RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/221434-24
Datum uitspraak: 17 september 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende op het adres [adres]
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 januari 2026 en 17 september 2026. Op de laatste zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.P. Hopman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.G.E. de Vries, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten overeenkomst, waarin door hen gemaakte procesafspraken zijn neergelegd. De procesafspraken zullen hierna in rubriek 3 worden besproken.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1. het onttrekken van goederen (geld) aan de boedel van het later in staat van faillissement verklaarde [bedrijf 1] B.V., terwijl hij wist dat daardoor schuldeisers werden benadeeld; subsidiair ten laste gelegd als het buitensporig gebruiken van middelen van [bedrijf 1] B.V., waardoor de rechtspersoon ernstig nadeel ondervond en het voortbestaan in gevaar kwam;
2. het feitelijke leidinggeven aan het niet en/of onjuist doen van aangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Procesafspraken
Totstandkoming procesafspraken
Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn in eerste instantie procesafspraken overeengekomen, welke in een afdoeningsvoorstel van 9 juli 2025 aan de rechtbank zijn overgelegd. Op 29 januari 2026 zijn deze procesafspraken ter terechtzitting besproken. De rechtbank heeft op die terechtzitting geoordeeld dat de voorgestelde bewezenverklaring in het afdoeningsvoorstel op voorhand geen recht leek te doen aan de overgelegde bewijsmiddelen in deze zaak en dat de voorgestelde strafmaat in dit voorstel op voorhand niet passend leek bij deze bewezenverklaring. Bovendien overwoog de rechtbank dat geen volledige overeenstemming leek te bestaan tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging met betrekking tot de bewezenverklaring, kwalificatie en strafmaat. De rechtbank heeft de zaak daarom aangehouden teneinde de zaak op een volgende zitting alsnog inhoudelijk te kunnen behandelen, maar overwoog dat dit onverlet liet dat het Openbaar Ministerie en de verdediging in de tussentijd tot gewijzigde of aangevulde procesafspraken konden komen.
Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn hierna tot aangepaste procesafspraken gekomen, die in het afdoeningsvoorstel van 21 april 2026 zijn opgenomen en die op 17 september 2026 aan de rechtbank zijn overgelegd. De rechtbank heeft naar aanleiding van dit afdoeningsvoorstel op 25 augustus 2026 per e-mail nadere vragen gesteld aan het Openbaar Ministerie en de verdediging. Hierop heeft de officier van justitie op 11 september 2026 geantwoord onder verwijzing naar vier aanvullende documenten. Wanneer de rechtbank hierna spreekt over de procesafspraken, bedoelt zij het afdoeningsvoorstel van 21 april 2026, inclusief de aanvullende stukken uit de hiervoor bedoelde e-mail van 11 september 2026.
De procesafspraken zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht en gelden als hier ingevoegd.
Overeengekomen procesafspraken
Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn in de procesafspraken, zakelijk weergegeven, overeengekomen dat:
de verdediging in het kader van deze overeenkomst, wanneer de rechtbank deze integraal zal volgen:
geen verweer zal voeren ten aanzien van het bewijs en verdachte zich zal beroepen op zijn zwijgrecht;
geen onderzoekswensen zal indienen;
geen verweer zal voeren ten aanzien van de strafeis zoals in de procesafspraken is overeengekomen;
afstand zal doen van hoger beroep;
het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst, wanneer de rechtbank deze integraal zal volgen:
zal rekwireren tot bewezenverklaring van de feiten, zoals weergegeven in de voorgestelde “gestreepte” tenlastelegging die onderdeel uitmaakt van de procesafspraken;
uitgaande van een benadelingsbedrag ten gevolge van de ten laste gelegde feiten van € 603.167,-, ter terechtzitting een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, een taakstraf van 360 uur en ontzetting van het recht tot het bekleden van de functie van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van drie jaar zal vorderen;
afstand zal doen van hoger beroep.
Ter terechtzitting heeft de verdediging (zowel verdachte als zijn raadsman) ook mondeling ingestemd met de procesafspraken.
Beoordeling procesafspraken
De rechter kan alleen acht slaan op een door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als is gewaarborgd dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in een afdoeningsvoorstel de verdachte in de regel afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De rechtbank heeft de procesafspraken op de terechtzitting van 17 september 2026 met verdachte besproken, terwijl hij werd bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij de procesafspraken met zijn raadsman heeft doorgesproken en dat hij begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van verdachte concreet aan de orde gesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte — die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door dezelfde advocaat — vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie, en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat verdachte achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat.
De rechtbank overweegt nog dat zij in deze zaak niet zonder meer het voordeel van procesafspraken ziet voor partijen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de officier van justitie heeft toegelicht dat verdachte door de procesafspraken geen korting krijgt op de strafeis, maar dat hij, wanneer geen procesafspraken zouden zijn gemaakt, dezelfde straf zou hebben geëist. Bovendien lijken er, zeker nu de rechtbank de procesafspraken op twee terechtzittingen heeft beoordeeld, weinig voordelen te zijn wat betreft procesefficiëntie. Al met al is onderhavige zaak niet een doorsnee zaak die voor procesafspraken in aanmerking zou komen. Echter, de rechtbank ziet formeel geen beletsel om van de procesafspraken kennis te nemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte procesafspraken.
4. Bewijs en bewezenverklaring
Standpunten Openbaar Ministerie en verdediging
Conform de procesafspraken heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen. De verdediging heeft hier, eveneens conform de procesafspraken, geen verweer tegen gevoerd.
Oordeel van de rechtbank – bewijs en bewijsmotivering
De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen op grond van de bewijsmiddelen. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. In deze aanvulling worden dan ook de overwegingen opgenomen op grond waarvan de rechtbank, in aanvulling op de bewijsmiddelen, tot de bewezenverklaring is gekomen. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1.
als feitelijk bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Amsterdam op 9 juli 2024 in staat van faillissement is verklaard, voor het faillissement, te weten in de periode van 3 januari 2018 tot en met 8 juli 2024, in Amsterdam en Hoofddorp,
geldbedragen van in totaal EUR 1.279.350,- (ZD-003-01 en DOC-051 incl. bijbehorende Excel bestanden), althans een (groot) bedrag en enig goed, aan de boedel heeft onttrokken, door zonder geldige titel, te weten:
a. a) in de periode van 3 januari 2018 tot en met 22 december 2020 in totaal EUR 69.132,-, over te maken van de rekening van de rechtspersoon (ABN AMRO [deel rekeningnummer]) naar de privérekening van [verdachte] (ABN AMRO [deel bankrekeningnummer 1]);
b) in de periode van 22 januari 2018 tot en met 23 november 2020 in totaal circa EUR 184.020,-, in contanten op te nemen van de rekening van de rechtspersoon (ABN AMRO [deel rekeningnummer]) zonder deze bedragen ten behoeve van de vennootschap aan te wenden;
c) in de periode van 15 februari 2018 tot en met 21 december 2018 in totaal EUR 614.538,-, ten behoeve van de rechtspersoon van [bedrijf 2] te ontvangen en/of te doen uitbetalen op de privérekening van [verdachte] (ABN AMRO [deel bankrekeningnummer 1]);
d) in de periode van 29 december 2018 tot en met 13 april 2023 in totaal EUR 392.000,-, in contanten op te nemen uit de kas van de rechtspersoon;
e) in de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 juli 2020 in totaal EUR 19.660,- in contanten op te nemen van de rekening van de rechtspersoon (Bunq [deel bankrekeningnummer 2]) zonder deze bedragen ten behoeve van de vennootschap aan te wenden,
en
f) verschillende bedrijfsactiva, namelijk het personeels-, leveranciers- en klantenbestand, althans enig goed, van de rechtspersoon, om niet over te dragen aan [bedrijf 3] B.V., opgericht op 3 april 2020, ten gevolge waarvan de rechtspersoon geen bedrijfsactiviteiten (meer) genoot,
terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
en dat
2.
[bedrijf 1] B.V. op één of meer tijdstippen in de periode van 1 april 2019 tot en met 26 november 2024 in Amsterdam, Hoofddorp en/of Haarlem, in elk geval in Nederland,
telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V. over:
1. het 1e kwartaal van het jaar 2019 (DOC-006);
2. het 2e kwartaal van het jaar 2019 (DOC-006);
3. het 3e kwartaal van het jaar 2019 (DOC-006);
4. het 4e kwartaal van het jaar 2019 (DOC-006);
5. het 1e kwartaal van het jaar 2020 (DOC-006, DOC-023);
6. het 2e kwartaal van het jaar 2020 (DOC-006, DOC-023), en
7. het 4e kwartaal van het jaar 2020 (DOC-006, DOC-023),
telkens niet heeft gedaan,
terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen
Standpunten Openbaar Ministerie en verdediging
De officier van justitie heeft, conform de procesafspraken, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, een taakstraf van 360 uren, en ontzetting van het recht tot het bekleden van de functie van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van drie jaar. De verdediging heeft, eveneens conform de procesafspraken, geen strafmaatverweer gevoerd en is, blijkens de procesafspraken en de toelichting daarop, akkoord met deze strafeis.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onttrekken van geld aan de boedel van zijn later in staat van faillissement verklaarde onderneming, terwijl hij wist dat dat daardoor schuldeisers werden benadeeld. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het (feitelijke leidinggeven aan het) niet-doen van aangiften omzetbelasting door die onderneming. Dit zijn ernstige feiten. De hoogte van het bedrag waarvoor de schuldeisers zijn benadeeld, is meer dan € 600.000,-. Dit is een aanzienlijk bedrag. Aangezien de Belastingdienst de grootste schuldeiser is, heeft verdachte door zijn handelen indirect de gehele samenleving benadeeld.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 3 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte recent niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Wel heeft verdachte op 13 november 2025 en 25 februari 2026 een strafbeschikking opgelegd gekregen voor (kort gezegd) verkeersfeiten. Dit betreft geldboetes van respectievelijk € 290,- en € 470,-. De rechtbank houdt hier rekening mee in het kader van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Strafoplegging
Voor fraude met een benadelingsbedrag van meer dan € 600.000,- geldt volgens de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken (versie juli 2026) van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat met name de persoonlijke omstandigheden van verdachte maken dat een (lagere) straftoemeting, zoals gevorderd, passend is. Daarbij weegt mee dat verdachte geen onderneming meer drijft, waardoor de kans op recidive nihil is. Daarnaast is verdachte werkzaam in loondienst en zit hij in een schuldhulpverleningstraject. Een langere gevangenisstraf dan gevorderd zal maken dat verdachte zijn baan verliest, hetgeen het terugbetalen van zijn schulden zal bemoeilijken. Verdachte heeft de feiten bovendien gepleegd om in zijn gokverslaving, die hij inmiddels heeft overwonnen, te kunnen voorzien en tot slot is zijn gezin afhankelijk van hem, aldus de officier van justitie.
Hoewel de gokverslaving geen omstandigheid is waarvan gezegd kan worden dat deze volledig buiten de invloedssfeer van verdachte ligt, is er bij verdachte geen sprake geweest van een vooropgezet plan om een onderneming op te zetten of voort te zetten, teneinde daar fraude mee te plegen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in behandeling is geweest voor zijn verslaving. De rechtbank gaat ervan uit dat daarmee een einde gekomen aan deze verslaving. Verdachte heeft bovendien, hoewel hij geen bekennende verklaring heeft afgelegd, wel spijt betuigd en verklaard zich te schamen voor zijn gedrag. Hij heeft bovendien meegedeeld een andere weg in te willen slaan en verantwoordelijkheid te willen nemen. De tussen partijen overeengekomen straftoemeting is aanzienlijk lager dan in soortgelijke zaken wordt opgelegd, maar de rechtbank is van oordeel dat deze straftoemeting tot gevolg heeft dat verdachte wel degelijk de consequenties van zijn strafbare handelen zal ondervinden. Hij moet immers, naast twee maanden in detentie doorbrengen, ook 360 uren taakstraf uitvoeren, naast zijn fulltime baan. Verdachte heeft meegedeeld zijn over zowel vorig als dit jaar opgespaarde vakantiedagen op te nemen om zijn gevangenisstraf uit te zitten. Op deze manier kan hij zijn baan behouden, maar zal hij, in ieder geval tot zijn taakstraf volledig is verricht, vrijwel geen vrije dagen hebben. De rechtbank oordeelt dan ook dat zij, gegeven voornoemde omstandigheden, de straftoemeting zoals voorgesteld passend vindt. Tot slot lijkt het de rechtbank verstandig dat verdachte hulp zoekt om (blijvend) van zijn gokverslaving af te komen.
De rechtbank legt daarom aan verdachte op een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, een taakstraf van 360 uren en ontzetting van het recht tot het bekleden van de functie van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van drie jaar.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 51, 57, 63 en 343 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
9. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
feitelijke leidinggeven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 360 (driehonderdzestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 180 (honderdtachtig) dagen.
Legt op als bijkomende straf:
Ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder en feitelijk bestuurder van enige rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van 3 (drie) jaren.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.
[…]
.