RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/180788-26 (zaak A); 13/068767-26 (zaak B);
13/160931-26 (zaak C) en 13/177594-26 (zaak D)
Datum uitspraak: 17 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
ingeschreven op het adres [adres] ,
thans gedetineerd in de [P.I.] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2026. Op deze zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Klap, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Mobach, waarnemend voor mr. J.M. Keizer, beiden advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D aangeduid.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan zes diefstallen (zaak A, zaak B feiten 1 tot en met 3, zaak C feit 2 en zaak D) en lokaalvredebreuk (zaak C feit 1).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de in zaak B tenlastegelegde feiten niet kunnen worden bewezen. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de overige feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Verdachte heeft de feiten in zaak A en C bekend en de feiten in zaak B en D ter terechtzitting ontkend.
Oordeel van de rechtbank
Zaak A en C
De rechtbank acht het in zaak A en zaak C ten laste gelegde bewezen op grond van de bewijsmiddelen en de bekennende verklaringen van verdachte. Aangezien verdachte het (hierna) bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, worden de bewijsmiddelen niet uitgewerkt in dit vonnis, maar volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te vinden in bijlage II.
Zaak B en D
De rechtbank acht ook de tenlastegelegde feiten in zaak B en D bewezen op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Verdachte heeft deze feiten ontkend en de raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten in zaak B (in ieder geval de feiten 1 en 3) naar voren gebracht dat enkel de herkenningen van verbalisanten, gedaan aan de hand van onduidelijke camerabeelden, niet voldoende zijn om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank oordeelt echter dat de herkenningen in zaak B, feiten 1 en 2, zijn gedaan door verbalisanten die verdachte enkele weken daarvoor hebben aangehouden. Ten aanzien van één van de herkenningen in zowel zaak B, feit 3 geldt dit eveneens. Eén van de herkenningen in zaak D is gedaan door een verbalisant die verdachte tijdens een verhoor in het echt heeft gezien. Met betrekking tot de overige herkenningen stelt de rechtbank vast dat deze vrijwel allemaal plaats hebben gevonden op basis van de bewegende beelden, die duidelijker zijn dan de screenshots die zich in het dossier bevinden. Echter, ook in het enkele geval (zaak B, feit 3) dat de herkenning niet heeft plaatsgevonden op basis van bewegende beelden, vindt de herkenning voldoende ondersteuning in het dossier. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dan ook.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Ten aanzien van zaak A:
op 24 juni 2026 te Amsterdam, etenswaren en blikken drinken en een rugtas (met een totale waarde van 37,02 euro) geheel of ten dele aan Action Nederland (gelegen aan Plein 40-45) toebehorend, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Ten aanzien van zaak B:
1.
op 27 september 2025 te Amsterdam, een fiets, toebehorend aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
op 12 november 2025 te Amsterdam, een fiets, toebehorend aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
op 30 januari 2026 te Amsterdam, een fiets, toebehorend aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Ten aanzien van zaak C:
1.
op 3 juni 2026 te Amsterdam in het besloten lokaal COA [locatie] , wederrechtelijk is binnengedrongen.
2.
op 26 mei 2026 te Amsterdam een fatbike, merk Ouxi, type 8, toebehorend aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Ten aanzien van zaak D:
op 24 mei 2026 te Amsterdam, een fatbike toebehorend aan [slachtoffer 5] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om geen ISD-maatregel op te leggen. Dit aangezien er een minder ingrijpend alternatief voorhanden is, namelijk het terug sturen van verdachte naar zijn land van herkomst middels een laissez passer. Verdachte wil zelf ook vrijwillig terug naar Marokko. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen, dan wel de ISD-maatregel voor één jaar op te leggen of een tussentijdse toets na een jaar te bevelen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zes diefstallen, met name van fatbikes, en lokaalvredebreuk. Dit zijn vervelende feiten, die veel overlast veroorzaken.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 3 september 2026, opgemaakt door [naam] . Hierin wordt onder meer beschreven dat verdachte de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij sinds 2019 in Nederland verblijft. Hij heeft meerdere malen asiel aangevraagd, maar dit is telkens afgewezen. In 2022 is er een terugkeerbesluit genomen. Verdachte beschikt dan ook niet over een legale verblijfsstatus. Verdachte is een veelpleger en in zijn leven is sprake van veel risicofactoren voor recidive. Het ontbreekt verdachte aan een baan, structureel inkomen, stabiele huisvesting en een sociaal netwerk.
De reclassering ziet geen mogelijkheden voor begeleiding en hulpverlening binnen een strafrechtelijk kader, mede gezien het ontbreken van een legale verblijfsstatus. Verdachte wil vrijwillig terugkeren naar Marokko, maar dat is nog niet mogelijk gebleken vanwege het ontbreken van een identiteitsbewijs. Zijn nationaliteit kon door de Marokkaanse autoriteiten niet worden vastgesteld middels zijn vingerafdrukken. De kans van slagen van een vrijwillige terugkeer vanuit vreemdelingenbewaring na detentie schat de reclassering (mede gezien het voorgaande) in als laag. De reclassering ziet dan ook geen andere mogelijkheid dan de onvoorwaardelijke ISD-maatregel te adviseren. Dit zal in de praktijk vreemdelingen-ISD (ISD-VRIS) betreffen.
De rechtbank heeft ter terechtzitting de reclasseringswerker en opsteller van voornoemd rapport als deskundige gehoord. Zij heeft ter terechtzitting gepersisteerd in haar advies.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 7 augustus 2026 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de in deze zaak bewezen verklaarde feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal van de door verdachte begane soortgelijke feiten.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een straf op te leggen zodat verdachte als hij vrij komt op eigen gelegenheid naar Marokko terug kan keren, of om de ISD-maatregel voorwaardelijk, voor één jaar of met tussentijdse toets op te leggen, zoals de verdediging heeft verzocht. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat er geen mogelijkheden zijn om het recidivegevaar in te perken anders dan door detentie. De maatschappij heeft dusdanig veel overlast ervaren van verdachte dat de ISD-maatregel in de eerste plaats passend is om de maatschappij voor verdere overlast in de toekomst te behoeden. Vrijwillige terugkeer naar Marokko lijkt de rechtbank daarnaast niet zonder meer mogelijk, waarbij zij verwijst naar het rapport van de reclassering. Tot slot is de ISD-VRIS gericht op terugkeer naar het land van herkomst en kan daarom bijdragen aan de wens van verdachte om terug te keren naar Marokko. De rechtbank ziet dan ook geen reden om deze maatregel niet op te leggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek en/of een succesvolle terugkeer naar Marokko alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
8. Benadeelde partijen
[slachtoffer 2]
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde in zaak B onder 2 rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering is betwist.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
[slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 1.135,27 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit betreft de posten:
m-ebike ad € 1.085,- en
kosten OV ad € 50,27.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde in zaak C onder 2 rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de post M-Ebike moet worden gematigd, en dat de post Kosten OV onvoldoende onderbouwd is. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de post M-Ebike kan worden toegewezen tot een bedrag van € 868,-, waarbij zij rekening heeft gehouden met de afschrijving op fietsen van 20% per jaar. Voor het overige, en voor wat betreft de Kosten OV, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat deze posten (voor het overige) niet onderbouwd zijn.
De rechtbank oordeelt hetzelfde als de officier van justitie en zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 868,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van [slachtoffer 4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd, ter hoogte van het hiervoor genoemde toegewezen bedrag.
[slachtoffer 5]
De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 1.348,94 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak D bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering is gedeeltelijk betwist. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de (vooraf betaalde) onderhoudsbeurten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade. Aangezien de onderhoudsbeurten niet gebruikt waren, zouden deze bovendien redelijkerwijs op een nieuwe fiets over kunnen gaan. De rechtbank is echter, net als de officier van justitie, van oordeel dat deze kosten wel als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt. De vooraf betaalde onderhoudsbeurten waren geldig voor de fiets die door verdachte is weggenomen. Dat eventueel met een fietsenwinkel gesproken of onderhandeld zou kunnen worden over het overzetten van deze onderhoudsbeurten naar een nieuwe fiets, doet hier niet aan af.
De rechtbank overweegt tot slot, net als de officier van justitie en de verdediging, dat moet worden uitgegaan van de tweede door verdachte overgelegde factuur, betreffende de factuur voor de op 2 maart 2026 gestolen fiets en niet de factuur voor de daarna gekochte vervangende fiets. De rechtbank zal de vordering dan ook tot de hoogte van het totaalbedrag op die factuur toewijzen, namelijk € 1.255,23, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.
In het belang van [slachtoffer 5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd, ter hoogte van het hiervoor genoemde toegewezen bedrag.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A, zaak B feiten 1 tot en met 3, zaak C feit 2 en zaak D:
telkens: diefstal
Ten aanzien van zaak C, feit 1:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Benadeelde partij [slachtoffer 4]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 868,- (achthonderdachtenzestig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 mei 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 868,- (achthonderdachtenzestig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 mei 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 (acht) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [slachtoffer 5]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van € 1.255,23 (twaalfhonderdvijfenvijftig euro en drieëntwintig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 mei 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat € 1.255,23 (twaalfhonderdvijfenvijftig euro en drieëntwintig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 mei 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 (twaalf) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter,
mrs. M.A.E. Somsen en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.
[.....]
[.....]
[.....]
[.....]
[.....]
[.....]
[.....]
[.....]