uitgangspunt te worden genomen. Uit die verklaring volgt dat het slachtoffer als eerste naar het mes zou hebben gegrepen dat op het bureau in de slaapkamer lag, waardoor er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding tegen het lijf van verdachte waartegen hij zich mocht verdedigen. Dat deze verdediging bestond uit steken met het mes, komt omdat verdachte simpelweg niet anders kon. Er was geen tijd om zich aan de situatie te onttrekken en als hij het mes niet zou hebben gegrepen, dan had het slachtoffer dat gedaan. Daarnaast is verdachte door de aanval van het slachtoffer in een hevige gemoedsbeweging geraakt, bestaande uit paniek en intense angst. Deze hevige gemoedsbeweging is rechtstreeks veroorzaakt door het handelen van het slachtoffer en de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging is daarvan het onmiddellijke gevolg geweest.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen geslaagd beroep kan doen op noodweerexces, nu het juist verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan een wederrechtelijke aanranding door midden in de nacht met geweld de woning van zijn vader binnen te dringen en zijn vader met een mes aan te vallen. Als de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding tegen verdachte, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verdediging niet noodzakelijk en niet proportioneel was. Verdachte stond immers in de deuropening en had zich daarmee kunnen distantiëren van een fysieke confrontatie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt, nu dat zich niet verhoudt tot de gemotiveerde bewezenverklaring ter zake van moord. De lezing van verdachte over wat zich in de slaapkamer heeft voorgedaan, die aan het beroep op noodweerexces ten grondslag is gelegd, neemt de rechtbank namelijk niet over en reeds daarom kan het beroep op noodweer(exces) niet slagen. Het bestaan van een schulduitsluitingsgrond is daarmee niet aannemelijk geworden, zodat verdachte strafbaar is.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte vanwege de bewezenverklaring van de drie ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft primair verzocht om het adolescentenstrafrecht (ASR) toe te passen, nu uit de gedragskundige rapportages volgt dat verdachte nog ontvankelijk is voor pedagogische aansturing en er nauwelijks sprake is van zwaarwegende contra-indicaties tegen de toepassing van het ASR. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte een aanzienlijke kortere vrijheidsstraf op te leggen dan door het Openbaar Ministerie is gevorderd. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om de GVM niet op te leggen, nu er geen sprake is van een bestaand recidiverisico dat de oplegging van die maatregel rechtvaardigt.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de moord op zijn vader, door hem veelvuldig met een mes in zijn bovenlichaam te steken ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Hiermee heeft hij het slachtoffer het meest fundamentele recht dat hem toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een vooropgezet plan, waarbij verdachte voorbereidingen heeft getroffen door onder meer zijn simkaart een week voor het plegen van de moord uit zijn telefoon te halen en zijn schoenen onderweg naar de woning van het slachtoffer te verwisselen. Bovendien heeft verdachte vlak voor zijn vertrek naar de woning van het slachtoffer een notitie in zijn telefoon gemaakt met daarin onder meer de emoticons van een mes en een bloeddruppel. Dit duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat de door verdachte al langere tijd als verstoord ervaren vader-zoon dynamiek tussen hem en het slachtoffer die nacht tot een dramatische climax moest komen. Het slachtoffer had geen schijn van kans tegen deze explosie van geweld van verdachte tegen hem.
Uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaring van de dochter van het slachtoffer blijkt hoezeer de nabestaanden het slachtoffer missen en dat de herinnering aan zijn gewelddadige dood een diepe impact heeft op hun dagelijks leven. Ook heeft zij op invoelbare en emotionele wijze een beeld geschetst van het slachtoffer, die zij en haar broer zich zullen herinneren als een betrokken vader en opa die altijd voor hen klaarstond. De omstandigheid dat verdachte – hun halfbroer – degene is die verantwoordelijk is voor de dood van hun vader en zelfs tijdens de uitvaart van het slachtoffer nog het woord heeft genomen, is voor de nabestaanden nog steeds onbegrijpelijk en onverteerbaar. Verdachte heeft met zijn handelen zijn familieleden veel verdriet aangedaan en hun leven blijvend en ingrijpend beïnvloed. Daarnaast heeft het handelen van verdachte blijkens de slachtofferverklaring ook de gemeenschap op Aruba en de bewoners van de flat [naam flat] , van wie sommigen door het daar eveneens woonachtige slachtoffer werden geholpen met het doen van hun belastingaangiftes, geschokt.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval op een tankstation, door de aanwezige medewerker onder bedreiging van een mes te dwingen om geld uit de kassa af te staan. Zij heeft in haar aangifte verklaard bang te zijn geweest en zich zeer bedreigd te hebben gevoeld. Verdachte heeft door het bedreigende en gewelddadige karakter van zijn handelen bij aangeefster – die gewoon haar werk aan het uitvoeren was – deze gevoelens van onveiligheid en angst veroorzaakt voor zijn eigen financieel gewin.
De persoon van de verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 3 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte vóór de bewezen geachte feiten niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de op 12 mei 2025 opgestelde Pro Justitia triple rapportage van deskundigen van het Pieter Baan Centrum (PBC) en de op 30 juni 2026 opgestelde dubbelrapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) betreffende verdachte, alsmede het op 1 september 2026 opgestelde reclasseringsadvies.
Bevindingen uit de NIFP-rapportage en toelichting deskundigen
Verdachte is in eerste instantie onderzocht door deskundigen van het PBC. Omdat deze deskundigen in hun rapport van 12 mei 2025 en ter zitting van 27 januari 2026 op vragen van de rechtbank over de toepasselijkheid van het adolescentenstrafrecht, de toerekenbaarheid van de feiten aan verdachte, het recidivegevaar en de vraag of, en zo ja welke behandeling aangewezen was. onvoldoende uitsluitsel konden geven, heeft de rechtbank besloten nieuwe deskundigen te benoemen. Op 30 juni 2026 hebben deze deskundigen van het NIFP – C.A.M. van der Meijs (psychiater) en S.A. Moonen (GZ-psycholoog) – een gezamenlijk rapport uitgebracht, dat zij op de zitting van 9 september 2026 nader hebben toegelicht.
De deskundigen van het NIFP hebben bovengenoemde vragen van de rechtbank wel kunnen beantwoorden. Zij beschrijven in hun rapport van 30 juni 2026 onder andere dat uit het onderzoek naar verdachte het beeld naar voren is gekomen van een getroebleerde jongeman die, na een ogenschijnlijk stabiele kindertijd in Colombia, zich in Nederland moeilijk heeft kunnen ontplooien als gevolg van vele wisselingen in zijn verblijfplaats en enkele emotioneel belastende ervaringen. Verdachte is als gevolg van traumatische belevingen in zijn jeugd zijn gevoelens gaan afsplitsen, waardoor hij verder onthecht is geraakt en zijn identiteitsontwikkeling is gestagneerd. Bij verdachte worden trauma-gerelateerde klachten waargenomen die verband houden met het onder feit 1 ten laste gelegde feit en de door hem genoemde mishandeling en seksueel misbruik door zijn vader. Daarbij merkt de psycholoog op dat, hoewel er door anderen is getwijfeld over het waarheidsgehalte van het gestelde seksueel misbruik, er weldegelijk sprake is van een (invoelbare) lijdensdruk is die verdachte rond dit thema laat zien. Op de zitting van 9 september 2026 heeft psycholoog Moonen nader toegelicht dat de door verdachte ervaren traumaklachten ook zien op de agressieve bejegening door zijn vader en diens overmatige middelengebruik. Verdachte heeft zijn negatieve gevoelens en traumaklachten lange tijd gedempt met cannabis, wat volgens de deskundigen past in het beeld dat het belangrijkste copingmechanisme van verdachte voor zijn negatieve gevoelens het zoeken van afleiding was.
Op basis van hun bevindingen constateren de deskundigen dat er bij verdachte sprake is van een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) als gevolg van de impact die het onder feit 1 ten laste gelegde feit en de gevolgen daarvan (het voorarrest en het in afwachting zijn van het strafproces) op hem heeft gehad. Ten tijde van alle drie de ten laste gelegde feiten wordt verdachte retrospectief gediagnosticeerd met een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressor-gerelateerde stoornis en een matig ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Tevens was er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met vermijdende en antisociale trekken.
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde adviseren de deskundigen, op grond van de beperkingen voortkomend uit de andere gespecificeerde psychotrauma- of stressor- gerelateerde stoornis en de doorwerking van die stoornis in het ten laste gelegde, dit feit in verminderde mate toe te rekenen. De stoornis heeft verdachte beperkt in het reguleren van zijn emoties en gevoelens. Het afgesplitste gevoelsleven heeft vooral gezorgd voor het jarenlang wegstoppen van gevoelens als woede en verdriet. Uitgaande van het relaas van verdachte lijkt zich een scenario afgespeeld te hebben waarin hij, na de ruzie met zijn vader in januari 2024, emotioneel steeds meer klem is komen te zitten. De getroebleerde voorgeschiedenis die hij met zijn vader had en de traumatische gevoelens die verdachte daarbij beleefde, hebben gezien de gevonden notities en berichten vermoedelijk een sterke uitwerking op verdachte gehad. Volgens verdachte was hij in de tweeëneenhalve maand voorafgaand aan het ten laste gelegde gestopt met cannabis. Het is denkbaar dat hij daardoor cannabis niet meer als hulpmiddel had om negatieve gevoelens te dempen. Het kan goed zijn dat verdachte, ten gevolge van jarenlange opgekropte woede en frustratie over wat er in het verleden tussen hem en vader allemaal was voorgevallen, in de dagen voorafgaand aan het ten laste gelegde overspoeld is geraakt door heftige emoties en daardoor tot het plegen van het eerste ten laste gelegde feit is gekomen. Gelet op de grote hoeveelheid steekwonden is voorstelbaar dat verdachte vanuit (traumagestuurde) razernij heeft gehandeld.
Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde merken de deskundigen op dat het door verdachte vertoonde spanningszuchtige gedrag past bij de geconstateerde antisociale kenmerken, maar ook bij een afgesplitst gevoelsleven. Met de afweer van ‘turning passive into active’ heeft hij mogelijk zijn passiviteit willen doorbreken. Ondanks het feit dat verdachte weet had van het ontoelaatbare van zijn handelen, wordt, gezien de emotionele problematiek, geadviseerd om verdachte dit ten laste gelegde feit in licht verminderde mate toe te rekenen. Op zitting heeft de deskundige nog toegelicht dat verdachte ten tijde van dit feit al bij zijn vader was ingetrokken, zodat hetzelfde wegstoppen van gevoelens toen ook al speelde.
Ten aanzien van het te verwachten recidiverisico merken de deskundigen op dat verdachte zijn gevoelens van verdriet en woede over wat hem in zijn beleving door zijn vader was aangedaan jarenlang heeft weggestopt. Tegelijkertijd woonde hij jarenlang in huis bij zijn vader, die hij vermoedelijk grotendeels onbewust steeds meer ging beschouwen als de agressor. Aangezien zijn vader de enige persoon was die in zijn beleving verantwoordelijk was voor zijn traumatisering, en hem uiteindelijk vele jaren later tot razernij lijkt te hebben getriggerd, wordt de kans op recidive van gelijksoortig dodelijk geweld als laag ingeschat. De kans dat verdachte weer in een gelijksoortige situatie belandt is immers gering. Ook de onder feit 3 ten laste gelegde overval lijkt een eenmalig incident te zijn geweest. Wanneer verdachte zijn leven op orde krijgt, wordt het risico op antisociaal gedrag als laag ingeschat. Verdachte is daarom gebaat bij ondersteuning met betrekking tot het vinden van huisvesting en werk.
Bij een dergelijk laag risico op soortgelijk (ernstig) geweld zijn er volgens de deskundigen geen gronden voor een behandeling in een strafrechtelijk kader.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen van het NIFP over en neemt deze mee bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf.
Reclasseringsadvies
In het reclasseringsadvies van 1 september 2026 vermeldt de reclassering dat zij op basis van de uiteenlopende uitkomsten van de beide beschikbare onderzoeken onvoldoende aanknopingspunten zien om in deze fase de oplegging van een GVM te adviseren. Op basis van de huidige beschikbare informatie kan de reclassering niet beoordelen of er sprake is van dermate zware en complexe problematiek bij verdachte die de oplegging van een GVM rechtvaardigt. Omdat een eenduidig interventieadvies ontbreekt, kan de reclassering op dit moment bovendien niet vaststellen welke maatregelen vereist zijn om de risico’s op langere termijn te beheersen.
Adolescentenstrafrecht
Omdat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten al wel ouder was dan 18 jaar maar nog niet de leeftijd van 23 jaar had bereikt, kan volgens de wet het ASR toegepast worden. Hierbij kan een straf uit het jeugdstrafrecht worden opgelegd, indien daar aanleiding toe bestaat. Daarbij overweegt de rechtbank dat het uitgangspunt is dat een meerderjarige verdachte volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daartoe aanleiding geven. Daarnaast moeten een pedagogische aanpak en de inzet van interventies uit het jeugdstrafrecht haalbaar en aangewezen zijn.
De deskundigen van het PBC hebben in het rapport van 12 mei 2025 – en in hun nadere toelichting daarop – opgemerkt dat zij onvoldoende een gewogen advies kunnen geven over de wenselijkheid van het toepassen van het minderjarenstrafrecht bij verdachte, doordat er vanuit gedragskundig oogpunt zowel argumenten voor als tegen zijn.
Uit de dubbelrapportage van het NIFP van 30 juni 2026 – en de toelichting van de deskundigen op de zitting van 9 september 2026 – volgt dat de deskundigen geen argumenten voor toepassing van het minderjarigenstrafrecht zien. Op basis van de ASR-wegingslijst lijkt sprake lijkt te zijn geweest van beperkingen in de handelingsvaardigheden bij verdachte en het lijkt erop dat hij zijn gedrag ten tijde van het plegen van de feiten in onvoldoende mate zelf heeft kunnen organiseren. Verdachte leefde zijn leven zonder veel ouderlijk toezicht en structuur, waardoor hij in samenhang met zijn onrijpe persoonlijkheid en identiteit praktische zaken in zijn leven niet geregeld kreeg. Daarbij is bij de deskundigen de indruk ontstaan dat verdachte echter eerder behoefte had aan (vaderlijke/moederlijke) aandacht en praktische ondersteuning, dan aan feitelijke pedagogische sturing. Pedagogische en/of gezinsgerichte interventies hadden mogelijk op jongere leeftijd van verdachte nog vruchten af kunnen werpen, maar lijken tegen de tijd dat hij bij zijn vader ging wonen al een gepasseerd station te zijn geweest. Een praktische en coachende insteek had volgens de deskundigen vermoedelijk meer in de rede gelegen dan een pedagogische aanpak. Bij deze stand van zaken zijn er volgens de deskundigen onvoldoende argumenten om te adviseren tot toepassing van het minderjarigenstrafrecht.
De rechtbank overweegt dat uit de rapportages volgt dat de handelingsvaardigheden van verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten enige beperkingen lieten zien. Tegelijkertijd worden de mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding door de deskundigen overwegend als beperkt ingeschat. Hoewel de deskundigen van het PBC opmerken dat verdachte enerzijds ontvankelijk lijkt voor pedagogische aansturing, benoemen zij ook dat het ten aanzien van bepaalde punten juist onduidelijk is in hoeverre verdachte nog kan profiteren van een pedagogische aanpak. De deskundigen van het NIFP constateren dat pedagogische interventies ook al in een eerder stadium niet de gewenste gedragsverandering bij verdachte hadden kunnen veroorzaken en zien daarom onvoldoende aanknopingspunten om te adviseren tot toepassing van het minderjarigenstrafrecht. Daar komt bij dat geen van de deskundigen concrete interventies uit het jeugdstrafrecht heeft geadviseerd waar verdachte baat bij zou kunnen hebben. In de conclusies van de deskundigen ziet de rechtbank dan ook onvoldoende indicaties voor toepassing van het minderjarigenstrafrecht, nu niet is gebleken dat interventies uit het jeugdstrafrecht noodzakelijk en haalbaar zijn. Gelet hierop zal de rechtbank bij verdachte niet afwijken van de hoofdregel van berechting volgens het volwassenenstrafrecht.
De overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), is overschreden. De redelijke termijn is gestart op 4 juni 2024, de dag waarop
verdachte is aangehouden in het kader van de verdenking onder feit 1. Verdachte kon er op dat moment in redelijkheid vanuit gaan dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld.
Nu het vonnis wordt uitgesproken op 29 september 2026 is de redelijke termijn met bijna twaalf maanden overschreden. Hierbij gaat de rechtbank uit van de termijn die de Hoge Raad in zijn standaardarrest als uitgangspunt heeft genomen voor een gedetineerde verdachte. Deze vertraging kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte worden toegerekend.
De rechtbank zal daarom in strafmatigende zin rekening houden met een overschrijding van de redelijke termijn van twaalf maanden.
Hoogte van de op te leggen gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat voor de feiten die verdachte heeft begaan vanwege de ernst daarvan enkel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Moord is één van de ernstigste delicten dat het Wetboek van Strafrecht kent en door zijn handelen heeft verdachte niet alleen het leven van zijn eigen vader genomen, maar ook onnoemelijk verdriet toegebracht aan zijn halfbroer en halfzus.
In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat het onder feit 1 bewezenverklaarde in verminderde mate en het onder feit 3 bewezenverklaarde in licht verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. De moord op zijn vader kan naar het oordeel van de rechtbank niet los worden gezien van de bij verdachte aanwezige problematiek. Verdachte heeft een traumatische jeugd gehad, die mede het gevolg is geweest door de zeer vertroebelde band met zijn vader. Voor zover verdachte heeft verklaard in het verleden door zijn vader seksueel te zijn misbruikt, kan de rechtbank dit op basis van dit strafdossier niet uitsluiten, maar ook niet als vaststaand aannemen. De rechtbank acht het echter wel aannemelijk dat de verhouding tussen verdachte en zijn vader ernstig verstoord was en dat deze voorgeschiedenis een rol van betekenis heeft gespeeld bij de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden. De emotionele en op het oog verwarde toestand waarin verdachte blijkens het dossier de maanden voor de moord op zijn vader verkeerde en die ook door diverse familieleden wordt beschreven, schetsen het beeld van een getroebleerde jongeman die maar moeilijk kon omgaan met de trauma’s uit het verleden die in die periode bij hem kwamen bovendrijven. Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit weliswaar meerderjarig, maar volgens de deskundigen was sprake van een kwetsbare, niet uitgekristalliseerde en onrijpe persoonlijkheid. De rechtbank betrekt ook deze aspecten bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf.
Dit alles maakt dat de rechtbank aanleiding ziet om een fors lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank drie maanden op de op te leggen gevangenisstraf in mindering brengen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar passend en geboden.
Gelet op het reclasseringsadvies is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende noodzaak bestaat om tot oplegging van de GVM over te gaan. Het bij verdachte als laag geconstateerde recidiverisico op gelijksoortig (dodelijk) geweld en ander antisociaal gedrag rechtvaardigt de oplegging hiervan niet.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
(de dochter van het slachtoffer) heeft zich als benadeelde partij gevoegd en de volgende vorderingen ingediend:
Immateriële schade
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 21.500,- aan immateriële schade, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade en een bedrag van € 4.000,- voor het ontstane geestelijk letsel opgelopen door de aantasting van de nagedachtenis van het slachtoffer.
Materiële schade
Daarnaast vordert de benadeelde partij [benadeelde partij 1] een bedrag van € 1.988,66 aan materiële schade, bestaande uit kosten voor een intake bij een psycholoog (€ 83,62), kosten voor een coachingstraject (€ 426,21), kosten voor het vervoer naar Amsterdam na het overlijden van haar vader (€ 850,12) en de kosten voor het vervoer naar Amsterdam voor de zittingen van 27 en 28 januari 2026 (€ 628,71).
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
(de zoon van het slachtoffer) heeft zich als benadeelde partij gevoegd en de volgende vorderingen ingediend:
Immateriële schade
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 21.500,- aan immateriële schade, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade en een bedrag van € 4.000,- voor het ontstane geestelijk letsel opgelopen door de aantasting van de nagedachtenis van het slachtoffer.
Materiële schade
Daarnaast vordert de benadeelde partij [benadeelde partij 2] een bedrag van € 11.654,06 aan materiële schade, bestaande uit notariskosten (€ 488,10), een eindafrekening van de huurwoning van zijn vader (€ 1.505,29), kosten voor de ontruiming van de woning van zijn vader (€ 1.322,31), kosten voor het vervoer naar Amsterdam na het overlijden van zijn vader (€ 693,98), de kosten voor de uitvaart (€ 5.883,15), kosten voor een herdenkingsmonument (€ 579,-) en de kosten voor het vervoer naar Amsterdam voor de zittingen van 27 en 28 januari 2026 (€ 1.182,23).
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door beide benadeelde partijen gevorderde affectieschade volledig kan worden toegewezen. De door de beide benadeelde partijen gevorderde schade als gevolg van de aantasting van de nagedachtenis van het slachtoffer kan gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 2.675,-.
De door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] gevorderde materiële schade is – met uitzondering van de gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting – volgens de officier van justitie eveneens toewijsbaar. De officier van justitie heeft verzocht om bij (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van de gevorderde affectieschade geen opmerkingen gemaakt. Ten aanzien van de gevorderde schade als gevolg van de aantasting van de nagedachtenis van het slachtoffer heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen ten aanzien van dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Hiertoe heeft de raadsvrouw – kort samengevat – aangevoerd dat niet is onderbouwd dat sprake is geweest van een onverhoedse confrontatie met de (mogelijk) jegens de overledene begane onrechtmatige daad of de gevolgen hiervan en dat dit vervolgens bij (één van) de nabestaanden een hevige emotionele schok heeft teweeggebracht die heeft geleid tot vastgesteld geestelijk letsel.
Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gevorderde kosten voor de intake bij een psycholoog en de kosten voor de coachingsgesprekken, alsook de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gevorderde notariskosten, de kosten voor de eindafrekening van de woning en de kosten voor de ontruiming van de woning, niet hebben te gelden als gederfd levensonderhoud of als kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek. Om die reden heeft de raadsvrouw verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van deze posten af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast heeft de raadsvrouw ook ten aanzien van de gevorderde kosten voor het vervoer naar Amsterdam voor de zitting verzocht om deze af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal eerst ingaan op de door beide benadeelde partijen gevorderde immateriële schade en daarna de verschillende gevorderde posten per benadeelde partij bespreken. Bij de beoordeling van de vorderingen tot schadevergoeding merkt de rechtbank op voorhand op dat dit een juridische beoordeling betreft van de schadeposten en niet een oordeel betreft over het leed en verdriet bij de nabestaanden.
Affectieschade
Het kind van een door misdrijf overleden persoon komt op grond van artikel 6:108 lid 3 jo. lid 4 sub d van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. Deze vordering is ter zitting niet betwist. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en zowel ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toewijsbaar.
De gevorderde vergoeding voor emotionele schade
De beide nabestaanden hebben een bedrag van € 4.000,- euro gevorderd aan vergoeding
voor emotionele schade, die zij blijkens de door hen ingediende vorderingen tot schadevergoeding hebben opgelopen door het delict. Blijkens de toelichting op hun vordering bestaat deze aantasting in de persoon op andere wijze enerzijds uit de schok door het gewelddadige overlijden van hun vader en anderzijds uit geestelijk letsel dat zij hebben opgelopen doordat verdachte zich voordeed als medeslachtoffer maar enige tijd later de dader bleek te zijn. Daarnaast heeft verdachte in zijn verklaringen de nagedachtenis aan hun vader aangetast, wat geestelijk letsel bij de nabestaanden heeft veroorzaakt.
De rechtbank overweegt hiertoe dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt, ook onrechtmatig kan handelen tegen degene bij wie die confrontatie met die daad een hevige emotionele schok teweegbrengt. Dit is wel afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad, of de gevolgen daarvan, plaatsvinden. De rechtbank moet daarbij toetsen of de gepleegde onrechtmatige daad direct heeft geleid tot een hevige emotionele schok bij de benadeelde partijen, waaruit bij hen geestelijk letsel is voortgevloeid.
Bij de beantwoording van de vraag of de gevorderde schade voor vergoeding in aanmerking komt, moet allereerst worden beoordeeld of de schade is ontstaan als gevolg van het gepleegde strafbare feit. Hoewel het naar het oordeel van de rechtbank begrijpelijk is dat de benadeelde partijen zijn geraakt door de verklaringen van verdachte over hun vader en door het feit dat hij – als dader – nog met hen mee heeft gerouwd na het overlijden, kan niet worden vastgesteld dat zij hierdoor schade hebben geleden die is ontstaan als rechtstreeks gevolg van het ten laste gelegde feit. Daarnaast waren de benadeelde partijen niet fysiek aanwezig, dan wel direct ter plaatse, bij het dodelijke geweld tegen hun vader. Ook anderszins is niet gesteld of gebleken dat zij met de latere gevolgen van dit geweld (onverhoeds) zijn geconfronteerd. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat de dood van hun vader een enorme impact heeft op de levens van de benadeelde partijen, bestaat deze impact niet uit de directe confrontatie met het dodelijke geweld en de gevolgen daarvan. De gevorderde emotionele schade die door de houding en het handelen van verdachte na het gepleegde feit is ontstaan, komt in dit strafproces dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de benadeelde partijen dan ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van dit onderdeel van hun vordering.
De door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gevorderde materiële schade
De door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gevorderde kosten voor het vervoer naar Amsterdam na het overlijden van haar vader (€ 850,12) houden naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks verband met het overlijden van het slachtoffer en zijn op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek toewijsbaar.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering dat ziet op de gevorderde schade ten aanzien van de kosten voor een intake bij een psycholoog (€ 83,62) en de kosten voor een coachingstraject (€ 426,21). Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van hetgeen kan worden gevorderd, te weten de kosten van gederfd levensonderhoud en lijkbezorging. Kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de behandeling van een trauma als gevolg van het gepleegde feit, vallen hier niet onder. Wel zouden de gevorderde materiële kosten op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek eventueel toewijsbaar kunnen zijn als er sprake zou zijn van psychologische behandeling als het gevolg van opgelopen shockschade. De rechtbank heeft hiervoor echter overwogen dat hiervan geen sprake is. Bovendien kan op grond van de door de benadeelde partij overgelegde stukken niet worden vastgesteld wat de precieze ernst en het beloop van het geestelijk letsel is waarvoor zij naar een psycholoog is gegaan. Nu de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in dit deel van de vordering, kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gevorderde materiële schade
De door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gevorderde kosten voor het vervoer naar Amsterdam na het overlijden van zijn vader (€ 693,98), de kosten voor de uitvaart (€ 5.883,15) en de kosten voor een herdenkingsmonument (€ 579,-) houden naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks verband met het overlijden van het slachtoffer en zijn op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek toewijsbaar.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering dat ziet op de gevorderde schade ten aanzien van de notariskosten (€ 488,10), de eindafrekening van de huurwoning van zijn vader (€ 1.505,29) en de kosten voor de ontruiming van de woning van zijn vader (€ 1.322,31). Zoals hiervoor overwogen geeft artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek een limitatieve opsomming van hetgeen kan worden gevorderd, te weten de kosten van gederfd levensonderhoud en lijkbezorging. Uit vaste rechtspraak volgt dat kosten die strekken tot afwikkeling van de nalatenschap niet toewijsbaar zijn als kosten van lijkbezorging, omdat zij niet in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene. De gevorderde kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking in de zin van art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek. Nu de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in dit deel van de vordering, kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Reiskosten ten behoeve van de zitting
Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat voor toewijzing van kosten in de zin van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering dezelfde maatstaf moet worden gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures is in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald welke proceskosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Op basis daarvan komen alleen reis-, verlet- en verblijfkosten die noodzakelijk zijn voor het bijwonen van de zitting voor vergoeding in aanmerking indien in persoon mag worden geprocedeerd en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd.
De rechtbank acht het goed voorstelbaar dat de benadeelde partijen in een zaak als deze persoonlijk bij de zittingen aanwezig wensen te zijn om te horen wat er besproken wordt, ook in het kader van verwerking en uit verbondenheid met hun overleden vader. De wet biedt echter geen ruimte om deze kosten, naast de (proces)kosten voor hun advocaat, toe te wijzen. De rechtbank zal de gevorderde reiskosten dan ook afwijzen.
Totaal toegewezen bedrag aan schade, wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] wordt gedeeltelijk toegewezen ter hoogte van een bedrag van € 18.350,12, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schade en een bedrag van € 850,12 aan materiële schade. De wettelijke rente over het immateriële schadebedrag is toewijsbaar vanaf 29 maart 2024. Gelet op de overgelegde factuur van de boekingsbevestiging stelt de rechtbank de startdatum van de wettelijke rente over het materiële schadebedrag vast op 6 april 2024. Daarnaast zal de rechtbank ten aanzien van het totaalbedrag de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] wordt gedeeltelijk toegewezen ter hoogte van een bedrag van € 24.656,13, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schade en een bedrag van € 7.156,13 aan materiële schade. De wettelijke rente over het immateriële schadebedrag is toewijsbaar vanaf 29 maart 2024. Gelet op de overgelegde facturen van het crematorium de boekingsbevestiging stelt de rechtbank de startdatum van de wettelijke rente over dit deel van het materiële schadebedrag vast op 4 april 2024. De startdatum van de wettelijke rente over het herdenkingsplaatje wordt op basis van de datum van de factuur vastgesteld op 17 april 2024. Daarnaast zal de rechtbank ten aanzien van het totaalbedrag de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 289 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
moord
Ten aanzien van feit 3:
afpersing
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
De vorderingen van de benadeelde partijen
1.Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 18.350,12 (achttienduizend driehonderdvijftig euro en twaalf eurocent), bestaande uit € 850,12 (achthonderdvijftig euro en twaalf eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 6 april 2024 en € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 29 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering af ten aanzien van het gevorderde materiële schadebedrag ter hoogte van € 628,71 (zeshonderdachtentwintig euro en eenenzeventig eurocent).
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat een bedrag van € 18.350,12 (achttienduizend driehonderdvijftig euro en twaalf eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment daarover zoals hiervoor benoemd tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 116 (honderdzestien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
2.Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 24.656,13 (vierentwintigduizend zeshonderdzesenvijftig euro en dertien eurocent), bestaande uit € 7.156,13 (zevenduizend honderdzesenvijftig euro en dertien eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 4 april 2024 over € 6.577,13 (zesduizend vijfhonderdzevenenzeventig euro en dertien eurocent) en de wettelijke rente over € 579,- (vijfhonderdnegenenzeventig euro) vanaf 17 april 2024, en € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 29 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering af ten aanzien van het gevorderde materiële schadebedrag ter hoogte van € 1.182,23 (elfhonderd tweeëntachtig euro en drieëntwintig eurocent).
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat een bedrag van € 24.656,13 (vierentwintigduizend zeshonderdzesenvijftig euro en dertien eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment daarover zoals hiervoor benoemd tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 140 (honderdveertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mrs. G. Oldekamp en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bos, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2026.