,RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-033047-26
Datum uitspraak: 24 september 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 januari 2026 door the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 september 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Sroda Wielkopolska van 29 mei 2024 met kenmerk II K 27/24.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de Poolse autoriteiten om een verzetgarantie gevraagd moet worden nu de opgeëiste persoon geen rechtsbijstand heeft gehad in de herroepingsprocedure en niet over deze procedure is geïnformeerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon is opgeroepen op het door hem opgegeven adres. Ook heeft hij een adres-instructie ontvangen, maar hij heeft geen adreswijzigingen doorgegeven. Er is in deze zaak geen sprake van een herroeping van een voorwaardelijke straf.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De uitvaardigende autoriteit heeft niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. Het opvragen van een verzetgarantie is daarom in het onderhavige geval niet aan de orde. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe.
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet is gebleken dat het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, namelijk het rijden op een motor tijdens een rijtonzegging, in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon zou zijn opgelegd.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking. Uit het EAB blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon tijdens de preliminary proceedings bekennend heeft verklaard. De oproep voor de zitting op 29 mei 2024 is volgens het EAB naar het door de opgeëiste persoon opgegeven correspondentieadres verstuurd. De opgeëiste persoon heeft de oproep niet opgehaald. Daarnaast is aan de opgeëiste persoon een adres-instructie verstrekt waarin hem is medegedeeld dat hij adreswijzigingen moest doorgeven. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon onzorgvuldig is geweest met betrekking tot brieven die op zijn correspondentieadres bezorgd zijn, terwijl zorgvuldigheid van hem verwacht mocht worden aangezien hij er redelijkerwijs rekening mee moest houden dat er een procedure zou volgen, en hij op het door hem opgegeven adres post van de Poolse justitiële autoriteiten zou ontvangen. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de opgeëiste persoon in zijn verdedigingsrechten is geschaad. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Het verweer wordt verworpen.
5. Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
6. Artikel 11 OLW
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de Poolse autoriteiten moet worden gevraagd in welke gevangenis de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden en dat op elf punten garanties moeten worden verzocht bij de uitvaardigende justitiële autoriteit, gelet op rechtsoverweging 185 tot en met 189 van het arrest Othman tegen V.K. van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 januari 2012.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Er is geen algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor detentie-instellingen in Polen waar opgelegde straffen ten uitvoer worden gelegd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Polen voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten ondergaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar voor veroordeelde gedetineerden in Polen. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. Het arrest Othman tegen V.K. van het EHRM waar de raadsman naar verwijst ziet op uitlevering van een derdelander naar een derde land (Jordanië). In onderhavige zaak gaat het om een overleveringszaak waarbij het vertrouwensbeginsel als uitgangspunt geldt. De gemaakte vergelijking met de zaak bij het EHRM gaat daarom reeds niet op.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in detentie bestaat. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. W.A.J.P. van den Reek en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.