RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/062940-22
Datum uitspraak: 17 september 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2026. Op deze zitting is het onderzoek gesloten en is onmiddellijk uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.T. Haak. De zaak is bij verstek behandeld.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) het
1. feitelijke leidinggeven aan het onjuist doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf] B.V.;
2. gebruikmaken van valse geschriften (coronasubsidie-aanvragen NOW en TVL);
3. witwassen van in totaal € 91.471.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
3. Geldigheid van de dagvaarding
De rechtbank heeft ter terechtzitting ter sprake gebracht dat ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet feitelijk lijkt te zijn aangeduid hoe verdachte gebruik heeft gemaakt van de in de tenlastelegging genoemde valse geschriften. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit jurisprudentie weliswaar blijkt dat moet worden verfeitelijkt waar de valsheid van de geschriften uit bestaat, maar dat niet noodzakelijk is dat wordt verfeitelijkt op welke manier van de valse geschriften gebruik is gemaakt.
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat in beginsel ook feitelijk moet worden aangeduid op welke manier van de valse geschriften gebruik is gemaakt, komt de rechtbank gezien de wel verfeitelijkte aard van de valse geschriften (subsidie-aanvraagformulieren), in samenhang bezien met het dossier, tot de conclusie dat voldoende duidelijk is op welke manier van de geschriften gebruik zou zijn gemaakt door verdachte. Daarmee is voldoende duidelijk wat verdachte wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. De rechtbank oordeelt dan ook dat de dagvaarding voldoet aan de vereisten zoals in gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en daarmee geldig is.
4. Bewijs en bewezenverklaring
Bewijs en partiële vrijspraken
De rechtbank is, net als de officier van justitie, van oordeel dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Net als de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de feiten tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten dan ook vrijspreken van het medeplegen.
De rechtbank acht het tenlastegelegde bewezen op grond van de bewijsmiddelen. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat
1.
[bedrijf] BV
in de periode van 27 april 2020 tot en met 7 januari 2021 in Nederland,
opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf] BV over:
Het eerste kwartaal van het jaar 2020;
Het tweede kwartaal van het jaar 2020;
Het derde kwartaal van het jaar 2020 en
Het vierde kwartaal van het jaar 2020
onjuist heeft gedaan, door
in de ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde / voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven;
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
en dat verdachte
2.
in de periode van 29 december 2020 tot en met 7 december 2022, in Nederland,
opzettelijk van valse geschriften gebruik heeft gemaakt als ware deze echt en onvervalst en zodanig geschrift af heeft geleverd en voorhanden heeft gehad, te weten:
een TVL-aanvraag met nummer TVL-Q4-202000055099 en
een TVL-aanvraag met nummer TVL-Q4-202000056562 en
een TVL-aanvraag met nummer TVL-Q4-202000058230 en
een TVL-aanvraag met nummer TVL-Q4-202000086836 en
een TVL-aanvraag met nummer TVL-Q1-202100001631,
ten name van [bedrijf] BV,
bestaande die valsheid hierin dat in voornoemde TVL-aanvragen telkens een onjuiste referentieomzet en/of gerealiseerde omzet is vermeld,
terwijl verdachte wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware die echt en onvervalst;
en
in de periode van 26 december 2020 tot en met 7 december 2022, in Nederland,
opzettelijk van valse geschriften gebruik heeft gemaakt als ware deze echt en onvervalst en zodanig geschrift af heeft geleverd en voorhanden heeft gehad, te weten:
een NOW-aanvraag van 26 december 2020 voor de derde aanvraagperiode en
een NOW-aanvraag van 15 februari 2021 voor de vierde aanvraagperiode en
een NOW-aanvraag van 20 december 2021 voor de zevende aanvraagperiode
ten name van [bedrijf] BV,
bestaande die valsheid hierin dat in voornoemde NOW-aanvragen telkens een te hoog percentage omzetverlies is vermeld,
terwijl verdachte wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware
die echt en onvervalst;
3.
in de periode van 26 mei 2020 tot en met 7 december 2022, in Nederland, voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen van in totaal € 91.471, heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (het feitelijke leidinggeven aan) het doen van onjuiste belastingaangiften door een onderneming. De Belastingdienst moet kunnen controleren wat in de belastingaangiften is opgenomen en daarnaast moet zij kunnen vertrouwen op de juistheid van de in belastingaangiften opgenomen gegevens. Dit vertrouwen is door de gedragingen van verdachte geschaad. Daarnaast heeft hij valse aanvragen voor subsidies ingediend. Hiermee heeft hij (via zijn onderneming) geld ontvangen, terwijl hij wist dat hij hier geen recht op had. De subsidie-regelingen, waar verdachte gebruik van heeft gemaakt, zijn tijdens de coronacrisis in het leven geroepen voor bedrijven die dat nodig hadden. Ten gevolge van het handelen van verdachte is aan hem meer dan € 90.000,- onterecht uitgekeerd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van deze compensatieregeling. Ten slotte heeft verdachte het voornoemde geldbedrag witgewassen. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige feiten.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 3 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland voor strafbare feiten is veroordeeld.
Strafoplegging
De Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken (versie juli 2026) van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht koppelen aan fraudegevallen, waarbij het benadelingsbedrag tussen de € 70.000 en € 125.000 bedraagt, een gevangenisstraf van vijf tot negen maanden. De rechtbank is van oordeel dat, met name gezien het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten, de straf, zoals door de officier van justitie is geëist, passend is. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf van vijf maanden.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
9. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
feitelijke leidinggeven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 3:
witwassen, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.
[…]