ECLI:NL:RBAMS:2026:9740

ECLI:NL:RBAMS:2026:9740

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 13-198356-26
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Executie-EAB Belgie; artikel 12 OLW: 12 sub b aan de orde; artikel 11 OLW: CPT-rapport van 8 september 2026 geeft geen aanleiding om het algemene gevaar voor Belgie uit te breiden; overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-198356-26

Datum uitspraak: 24 september 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 28 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 9 juli 2026 door de Advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. H. Brentjes, advocaat in Utrecht.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrest van het hof van Beroep Antwerpen van 5 december 2025 - C8-kamer met kenmerk 18/PGA/2522 (Griffienummer: 1845/2025).

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1.479 dagen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom alleen het arrest van het Hof van Beroep Antwerpen van 5 december 2025 - C8-kamer met kenmerk 18/PGA/2522 (Griffienummer: 1845/2025) toetsen aan artikel 12 OLW.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW, nu de opgeëiste persoon op de hoogte was van het tijdstip en de plaats van de zitting en zich heeft laten vertegenwoordigen door een gemachtigd advocaat.

Oordeel van de rechtbank

Uit het EAB en de aanvullende informatie van 13 augustus 2026 alsmede de verklaring van de opgeëiste persoon op de zitting blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was het voorgenomen proces (doordat hij in kennis is gesteld van datum en plaats van het voorgenomen proces) en een advocaat heeft gemachtigd om hem te verdedigen. Uit de aanvullende informatie volgt onder andere dat de oproep voor de zitting per aangetekend schrijven is gezonden naar het adres van de opgeëiste persoon in Nederland. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon hierover verklaard dat hij de zittingsdatum nu niet meer weet maar destijds wist wanneer de zitting zou plaatsvinden en hij een advocaat heeft gemachtigd om hem op die zitting te verdedigen. Deze gemachtigd advocaat heeft de opgeëiste persoon ook tijdens het proces verdedigd. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing.

5. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

6. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden

Inleiding

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.

Bij brief van 21 augustus 2025 (de rechtbank leest: 2026), afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:

“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?

[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge.

2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?

België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.

In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:

- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.

Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.

- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.

o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm

o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.

- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.

- Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 8 september 2026 geen reden vormt tot uitbreiding van het reeds aangenomen algemene gevaar van schending van grondrechten. De individuele detentiegarantie volstaat ten aanzien van de opgeëiste persoon.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het nieuwe CPT-rapport van 8 september 2026 het reeds aangenomen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vanwege de algemene detentieomstandigheden in België, waaronder met name de overbevolking en grondslapers in de gevangenissen, bevestigt.

De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, omdat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). De rechtbank ziet in het nieuwe CPT-rapport naar aanleiding van deze zaak geen aanleiding om het algemene gevaar uit te breiden of te concluderen dat de afgegeven individuele detentiegarantie niet meer volstaat.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft geen beroep gedaan op de facultatieve weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering op grond van dit artikel moet worden geweigerd.

8. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.M. de Bie, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en M.C.M. Hamer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 september 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.M. de Bie

Griffier

  • mr. M.J. Gauneau

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand