ECLI:NL:RBAMS:2026:9759

ECLI:NL:RBAMS:2026:9759

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 13/209811-26
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

EAB Polen; verweer m.b.t de detentieomstandigheden verworpen; overlevering toegestaan

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/209811-26

Datum uitspraak: 1 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 24 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 12 augustus 2022 door the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Polen),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd [detentieplaats] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 september 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een decision issued by the District Court in Bydgoszcz on 4 April 2022 (file ref. IV Kp 155/22) to detain [opgeëiste persoon] on remand for an period of 14 following his arrest for the purposes of the case of Bydgoszcz-Poludnie District Public Prosecution Service ref. no. 3 Ds. 158/14.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.

4. Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

diefstal, meermalen gepleegd;

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.

Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

6. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden

Inleiding

Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon (nog) niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven, in het zogenoemde remand regime.

De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Poolse detentie-instellingen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die structureel drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt.

De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat die grondrechten worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd.

In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) op 31 juli 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en hoe de detentieomstandigheden aldaar zijn.

In de aanvullende informatie van 7 augustus 2026 van de Deputy Director van de Department of Execution of Judgements and Probation (Ministry of Justice) staat:

(…) concerning [opgeëiste persoon] (…) it can be assumed that he will most likely be held at the Pretrial Detention Center in Bydgoszcz.

(…) the living space allocated at each inmate shall be no less than 3 m², this area does not include recess areas around windows and radiators, space outside the interior bars, or designated sanitary areas. (…) guarantees that persons deprived of their liberty who are housed at the facility have the opportunity to participate in various activities carried out outside their living quarters. (…) an inmate has the right to at least one hour of outdoor exercise per day. (…) He also has the right to submit a request to be assigned to a work assignment, where he will perform his duties outside his cell. In the Pretrial Detention Center in Bydgoszcz, recreational activities are organized (each residential unit has a recreation room), as well as other cultural and educational activities and social reintegration programs. (…) In summary, it is not possible to precisely calculate the total amount of time that the person involved in the case under review may spend outside the living cell. At the Pretrial Detention Center in Bydgoszcz, there are many activities available and opportunities for detainees to spend time outside their cells. If the inmate chooses to take advantage of these opportunities, the total time he spends outside his living cell may exceed an average of two hours per day.

In reactie daarop heeft het IRC op 14 augustus 2026 het volgende gevraagd:

(…)

In another surrender case where the requested person most likely would be detained in the

Detention Center in Bydgoszcz (remand regime), we have received the following additional

information regarding detention conditions in Bydgoszcz:

“Temporarily detained inmates have the right, in particular, to at least an hour's walk and the opportunity to participate in organized cultural and educational activities outside their housing cells, which, depending on the nature of the activities, may last from 40 to 90 minutes. In addition, the detainee can use the common room, which is located in each residential unit, depending on the needs of the detainees, they can also stay in the common room using the available equipment/supplies. The time of use of the common room is restricted only by a break for administrative activities such as: eating meals, bathing, walking.”

Please find this text in Polish attached.

Could you please inform me whether this information also applies to [opgeëiste persoon] ?

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft hier op 17 augustus 2026 het volgende geantwoord:

In response to the letter dated 14 August 2026, Regional Court in Bydgoszcz III Penal Devision kindly informs that the information regarding the conditions of detention in the Remand Centre in Bydgoszcz set out in the aforementioned letter also apply to [opgeëiste persoon] .

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de detentiegarantie kritisch te beoordelen. De detentiegarantie is namelijk afgegeven door de rechtbank Bydgoszcz, een instantie die op zichzelf niets heeft te zeggen over de wijze van tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis en die bovendien geen kennis draagt van bijvoorbeeld de bezettingsgraad. De garantie is in vrijwel identieke bewoordingen geformuleerd als garanties in eerdere zaken die door de rechtbank toereikend zijn bevonden, zonder dat die op de concrete, individuele zaak is toegespitst. Als de rechtbank de garantie niet afdoende vindt dan dienen er nadere vragen te worden gesteld. Daarnaast is de opgeëiste persoon zeer angstig om te worden overgedragen naar het Huis van Bewaring in zijn geboortedorp, omdat hij in zijn geboortedorp tweemaal is neergestoken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie afdoende is en de detentieomstandigheden daarom geen beletsel voor de overlevering vormen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, omdat hij ten minste één uur per dag kan wandelen en daarnaast de mogelijkheid krijgt om deel te nemen aan dagelijks georganiseerde culturele, educatieve en sportactiviteiten buiten zijn cel. Er is daarnaast ook de mogelijkheid om arbeid te verrichten buiten zijn cel. De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende informatie op de opgeëiste persoon is toegesneden. In de aanvullende informatie wordt hij namelijk bij naam genoemd. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd biedt geen aanleiding om anders te oordelen of om nadere vragen te stellen.

Uit de aanvullende informatie van 7 augustus 2026 en 17 augustus 2026 kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon, als hij ervoor kiest om aan alle aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld genomen ten minste zo’n twee uur per dag buiten de cel kan verblijven.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m² voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke omstandigheden en de angst van de opgeëiste persoon, valt dit buiten het algemene gevaar dat de rechtbank eerder heeft vastgesteld en dus buiten de reikwijdte van de toetsing.

8. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

9. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet, en 2, 5 en 7 OLW.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. E.M de Bie en J.T.H. Zimmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek en M.C. Nooij, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. O.P.M. Fruytier

Griffier

  • mr. C.W. van der Hoek en M.C. Nooij

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand